Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2930

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201310319/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:8092, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 18.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de ontvangstdatum van de aanvraag om een tegemoetkoming tot de dag van uitbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310319/1/A2.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2013 in zaak nr. 11/4674 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft het college [appellant] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 18.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de ontvangstdatum van de aanvraag om een tegemoetkoming tot de dag van uitbetaling.

Bij besluit van 29 september 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 en 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2. Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente IJsselmonde vergunning verleend voor het oprichten van drie gebouwen en een parkeergarage op een perceel aan de Palmentuin te Rotterdam, onder vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO van het uitbreidingsplan in hoofdzaak ‘Groot-IJsselmonde’ en het uitbreidingsplan in onderdelen ‘Tuinenhoven’ (hierna: het vrijstellingsbesluit).

Dat perceel bevindt zich direct ten zuiden van de woningen aan de Kruidentuin te Rotterdam. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie]. Hij heeft het college op 10 januari 2008 verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij stelt te lijden als gevolg van het vrijstellingsbesluit. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat de voorziene bebouwing negatieve gevolgen heeft voor het woon- en leefgenot en de waardeontwikkeling van zijn woning.

3. Het college heeft aan de toekenning van de aanvraag een advies van de Johan van Oldenbarnevelt Stichting, Centrum voor bestuurlijk schadevergoedingsrecht (hierna: de JvO) van 15 september 2010 ten grondslag gelegd. Volgens dat advies leidt het vrijstellingsbesluit ten opzichte van het voormalige planologische regime tot planologische nadelen met betrekking tot de schadefactoren ruimtelijke omgevingskwaliteit, uitzicht, inkijk en zoninval. De JvO heeft geadviseerd om [appellant] een bedrag van € 18.000,00 toe te kennen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de ontvangstdatum van de aanvraag tot de dag van algehele betaling. Het bedrag van € 18.000,00 betreft volgens de JvO het verschil tussen de waarde van de woning op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van het vrijstellingsbesluit en op het moment onmiddellijk daarna.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet had mogen uitgaan van het advies van de JvO. Volgens hem heeft de JvO ten onrechte een aantal schadefactoren buiten beschouwing gelaten, dan wel te weinig gewicht toegekend aan de wel in het advies vermelde schadefactoren. Verder heeft de JvO ten onrechte geen taxatierapport van de woning overgelegd. Dit klemt volgens [appellant] temeer nu de woning aan de Kruidentuin 89 hoger is getaxeerd, terwijl die woning niet veel verschilt met die van hem.

4.1. Indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak (onder meer uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013 in zaak nr. 201210305/1/A2 bij het nemen van een besluit op een verzoek om een tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 in zaak nr. 201209878/1/A2, verder terecht overwogen dat de rechter een door een bestuursorgaan aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd deskundigenoordeel slechts terughoudend kan toetsen.

4.2. De JvO heeft in het advies van 15 september 2010 gemotiveerd uiteengezet welke schadefactoren als gevolg van het vrijstellingsbesluit optreden en welk gewicht daaraan kan worden toegekend. [appellant] heeft geen deskundig tegenrapport overgelegd of anderszins concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dat advies op dit punt naar voren gebracht. Dat, zoals hij stelt, feitelijk op een andere wijze is gebouwd dan waarvoor vrijstelling is verleend en daardoor meer schadefactoren optreden, is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, niet van belang voor onderhavige schadebepaling, nu daarbij een vergelijking dient te worden gemaakt tussen het vrijstellingsbesluit en het voormalige planologische regime.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat de JvO de in het advies neergelegde waardebepaling van de woning niet met een afzonderlijk taxatierapport heeft bevestigd, niet betekent dat het college op dit punt niet van het advies heeft mogen uitgaan. Uit het advies blijkt dat bij de taxatie rekening is gehouden met de planologische vergelijking van de maximale bebouwings- en gebruiksmogelijkheden onder de beide planologische regimes, de courantheid van de woning, de onderhoudstoestand en relevante in- en externe omgevings- en kwaliteitsfactoren. Verder heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellant] zijn stelling dat zijn woning ten onrechte lager is getaxeerd dan de woning aan de Kruidentuin 89 niet heeft gemotiveerd met een deskundig tegenrapport.

4.3. Gezien het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college het advies van de JvO in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Dat [appellant] het met dat advies niet eens is en kritische kanttekeningen erbij heeft geplaatst, betekent niet dat het door de JvO verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De stelling van [appellant] dat het laten opstellen van een deskundig tegenrapport te hoge kosten voor hem meebrengt, leidt, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, door in andere gevallen in de gemeente Rotterdam hogere tegemoetkomingen in planschade toe te kennen, faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door [appellant] genoemde gevallen zijn gelegen in een ander plangebied waarop een ander planologisch regime van toepassing is, zodat het reeds daarom geen gelijke gevallen zijn.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

611.