Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201206568/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2012 heeft de raad [van de gemeente Venlo] het bestemmingsplan "Kazernekwartier" vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/834
JOM 2014/824
JOM 2014/821
JBO 2014/164 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2014/917
TBR 2014/186
Milieurecht Totaal 2014/2710
ABKort 2014/317
BR 2014/114
AB 2014/449
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6342

Uitspraak

201206568/1/R1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Venlo,

2. [appellanten sub 2], wonend te Venlo,

3. [appellant sub 3], wonend te Venlo,

4. [appellant sub 4], wonend te Venlo,

5. [appellant sub 5], wonend te Venlo,

6. [appellant sub 6], wonend te Venlo,

7. [appellant sub 7], wonend te Venlo,

8. [appellant sub 8], wonend te Venlo,

9. [appellanten sub 9], wonend te Venlo,

10. Actiegroep Red Ons Fort, gevestigd te Venlo,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Venlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2012 heeft de raad [van de gemeente Venlo] het bestemmingsplan "Kazernekwartier" vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen het besluit van 25 april 2012 hebben [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

Bij besluit van 29 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Aanpassingsplan Kazernekwartier" vastgesteld (hierna: het aanpassingsplan).

Tegen het besluit van 29 mei 2013 hebben [appellant sub 1B], [appellanten sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A], [appellant sub 9B] en Actiegroep Red Ons Fort, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht deskundigenberichten uitgebracht.

Enkele appellanten en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2014, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

Artikel 8:51d van de Awb

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Intrekking

2. Ter zitting hebben [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hun beroepsgronden, met uitzondering van de beroepsgronden die zien op de aspecten behoefte, stedenbouwkundige inpassing en parkeren, ingetrokken.

De procedure

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

3.1. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 29 mei 2013 aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu dit besluit voorziet in vervanging van het bij besluit van 25 april 2012 vastgestelde bestemmingsplan en betrekking heeft op dezelfde planologische ontwikkeling waarop ook het besluit van 25 april 2012 ziet en waartegen de beroepen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] zijn gericht. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, hebben hun beroepen tegen het besluit van 25 april 2012 van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 mei 2013.

3.2. Bij het besluit van 29 mei 2013 is tegemoet gekomen aan de beroepsgrond van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellanten sub 2] wat betreft het betoog dat ten onrechte in het plan niet de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat een geluidwerende voorziening moet worden gerealiseerd alvorens het parkeerterrein nabij hun woningen aan de Horsterweg in gebruik wordt genomen. Verder is tegemoet gekomen aan de beroepsgrond van [appellanten sub 1] wat betreft het betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid die optreedt als evenementen in het multifunctioneel centrum (hierna: MFC) en evenementen op het evenemententerrein gelijktijdig plaatsvinden. De Afdeling overweegt dat deze beroepsgronden - in het licht van de beoordeling van het aanpassingsplan - feitelijke grondslag missen. Voornoemde betogen tegen het aanpassingsplan falen.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het bestemmings- en aanpassingsplan

5. Het bestemmings- en aanpassingsplan voorzien in een grootschalige leisure-ontwikkeling op het terrein van de voormalige Frederik Hendrik Kazerne. In het plangebied is een MFC voorzien met onder andere een voetbalstadion. Verder is een evenemententerrein voorzien en worden diverse parkeeraccommodaties gerealiseerd. Het Kazerneterrein is gelegen op de westoever van de Maas en wordt begrensd door de Eindhovenseweg, de Kazernestraat, de Venrayseweg en de Garnizoenweg.

Leidend voor de ruimtelijke uitwerking van het Kazernekwartier is het stedenbouwkundig plan Lijnstad uit 2010, waarin het plangebied is opgedeeld in twee zones:

1. de Lijnzone: een (gebouwen)strook met hoge dichtheden langs het spoor;

2. de Parkzone: een extensief en parkachtig noordelijk deel van het gebied.

Ontvankelijkheid

6. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6.1. [appellant sub 8] woont aan de [locatie A] op een afstand van meer dan 1 km van het plangebied. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die het aanpassingsplan mogelijk maakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het besluit tot vaststelling van het aanpassingsplan betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 8] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit tot vaststelling van het aanpassingsplan zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 8] geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het aanpassingsplan als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 8] is niet-ontvankelijk.

Voorbereiding aanpassingsplan

7. [appellanten sub 9] voeren aan dat de inspraakfase voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerp van het aanpassingsplan ondemocratisch is verlopen.

7.1. Zoals de Afdeling bij uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200905722/1/R3 heeft overwogen, maakt het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van deze verplichting - wat daarvan ook zij - heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de procedure en het aanpassingsplan.

8. [appellanten sub 9] betogen dat in de fase van de totstandkoming van het plan sprake is geweest van willekeur en een gebrek aan transparantie.

8.1. De Afdeling overweegt dat [appellanten sub 9] niet aannemelijk hebben gemaakt dat in de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het aanpassingsplan in zoverre is gehandeld in strijd met de Awb, de Wro of enig andere wettelijke bepaling. Het betoog faalt.

Behoefte en uitvoerbaarheid binnen de planperiode

9. [appellant sub 1B], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat de behoefte aan de functies die het aanpassingsplan mogelijk maakt niet is aangetoond. [appellant sub 1B] voert aan dat niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Wat betreft de functie detailhandel wijst [appellant sub 1B] erop dat uit het onderzoek "Kazerneterrein: EER en DPO" van BRO van 21 april 2012 blijkt dat hieraan geen kwantitatieve, maar enkel een beperkte kwalitatieve behoefte bestaat. Hij voert aan dat de gevolgen van het aanpassingsplan voor de winkelleegstand niet inzichtelijk zijn gemaakt. Verder vreest hij voor leegstand van kantoorruimte. Hij wijst erop dat in de bestaande situatie reeds sprake is van leegstand van winkel- en kantoorruimte. [appellanten sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellanten sub 9] betogen dat de raad ook niet inzichtelijk heeft gemaakt dat onder private partijen voldoende bereidheid bestaat om het aanpassingsplan te verwezenlijken. Zij achten dit in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro. Daarbij wijzen zij erop dat het ROC - de aanvankelijk beoogde gegadigde voor de verwezenlijking van de onderwijsfunctie in het plangebied - zich uit het project heeft teruggetrokken. Hetzelfde geldt voor Holland Casino en de voetbalclub VVV.

9.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro, gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoeft;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

[…].

Ingevolge artikel 1.1.1, onder h, wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociale culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge artikel 1.1.1, onder i, wordt onder stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

9.2. De Afdeling stelt voorop dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro zoals dit thans luidt, niet van toepassing is op het aanpassingsplan van 29 mei 2013. Weliswaar is het aanpassingsplan vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, maar de stedelijke ontwikkelingen die het aanpassingsplan mogelijk maakt waren ook reeds voorzien in het op 25 april 2012 vastgestelde bestemmingsplan. Toen gold het huidige artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nog niet. De in het aanpassingsplan opgenomen aanpassingen waren enkel noodzakelijk ter nadere borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving van het plangebied. In de voorliggende situatie waarin de stedelijke ontwikkelingen, die met het besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb tot vaststelling van het aanpassingsplan mogelijk zijn gemaakt, niet meer omvatten of wezenlijk verschillen ten opzichte van de stedelijke ontwikkelingen die met het oorspronkelijk besluit van 25 april 2012 reeds mogelijk zijn gemaakt, brengt een redelijke wetsuitleg naar het oordeel van de Afdeling met zich dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, niet van toepassing is.

Het voorgaande laat onverlet dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zich binnen de planperiode van in beginsel tien jaar wel een behoefte aan de voorziene ontwikkelingen moet voordoen en dat er ook anderszins geen belemmeringen zijn die zich tegen de realisering van die ontwikkelingen binnen de planperiode verzetten.

9.3. Het aanpassingsplan voorziet erin dat in het Kazernekwartier een gemengd aanbod tot stand komt, bestaande uit cultuur en vrije tijd, leisure, onderwijs, sport, commerciële/zakelijke dienstverlening, kantoren en gezondheid. Het totaal uitgeefbaar areaal bedraagt 140.000 m², waarvan 30.000 m² in de Parkzone en 110.000 m² in de Lijnzone. In het aanpassingsplan is het kantorenprogramma gemaximeerd op 20.000 m² bvo en de onderwijsfunctie op 10.000 m² bvo. Het detailhandelsprogramma, waaronder ook begrepen groothandel, is gemaximeerd op 5.000 m² bvo, en uitsluitend bestemd voor individuele winkels in de thema’s ‘leisure en vrijetijdsbesteding’ en ‘onderwijs en kennis’. Het aanpassingsplan voorziet in detailhandelsvestigingen van minimaal 1.500 m² bvo, met de mogelijkheid om tot een oppervlakte van 2.000 m² bvo af te wijken voor kleinere vestigingen, mits passend binnen het thema ‘leisure en vrijetijdsbesteding’. In aanvulling op die 5.000 m² bvo is detailhandel alleen in ondergeschikte vorm toegestaan als het gaat om rechtstreeks aan het MFC gerelateerde winkels, zoals een fanshop of een souvenirwinkel. In het aanpassingsplan omvat het leisureprogramma globaal geschetst de volgende elementen:

- een multifunctioneel centrum voor onder andere evenementen;

- evenementen in de open lucht;

- een casino met hiermee ruimtelijk samenhangend horeca categorie 4 en beperkt detailhandel;

- horeca categorie 2 tot en met 5;

- een bioscoop;

- sportvoorzieningen, waaronder begrepen een zwembad;

- cultuur en ontspanning, waarvan gedeeltelijk enkel functies met een lage personendichtheid;

- wellness.

9.4. Om inzichtelijk te maken dat behoefte bestaat aan de functies die het aanpassingsplan mogelijk maakt zijn de rapporten "Kazerneterrein: onderdelen EER en DPO" van BRO van 21 april 2011 en "Kantorenanalyse gemeente Venlo" van BRO van 29 november 2011 opgesteld.

9.5. In het rapport "Kazerneterrein: onderdelen EER en DPO" staat dat in de gemeente Venlo - uitgaande van het totale aanbod aan detailhandel - kwantitatief geen marktruimte bestaat voor een uitbreiding van het detailhandelsaanbod. Bij uitsplitsing van het totale aanbod aan detailhandel in branches is echter geconcludeerd dat in enkele branches ruimte is voor uitbreiding van beperkte omvang. Vermeld is dat dit de branches sport en speelgoed, rijwielen, (kantoor)boekhandels, zorg, gezondheid en persoonlijke verzorging zijn en dat daarnaast ruimte bestaat voor enkele op de gebruikers van het Kazerneterrein toegesneden ‘gemakswinkels’. Verder is aangegeven dat de ruimte die op het terrein is voorzien voor winkels geheel of gedeeltelijk kan worden ingericht ten behoeve van groothandel die niet is gericht op particuliere consumenten. Onder de voorwaarde dat wordt vastgehouden aan het uitgangspunt dat detailhandel op het Kazerneterrein ondersteunend moet zijn aan het concept en onder de voorwaarde dat het detailhandelsaanbod wordt gemaximeerd op 5.000 m² bvo, is in het rapport "Kazerneterrein: onderdelen EER en DPO" geconcludeerd dat de effecten op de bestaande detailhandelsstructuur zeer beperkt zullen zijn. De raad wijst erop dat in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, sub 2 en 4, van de planregels is aangesloten bij de beoogde branchering en het maximumoppervlak voor detailhandel. Volgens de raad is hiermee sprake van een haalbaar detailhandelsprogramma dat geen of weinig effect heeft op het bestaande winkelaanbod en/of leegstand van winkelruimte. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onjuist is.

9.6. Met betrekking tot de behoefte aan 20.000 m² bvo aan kantoorruimte op het Kazerneterrein stelt de raad met verwijzing naar het rapport "Kazerneterrein: onderdelen EER en DPO" dat er vanuit de markt voor een locatie als het Kazerneterrein grote interesse bestaat vanwege de goede bereikbaarheid, de goede ligging ten opzichte van het centrum van Venlo en de directe nabijheid van woningen en voorzieningen. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daarmee in een behoefte wordt voorzien. Weliswaar staat vast dat in Venlo kantoorgebouwen leeg staan, maar de raad stelt met verwijzing naar het rapport "Kantorenanalyse gemeente Venlo" dat het leegstandspercentage slechts zes procent bedraagt, welk percentage onder het landelijk gemiddelde ligt. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. Voor zover is betoogd dat niet valt in te zien waarom de bestaande leegstaande kantoorgebouwen in Venlo en omgeving niet kunnen worden benut om te voldoen aan de vraag naar kantoorruimte van bedrijven die zich op het Kazerneterrein willen vestigen, wordt overwogen dat de raad heeft toegelicht dat die kantoorgebouwen niet voldoen aan de huidige eisen die bedrijven daaraan stellen, renovatie van die gebouwen ten behoeve van de kantoorfunctie te kostbaar is en het beleid er derhalve op is gericht die gebouwen geschikt te maken voor andere functies dan de kantoorfunctie. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze keuze niet in redelijkheid heeft kunnen maken.

9.7. Verder stelt de raad dat de omstandigheid dat het ROC zich uit het project heeft teruggetrokken onverlet laat dat behoefte bestaat aan 10.000 m² bvo aan onderwijsvoorzieningen op het Kazerneterrein. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt stelt hij met verwijzing naar het onderzoek "Regionale behoefte Kazernekwartier Venlo" van Bureau Stedelijke Planning van 1 april 2014 dat op basis van de ontwikkeling van het aantal leerlingen en het onderwijsaanbod in de regio blijkt dat een behoefte bestaat aan 16.500 m² bvo voor MBO- en HBO-instellingen tezamen, hetgeen aanzienlijk meer is dan het programma van 10.000 m² bvo dat in het aanpassingsplan mogelijk wordt gemaakt. De Afdeling is van oordeel dat de raad de behoefte aan onderwijsvoorzieningen aldus voldoende heeft toegelicht. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen reden deze toelichting voor onjuist te houden.

9.8. Voor het overige voorziet het aanpassingsplan in functies op het gebied van leisure. De raad stelt dat ook hiermee wordt voorzien in een behoefte. In het rapport "Kazerneterrein: onderdelen EER en DPO" en het onderzoek "Regionale behoefte Kazernekwartier Venlo" van Bureau Stedelijke Planning van 1 april 2014 is dit standpunt toegelicht. Vermeld is dat de locatiekwaliteiten van het Kazernekwartier - dat wil zeggen: voldoende fysieke ruimte op een locatie met een zeer goede multimodale bereikbaarheid, nabij een multifunctionele, historische omgeving - passend zijn bij de huidige vestigingseisen en vestigingswensen van stedelijke leisureconcepten. Tevens is vermeld dat er in de kernregio Venlo, buiten het Kazernekwartier, van dit soort plekken geen andere is. Ten slotte is aangegeven dat de samenballing van meerdere relatief grootschalige leisure-concepten op deze locatie leidt tot een belangrijk vliegwieleffect, niet alleen voor de regio, maar ook voor het stedelijk centrum van Venlo.

9.9. De Afdeling overweegt dat uit de planregels en de plantoelichting blijkt dat een voetbalstadion ten tijde van de vaststelling van het aanpassingsplan een belangrijk onderdeel vormde van het voorziene leisureprogramma op het Kazerneterrein. De raad heeft dit ter zitting ook bevestigd. Vaststaat echter dat de voetbalclub VVV zich na de vaststelling van het aanpassingsplan uit het project heeft kunnen terugtrekken. Een terzake gesloten overeenkomst bood daartoe ook de mogelijkheid. Ook staat vast dat in verband daarmee binnen de planperiode geen voetbalstadion zal worden gerealiseerd. De Afdeling overweegt hieromtrent dat gelet op de vrijblijvendheid van de met betrekking tot het voetbalstadion tot stand gebrachte overeenkomst en de omstandigheid dat de voetbalclub VVV de enige bespeler van dat stadion had kunnen zijn, de raad niet in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat er sprake is van een tot de realisering van het stadion nopende behoefte binnen de planperiode of op voorhand in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat er geen belemmeringen aanwezig zijn die zich tegen de realisering van het stadion binnen de planperiode verzetten.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat de omstandigheid dat op het Kazerneterrein geen voetbalstadion zal worden gerealiseerd, onverlet laat dat de diverse functies op het gebied van leisure die de plandelen met de bestemming "Gemengd - 1" en "Gemengd - 2" mogelijk maken, voldoende mogelijkheden bieden voor een rendabele exploitatie van de gronden. Hij heeft ter zitting verklaard dat er voldoende andere gegadigden zijn voor de verwezenlijking van het grootschalige leisure-concept op het Kazerneterrein. De Afdeling acht de behoefte aan en de uitvoerbaarheid van het aanpassingsplan voor zover dat voorziet in functies op het gebied van leisure met deze enkele stelling, evenwel onvoldoende onderbouwd. Het bestreden besluit van 29 mei 2013 is wat betreft de plandelen met de bestemming "Gemengd - 1" en "Gemengd - 2" dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog van [appellanten sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellanten sub 9] over de behoefte en de uitvoerbaarheid slaagt in zoverre.

Bespreking overige beroepsgronden

10. De Afdeling ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken.

Stedenbouwkundige inpassing

11. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellanten sub 9] betogen dat de bebouwing in het plangebied, gelet op de maximaal toegestane bouwhoogtes van 40 m en 50 m, afbreuk doet aan het karakter van hun woongebied dat met name bestaat uit laagbouw. Zij wijzen erop dat een grote overgang ontstaat tussen de maximaal toegestane bouwhoogtes in hun woonwijk en de maximaal toegestane bouwhoogtes in het plangebied.

11.1. Het aanpassingsplan maakt gebouwen mogelijk met maximale bouwhoogtes van 50 m, 40 m, 30 m en 15 m. Uit de plantoelichting volgt dat hoge bebouwing essentieel is om het Kazernekwartier prominent herkenbaar te doen zijn. Van een relatief anoniem gebied moet het Kazernekwartier worden getransformeerd tot een publieke plek met aantrekkingskracht aan de Maas. Beoogd wordt het Kazernekwartier een beeldbepalende locatie aan de Maas voor Venlo te laten zijn. De Afdeling is van oordeel dat de raad aldus toereikend heeft gemotiveerd waarom het de voorkeur geniet dat in het plangebied aanzienlijk hogere bebouwing is toegestaan ten opzichte van de maximumbouwhoogtes die in de naastgelegen woonwijk zijn toegestaan. Deze motivering wordt - in het licht van hetgeen is aangevoerd - niet onredelijk geacht. Het betoog faalt.

Verkeer

12. [appellanten sub 1] vrezen voor filevorming in de nabijheid van hun woning aan de Horsterweg. [appellant sub 7] vreest voor filevorming, zowel op de Eindhovenseweg als op de locatie nabij de rotonde op de Kazernestraat die het Kazerneterrein ontsluit. Hij wijst erop dat in de bestaande situatie reeds sprake is van filevorming op de Eindhovenseweg. De filevorming op de Eindhovenseweg zal volgens hem toenemen en de bereikbaarheid van deze weg voor hulpverleners zal afnemen, omdat als gevolg van het aanpassingsplan het aantal rijbanen voor doorgaand verkeer ter hoogte van de Kazernestraat wordt verminderd van twee naar één. [appellanten sub 9] betogen eveneens dat de bereikbaarheid voor hulpverleners zal afnemen. [appellanten sub 1] betogen dat onduidelijk is hoe grote verkeershinder bij evenementen voorkomen zal worden. Volgens hen moet de bestaande verkeersstructuur (in verdergaande mate) worden aangepast en/of had de raad in het aanpassingsplan minder evenementen mogelijk moeten maken. [appellant sub 7] betoogt dat alternatieve ontsluitingen van het Kazerneterrein via de Greenportlane, de veiling en de Venrayseweg ten onrechte niet serieus in de besluitvorming zijn betrokken.

12.1. In de plantoelichting staat dat het Kazernekwartier in de toekomstige situatie direct bereikbaar is via de op- en afritten van de Eindhovenseweg. Via nieuwe rotondes ter hoogte van de Eindhovenseweg en de Kazernestraat is het terrein bereikbaar. Dit geldt zowel voor het verkeer vanuit de richting Eindhoven als voor het verkeer vanuit Venlo. Vanuit de richting Eindhoven vormt de route Groot Bollerweg - Venrayseweg de tweede secundaire ontsluitingsroute.

Verder staat in de plantoelichting dat de wenselijke verdeling van het verkeer wordt afgedwongen door aanvullende maatregelen. Dit zijn een goede bewegwijzering en een PRIS (parkeer-route-informatiesysteem). Het noordelijke deel van de Venrayseweg wordt niet opgenomen in de routering naar het Kazernekwartier, omdat dit gedeelte van de weg loopt door het gebied Freshpark waar sprake is van een relatief hoge verkeersdruk met veel vrachtverkeer.

Om doorgaand (vracht)verkeer op de Venrayseweg te weren is ook een variant met een ‘knip’ in de Venrayseweg onderzocht. Dit is een variant op het planalternatief. Met een ‘knip’ wordt bedoeld het afsluiten van de Venrayseweg aan de oostkant ter hoogte van de planontwikkeling. Het plangebied blijft daarmee vanuit zowel het noorden als het zuiden bereikbaar, alleen is het niet meer mogelijk via de Venrayseweg vanuit de Antoniuslaan rechtstreeks naar het bedrijventerrein "Trade Port" te rijden. Dit verkeer moet dan via de nieuwe verknoping rijden.

12.2. In de notitie "MER Kazerneterrein Blerick" van Goudappel Coffeng van 15 april 2011 is over de verkeersafwikkeling - rekening houdend met de planontwikkelingen zonder evenementen - geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling op de onderzochte wegvakken en kruispunten vrijwel niet verandert ten opzichte van de autonome situatie. Enkel indien wordt gekozen voor de knipvariant komt de I/C-verhouding op de Kazernestraat uit op 0,8. Dit wordt beschouwd als matige verkeersafwikkeling en geeft aan dat de kans op congestie op de Kazernestraat toeneemt. De knipvariant heeft als voordeel dat op twee kruispunten linksafbewegingen worden ontlast: linksaf van de stadsbrug naar de Antoniuslaan, en linksaf van de Antoniuslaan naar de Venrayseweg. Deze variant biedt een ontlasting voor het gehele verkeersnetwerk tussen Blerick en Venlo.

In de notitie "MER Kazerneterrein Blerick" is over de verkeersafwikkeling - rekening houdend met de planontwikkelingen met evenementen - geconcludeerd dat het wegennet zonder aanvullende maatregelen het verkeer onvoldoende kan verwerken. Op piekmomenten tijdens evenementen is de capaciteit daarmee niet toereikend, doordat een zeer incidentele piekbelasting voorkomt. Tijdens evenementen zal maatwerk moeten worden geleverd. Net als bij andere grootschalige evenementen in Nederland moet daarbij worden gedacht aan het tijdelijk wijzigen van de verkeersstructuur. Door met verkeersregelaars tijdelijk rijrichtingen of straten af te sluiten kan de bereikbaarheid en afwikkeling tijdens evenementen worden gewaarborgd.

12.3. De raad stelt met verwijzing naar de notitie "MER Kazerneterrein Blerick" dat de verkeersafwikkeling in de situatie rekening houdend met de planontwikkeling, maar zonder evenementen, op de Kazernestraat en de Eindhovenseweg niet ernstig verslechtert ten opzichte van de autonome situatie. Hij stelt dat enkel op de Kazernestraat sprake zal zijn van een matige verkeersafwikkeling, indien in een later stadium wordt gekozen voor de knipvariant. Nu de knipvariant als voordeel heeft dat een ontlasting wordt geboden voor het gehele verkeersnetwerk tussen Blerick en Venlo, acht de raad - bij de keuze voor de knipvariant - een matige verkeersafwikkeling op de Kazernestraat aanvaardbaar. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 7] dat alternatieve ontsluitingen van het Kazerneterrein via de Greenportlane, de veiling en de Venrayseweg ten onrechte niet serieus in de besluitvorming zijn betrokken, wordt overwogen dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van die alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In dit geval bestaat in hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het voorgestelde alternatief voor ontsluiting van het Kazerneterrein via de Venrayseweg heeft kunnen afwijzen om onder meer de reden dat het reeds zwaar belaste kruispunt op de Eindhovenseweg met dat alternatief verder wordt belast. Met betrekking tot de alternatieve ontsluitingsroute via de veiling en de Greenportlane heeft de raad ter zitting toegelicht dat dit dezelfde route is als de route Groot Bollerweg - Venrayseweg die vanuit de richting Eindhoven de secundaire route vormt voor de ontsluiting van het plangebied. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 7] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de besluitvorming in zoverre gebrekkig is verlopen.

Met betrekking tot de verkeersafwikkeling op piekmomenten in de situatie rekening houdend met de planontwikkeling, inclusief evenementen, stelt de raad dat de capaciteit van de wegen incidenteel ontoereikend zal zijn. Hij stelt dat evenwel tijdelijke maatregelen kunnen worden getroffen ter bevordering van een vlot verloop van de verkeersafwikkeling voorafgaand en na afloop van evenementen. Dit is in het deskundigenbericht bevestigd. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Het betoog van [appellanten sub 1] dat moet worden gevreesd voor aanzienlijke verkeersoverlast in de nabijheid van hun woning aan de [locatie B] vanwege het voorziene evenemententerrein, faalt. Hierbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van de raad dat de Horsterweg bij evenementen tijdelijk zal worden afgesloten, omdat de weg als route niet nodig is voor de aan- en afvoer richting het Kazernekwartier en de weg geen deel uitmaakt van de hoofdontsluiting van het Kazernekwartier. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor ernstige verkeersoverlast op de Horsterweg.

12.4. Wat betreft de bereikbaarheid voor hulpverleners staat in de plantoelichting dat vier speciale hulpdienstingangen zullen worden gerealiseerd. Tijdens een piekmoment heeft één van deze entrees een minder goede bereikbaarheid. De overige drie entrees hebben via de Venrayseweg ook op deze momenten een goede bereikbaarheid. Niet aannemelijk is gemaakt dat de bereikbaarheid voor hulpverleners hiermee onvoldoende is.

12.5. De betogen over het aspect verkeer falen.

Parkeren

13. [appellanten sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 7] vrezen voor parkeeroverlast in hun woonwijk nabij het Kazerneterrein. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat - anders dan de raad meent - niet kan worden uitgegaan van een parkeerbehoefte van 3.000 parkeerplaatsen ten behoeve van het plangebied. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] betogen voorts dat moet worden betwijfeld of het buitenplans opvangen van het parkeertekort, gelet op de ligging van die parkeerplaatsen op ruime afstand van het plangebied, reëel is. Ook vrezen zij dat bezoekers van het evenemententerrein en het MFC zullen parkeren in de woonwijk om files van en naar het Kazerneterrein te ontwijken.

13.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten noorden van de Horsterweg de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" met de aanduiding "parkeerterrein", "ontsluiting" en "specifieke vorm van verkeer - zone geluidwerende voorziening" toegekend. Blijkens de verbeelding is aan de gronden die worden begrensd door de Horsterweg, de Kazernestraat, de spoorlijn en de Venrayseweg de bestemming "Gemengd - 1" of "Gemengd - 2" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor:

[…];

f. ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein", uitsluitend voor een parkeervoorziening waar minimaal 800 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden;

g. ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting" een in- en uitrit ten behoeve van een parkeerterrein;

h. geluidwerende voorzieningen waarvan de minimale hoogte 6,5 m dient te bedragen, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - zone geluidwerende voorzieningen";

met daaraan ondergeschikt:

j. bermen en beplanting;

[…].

Ingevolge lid 10.4.1, dient het verkeer van bezoekers van evenementen op het parkeerterrein te zijn afgewikkeld binnen een uur na het tijdstip waarop op grond van artikel 3, lid 3.4.1, en artikel 4, lid 4.5.1, evenementen zijn toegestaan, waarbij adequaat verkeerstoezicht (in de vorm van verkeersregelaars) moet worden ingezet.

Ingevolge lid 10.5, onder a, mogen de gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" niet eerder als parkeerterrein als bedoeld in artikel 10, lid 10.1, onder f en g, in gebruik worden genomen, dan nadat geluidwerende voorzieningen als bedoeld in lid 10.1, onder h, zijn gerealiseerd.

Ingevolge lid 10.5, onder b, is het niet toegestaan om het parkeerterrein als bedoeld in artikel 10.1, onder f, te gebruiken zonder (instandhouding van) een geluidwerende voorziening als bedoeld in artikel 10.1, onder h.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder l, onderscheidenlijk artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder r, zijn de voor "Gemengd - 1" en "Gemengd - 2" aangewezen gronden bestemd voor parkeervoorzieningen, waarbij binnen de bestemmingen "Gemengd - 1" en "Gemengd - 2" tezamen minimaal 1.500 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd.

13.2. In de notitie "MER Kazerneterrein Blerick" van Goudappel Coffeng van 15 april 2011 is over het aspect "parkeren" vermeld dat in en in de nabijheid van het plangebied 3.000 parkeerplaatsen voorhanden zullen zijn, waarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Het merendeel van de parkeerplaatsen wordt voor meerdere functies gebruikt, waardoor dubbelgebruik mogelijk is. Verder is vermeld dat tijdens evenementen ongeveer 700 parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied worden gebruikt door bezoekers van evenementen en wedstrijddagen om geen overaanbod aan parkeerplaatsen te krijgen. Deze parkeerplaatsen liggen op loopafstand (Park & Walk) of zijn verder weggelegen (Park & Ride). Deze P&R- faciliteiten worden door middel van busvervoer verbonden met het plangebied. Om het parkeren goed te kunnen reguleren wordt betaald parkeren in combinatie met een bewonersregeling ingevoerd. Tevens wordt een parkeerverwijssysteem aangelegd. Op wedstrijddagen en bij evenementen worden verkeersregelaars ingezet om overlast in de omgeving te voorkomen.

13.3. Vaststaat dat de behoefte aan 3.000 parkeerplaatsen is berekend aan de hand van de parkeernormen van de gemeente Venlo en met de parkeerkencijfers van de CROW. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat die berekeningen zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat niet van een parkeerbehoefte van 3.000 parkeerplaatsen kan worden uitgegaan. De raad stelt dat in het plangebied en aan de overzijde van de Maas op afstanden van ongeveer 550 m en 700 m voldoende parkeerplaatsen aanwezig zullen zijn om te voorzien in de parkeerbehoefte, zodat er niet voor behoeft te worden gevreesd dat bezoekers van het evenemententerrein en het MFC zullen parkeren in de woonwijk. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De stelling dat de parkeerplaatsen aan de overzijde van de Maas op te ruime afstand van het plangebied liggen, is hiervoor onvoldoende. Hierbij is van belang de toelichting van de raad ter zitting dat afstanden van 550 m en 700 m afstanden zijn, waarvan bekend is dat bezoekers van evenementen bereid zijn deze te overbruggen. De Afdeling acht, het incidentele karakter van een evenementenbezoek in aanmerking genomen, niet aannemelijk gemaakt dat deze toelichting van de raad onjuist is. De stelling dat parkeeroverlast ontstaat indien gelijktijdig twee evenementen plaatsvinden in het centrum van Venlo en op het evenemententerrein, is eveneens onvoldoende. Hierbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van de raad dat het gelijktijdig plaatsvinden van twee evenementen zal worden tegengegaan door regulering via de zogenoemde evenementenkalender en het vergunningenstelsel voor evenementen als opgenomen in de algemene plaatselijke verordening. Deze toelichting acht de Afdeling toereikend.

14. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" met de functieaanduiding "parkeerterrein", voor zover op 3 m afstand ten noorden van hun woningen aan de Horsterweg een parkeerterrein mogelijk wordt gemaakt. Zij achten het niet aanvaardbaar dat op 3 m afstand van hun woningen kan worden geparkeerd. [appellanten sub 1] betogen dat hun uitzicht ernstig wordt aangetast. Volgens hen is in het aanpassingsplan ten onrechte niet de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een groene afscherming moet worden gerealiseerd. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] voeren verder aan dat ernstige geluidhinder zal optreden. [appellanten sub 2] voeren aan dat niet inzichtelijk is gemaakt dat een geluidwerende voorziening ter beperking van geluidhinder een toereikende maatregel is. Verder vrezen zij voor overlast. Ook betogen zij dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidsoverlast die wordt veroorzaakt door stemgeluid op het parkeerterrein.

14.1. De raad stelt dat niet op 3 m afstand van de percelen aan de Horsterweg kan worden geparkeerd. Hij heeft toegelicht dat de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" weliswaar is toegekend aan de strook grond die is gelegen tussen de percelen aan de Horsterweg en de locatie op 7 m afstand van de percelen waar een geluidwerende voorziening wordt gerealiseerd, maar dat op die strook grond niet kan worden geparkeerd, omdat deze door de aanleg van de geluidwerende voorziening niet bereikbaar zal zijn. De Afdeling is van oordeel dat deze toelichting van de raad kan worden gevolgd, zodat ervan uit wordt gegaan dat het aanpassingsplan ertoe leidt - anders dan [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] menen - dat pas op een afstand van ongeveer 7 m van de percelen aan de Horsterweg zal worden geparkeerd.

Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht van [appellanten sub 1] kan worden aangetast door het ter plaatse voorziene parkeerterrein, aangezien dat is voorzien op thans onbebouwd terrein op een afstand van ongeveer 7 m tot de woningen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht niet dusdanig zal zijn dat hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat geen recht bestaat op vrij zicht, dat ter plaatse een verhoging is die het uitzicht beïnvloedt alsmede de verklaring van de raad ter zitting dat de gemeente maatregelen zal nemen die een aantasting van het uitzicht ook zullen beperken, waarbij moet worden gedacht aan beplanting. Wat betreft het betoog dat in het aanpassingsplan ten onrechte niet de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat een groene afscherming wordt gerealiseerd, wordt overwogen dat hiervoor in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat, omdat ook indien de beplanting die de raad in het vooruitzicht heeft gesteld niet in stand blijft, de inrichting van het terrein als parkeerterrein niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Voorts faalt het betoog dat niet inzichtelijk is gemaakt dat de geluidwerende voorziening die op grond van artikel 10, lid 10.5, onder a, van de planregels moet worden gerealiseerd, een toereikende maatregel is om ernstige geluidhinder ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 2] te voorkomen. Ook faalt het betoog dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidsoverlast die wordt veroorzaakt door stemgeluid op het parkeerterrein. De Afdeling stelt vast dat naar deze aspecten onderzoek is verricht. De onderzoeksresultaten zijn beschreven in het rapport "Kazerneterrein Venlo; akoestische aspecten bezoekers overloopparkeerplaats" van Peutz van 15 april 2013. In het rapport is geconcludeerd dat de geluidbelasting als gevolg van het parkeren, inclusief het stemgeluid van bezoekers lopende van of naar de parkeerplaats, voldoet aan de 45 dB(A)-etmaalwaarde. Ook is geconcludeerd dat de maximale geluidwaarde als gevolg van stemgeluid voldoet aan de daarvoor geldende streefwaarde van 60 dB(A). De Afdeling overweegt dat [appellanten sub 2] en [appellanten sub 1] deze conclusies niet hebben bestreden. De raad stelt zich op basis van de conclusies in het rapport "Kazerneterrein Venlo; akoestische aspecten bezoekers overloopparkeerplaats" op het standpunt dat als gevolg van het parkeerterrein geen sprake zal zijn van ernstige geluidhinder ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 1]. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Met betrekking tot het betoog dat moet worden gevreesd voor overlast die wordt veroorzaakt door bezoekers van het parkeerterrein, wordt overwogen dat het tegengaan van dergelijke overlast een kwestie van uitvoering betreft die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

14.2. In het niet nader onderbouwde standpunt van [appellanten sub 1] dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met indirecte geluidhinder, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" ten noorden van de Horsterweg niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

14.3. De betogen over het aspect parkeren falen.

Geluid (overig)

15. [appellanten sub 2] vrezen voor geluidsoverlast die op drukke dagen wordt veroorzaakt door sluipverkeer op de Horsterweg. Hiernaar is volgens hen ten onrechte geen onderzoek verricht. [appellanten sub 2] betogen dat ter beperking van geluidhinder maatregelen aan de Eindhovenseweg en de Kazernestraat ten onrechte niet zijn geregeld in het aanpassingsplan of anderszins zijn vastgelegd als verplichting. [appellant sub 7] vreest voor een onaanvaardbare geluidsoverlast als gevolg van extra verkeer op de Eindhovenseweg.

15.1. De Kazernestraat en de Eindhovenseweg worden gewijzigd in die zin dat een rotonde wordt aangelegd ter plaatse van de huidige kruising Eindhovenseweg-Kazernestraat. Ten noorden van dit kruispunt wordt op de Kazernestraat een tweede rotonde gerealiseerd. Tussen de twee nieuw aan te leggen rotondes zal ook de Kazernestraat fysiek worden gewijzigd. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting van de gevel van woningen die zijn gelegen binnen de zone van de weg als gevolg van de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidbelasting vanwege de wijziging van de Kazernestraat kan toenemen met 4 dB tot maximaal 59 dB ter plaatse van woningen aan de Kazernestraat. Berekend is dat de geluidbelasting vanwege de wijziging van de Eindhovenseweg kan toenemen met 5 dB tot maximaal 67 dB ter plaatse van woningen aan de Burgemeester Gommanstraat, De Schansgraaf, Excelsiorstraat, Fort Sint Michielstraat en Van Laerstraat. Teneinde geluidhinder te beperken wordt een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd op de Kazernestraat en de Eindhovenseweg. Om de geluidbelasting nog verder terug te brengen wordt de snelheid op de Eindhovenseweg gedeeltelijk verlaagd van 70 km per uur naar 50 km per uur. Berekend is dat deze maatregelen erin resulteren dat ter plaatse van woningen - met uitzondering van de woningen aan de Kazernestraat 3, 5, 7, 9, 11 en 13 - geen overschrijding optreedt van de grenswaarden die op grond van de Wgh in acht moeten worden genomen. Voor de woningen aan de Kazernestraat 3, 5, 7, 9, 11 en 13 zijn hogere waarden van 55 dB of 56 dB vastgesteld. Nu de in het akoestisch onderzoek berekende waarden de vastgestelde hogere waarden niet overschrijden, staat de Wgh in zoverre niet aan het aanpassingsplan in de weg. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wijzigingen van de Kazernestraat en de Eindhovenseweg ter plaatse van de woningen nabij het plangebied niet leiden tot ernstige geluidhinder. Geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad in dit geval uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verdergaande maatregelen had moeten nemen om de geluidsbelasting ter plaatse van woningen verder terug te dringen.

Met betrekking tot het betoog dat de aanleg van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B op de Kazernestraat en de Eindhovenseweg en de snelheidsverlaging voor een gedeelte van de Eindhovenseweg ten onrechte niet als verplichtingen in het aanpassingsplan zijn opgenomen, wordt overwogen - anders dan de Afdeling voorheen heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 22 juli 2013 in zaak nr. 201300745/1/R6, maar in overeenstemming met haar uitspraak van 19 februari 2014 in zaak nr. 201306688/1/R6 - dat hiervoor geen aanleiding bestaat. De raad heeft toegezegd dat deze maatregelen zullen worden getroffen. Nu de gemeente het in haar macht heeft om bedoelde maatregelen te treffen en niet is gebleken van belemmeringen die zich hiertegen verzetten, is de Afdeling thans van oordeel dat de raad in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van verplichtingen daartoe in het aanpassingsplan.

Wat betreft het betoog van [appellanten sub 2] dat op drukke dagen moet worden gevreesd voor geluidoverlast die wordt veroorzaakt door sluipverkeer op de Horsterweg, stelt de raad dat hiervan geen sprake zal zijn. In dit verband heeft hij toegelicht dat de Horsterweg bij evenementen tijdelijk zal worden afgesloten, nu de weg als route niet nodig is voor de aan- en afvoer richting het Kazernekwartier en de weg geen deel uitmaakt van de hoofdontsluiting van het Kazernekwartier. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellanten sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat in zoverre desondanks moet worden gevreesd voor ernstige geluidoverlast.

16. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen voor een onaanvaardbare toename van de geluidsoverlast ter plaatse van hun woning als gevolg van het evenemententerrein en het gebruik van het MFC.

[appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen voorts dat de raad wat betreft luidruchtige evenementen niet bij de in paragraaf 5.3 van de Handreiking opgenomen ontheffingsregeling heeft mogen aansluiten. Volgens hen had hij die activiteiten - die als representatieve bedrijfsactiviteiten moeten worden aangemerkt - op dezelfde wijze moeten beoordelen als de overige representatieve bedrijfsactiviteiten. [appellant sub 1B] voert verder aan dat onvoldoende afstand in acht is genomen tussen zijn woning en het MFC. [appellanten sub 2] betogen dat ten onrechte niet wordt voldaan aan de richtafstand van 300 m in de VNG-Brochure.

16.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ter plaatse van het MFC de bestemming "Gemengd - 1" toegekend. Aan de gronden ter plaatse van het evenemententerrein is de bestemming "Gemengd - 2" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, is op gronden met de bestemming "Gemengd - 1" het houden van luidruchtige (muziek)evenementen, waarbij het voetbalstadion wordt gebruikt voor andere doeleinden dan reguliere sport- en aan sport gerelateerde wedstrijden en evenementen, toegestaan. Hierbij geldt voor alle evenementen dat deze enkel zijn toegestaan onder de voorwaarden genoemd in lid 3.4.1.

Ingevolge lid 3.4.1, onder a, gelden voor evenementen in het MFC zoals bedoeld in lid 3.1, onder a, de volgende voorwaarden:

1. tussen 23.00 uur en 7.00 uur zijn geen evenementen toegestaan in het voetbalstadion, tenzij het bepaalde onder c dit wel toelaat;

2. het aantal bezoekers per evenement is maximaal 23.500 per dag en als het voetbalstadion tussen 19.00 uur en 23.00 uur wordt gebruikt voor evenementen moet het dak van het voetbalstadion bedoeld in lid 3.1, onder a, gesloten zijn;

3. luidruchtige (muziek)evenementen als bedoeld in lid 3.1, onder a, mogen niet meer dan 12 dagen per jaar worden gehouden, waarbij geldt dat i) het maximale aantal bezoekers per dag 23.500 mag zijn, ii) indien de dag na het luidruchtige (muziek)evenement een vrije dag is, is het tijdstip van 23.00 in afwijking van het bepaalde onder lid 3.4.1, onder a, sub 1, 1.00 uur en dat iii) het dak gesloten dient te zijn.

Ingevolge dat lid, onder b, mogen buiten het MFC zoals bedoeld in lid 3.1, onder a, geen luidruchtige (muziek)evenementen worden gehouden.

Ingevolge dat lid, onder c, zijn bij een te houden evenement de volgende langtijdgemiddelde waarden geluidsniveaus toegestaan op de gevel van geluidgevoelige objecten: 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor achtereenvolgens de periodes 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. Als uitzondering hierop zijn voor de woningen aan de [locatie B]-80 de geluidsniveaus voor iedere periode 5 dB(A) lager vastgesteld.

Ingevolge dat lid onder d, zijn bij een te houden luidruchtig (muziekevenement) de volgende langtijdgemiddelde waarden geluidsniveaus toegestaan op de gevel van geluidgevoelige objecten: 60 dB(A), 60 dB(A) en 40 dB(A) voor achtereenvolgens de periodes 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. Als uitzondering hierop zijn voor de woningen aan de [locatie B]-80 de geluidsniveaus 56 dB(A), 56 dB(A) en 35 dB(A) voor achtereenvolgens de periodes 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur.

Ingevolge dat lid onder e, zijn bij een te houden luidruchtig (muziek)evenement de volgende langtijdgemiddelde waarden geluidsniveaus toegestaan op de gevel van geluidgevoelige objecten indien de dag na het luidruchtige (muziek)evenement een vrije dag is: 60 dB(A), 60 dB(A) en 40 dB(A) voor achtereenvolgens de periodes 07.00-19.00 uur, 19.00-01.00 uur en 01.00-07.00 uur. Als uitzondering hierop zijn voor de woningen aan de [locatie B]-80 de geluidsniveaus 56 dB(A), 56 dB(A) en 35 dB(A) voor achtereenvolgens de periodes 07.00-19.00 uur, 19.00-01.00 uur en 01.00-07.00 uur.

Ingevolge lid 3.4.2, aanhef en onder d, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruiken van het voetbalstadion in het MFC als bedoeld in lid 3.1 voor evenementen na 19.00 uur zonder gesloten dak. Het te openen en te sluiten dak, inclusief dakconstructie, dient de in dit lid voorgeschreven isolatiewaarde te hebben.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder g, zijn de voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein" tevens bestemd voor evenementen.

Ingevolge lid 4.5.1, onder a, zijn ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein" toegestaan:

1. maximaal 6 grote eendaagse evenementen per jaar, met een maximum van 25.000 bezoekers per dag;

2. maximaal 20 evenementen per jaar, met een maximum van 5.000 bezoekers per dag. Deze evenementen mogen in totaal 25 dagen per jaar duren waarbij de benodigde tijd voor het opbouwen en afbreken van een evenement wordt meegerekend;

3. tussen 23.00 uur en 7.00 uur zijn geen activiteiten toegestaan ten behoeve van een evenement, met uitzondering van de situatie dat de dag na het evenement een vrije dag is. In een dergelijk geval wordt het tijdstip van 23.00 uur gewijzigd in 0.00 uur.

Ingevolge dat lid, onder b, mogen op de voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden geen luidruchtige (muziek)evenementen als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, onder a worden gehouden.

Ingevolge dat lid, onder c, zijn bij een te houden evenement de volgende langtijdgemiddelde waarden geluidsniveaus toegestaan op de gevel van geluidgevoelige objecten: 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor achtereenvolgens de periodes 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. Als uitzondering hierop zijn voor de woningen aan de [locatie B]-80 de geluidsniveaus 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) voor achtereenvolgens de periodes 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur.

Ingevolge lid 4.5.2, is het niet toegestaan separate evenementen op het evenemententerrein als bedoeld binnen de bestemming "Gemengd - 2" gelijktijdig te laten plaatsvinden met evenementen in het stadion van het MFC.

16.2. De bedrijven die mogelijk zijn gemaakt vallen - met uitzondering van het MFC - onder milieucategorie 1 of 2, waarvoor een indicatieve hinderafstand geldt van maximaal 30 m tot een rustige woonwijk en maximaal 10 m tot gemengd gebied. De afstand tussen de bedrijfsbestemming en de dichtstbij gelegen woning aan de Horsterweg bedraagt ongeveer 32 m. De afstand tussen de bouwvlakken binnen de bestemmingen "Gemengd - 1" en "Gemengd - 2" en de dichtstbij gelegen woning aan de Kazernestraat bedraagt ongeveer 55 m. Gelet op deze afstanden overweegt de Afdeling dat de raad terecht stelt dat het plan in zoverre voldoet aan de richtafstanden in de VNG-Brochure. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wat betreft de bedrijven van milieucategorie 1 en 2 die het aanpassingsplan mogelijk maakt, niet hoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van woningen.

Het MFC is volgens de planregels te gebruiken voor publieksbijeenkomsten en een voetbalstadion. De publieksbijeenkomsten (congressen, vergaderingen en daaraan gerelateerde sport-, kantoor- en horeca-activiteiten) vallen eveneens onder milieucategorie 1 of 2. Het voetbalstadion valt onder milieucategorie 4.2, waarvoor een richtafstand geldt van 300 m tot een rustige woonwijk en 200 m tot een gemengd gebied. Nu wat betreft het voetbalstadion niet wordt voldaan aan de richtafstand in de VNG-Brochure heeft de raad laten onderzoeken of het voetbalstadion wat betreft het aspect geluid uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening inpasbaar is. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Bestemmingsplan Kazernekwartier Venlo; akoestische aspecten" van Peutz van 18 december 2012. De berekeningen zijn blijkens dit rapport uitgevoerd volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999.

Met betrekking tot niet-luidruchtige evenementen in het MFC, waaronder ook voetbalwedstrijden vallen, is in het akoestisch rapport aangegeven dat de geluidemissie van een voetbalwedstrijd met een geopend dak maatgevend is. Uit het rapport blijkt dat bij voetbalwedstrijden overdag met een geopend dak wordt voldaan aan de in artikel 3, lid 3.4.1, onder c, van de planregels genoemde streefwaarden. Voorts is berekend dat wat betreft avondwedstrijden die worden gespeeld met een gesloten dak, wordt voldaan aan de in voornoemd artikel genoemde streefwaarden. Nu in de planregels het gebruik van het voetbalstadion voor onder andere voetbalwedstrijden zonder gesloten dak, is aangemerkt als strijdig gebruik en in de planregels rekening is gehouden met de isolatiewaarden van de dakconstructie van het stadion waarmee is gerekend, stelt de raad dat aan de in de planregels gestelde streefwaarden zal kunnen worden voldaan. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Nu de langtijdgemiddelde waarden op de gevel van gevoelige gebouwen die het aanpassingsplan voorschrijft gelijk zijn aan of lager zijn dan de normen die over het algemeen aanvaardbaar worden geacht en als zodanig in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn vastgesteld, stelt de raad dat niet luidruchtige evenementen in het MFC, rekening houdend met het woon- en leefklimaat van omwonenden, inpasbaar zijn. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Voor de beoordeling van de akoestische gevolgen van luidruchtige evenementen in het MFC heeft de raad aangesloten bij de nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg van 1996. In het akoestisch rapport is geconcludeerd dat door de in het aanpassingsplan gestelde randvoorwaarden die erop zijn gericht hinder te beperken, wat betreft luidruchtige evenementen ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling die is genoemd in voornoemde nota. Wat betreft het aantal keer dat sprake mag zijn van luidruchtige evenementen is de raad aangesloten bij hetgeen hierover is aangegeven in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, te weten twaalf keer per jaar. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid van deze normen heeft kunnen uitgaan en acht niet aannemelijk gemaakt dat niet aan deze normen kan worden voldaan. Gelet hierop heeft de raad zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de luidruchtige evenementen in het MFC, rekening houdend met het woon- en leefklimaat van omwonenden inpasbaar zijn.

Voorts is berekend dat wat betreft evenementen op het evenemententerrein, wordt voldaan aan de in de planregels genoemde streefwaarden. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Nu de langtijdgemiddelde waarden op de gevel van gevoelige gebouwen die het aanpassingsplan voorschrijft gelijk zijn aan of lager zijn dan de normen die over het algemeen aanvaardbaar worden geacht en als zodanig in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn vastgesteld, stelt de raad dat ook evenementen op het evenemententerrein, rekening houdend met het woon- en leefklimaat van omwonenden, inpasbaar zijn. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De Afdeling is verder van oordeel dat luidruchtige evenementen in het MFC, gelet op de bestemmingsomschrijving, kunnen worden beschouwd als een incidentele bedrijfssituatie waarvoor de raad heeft kunnen aansluiten bij de in paragraaf 5.3 van de Handreiking opgenomen ontheffingsregeling.

16.3. In de enkele stelling van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] dat het verrichtte akoestisch onderzoek ondeugdelijk is, omdat een aantal invoergegevens ontbreken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het aanpassingsplan in zoverre onzorgvuldig is vastgesteld. Daarbij is van belang dat in het deskundigenbericht staat dat het verrichte akoestische onderzoek op dit punt deugdelijk is en [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] het tegendeel niet aannemelijk hebben gemaakt.

17. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid vanwege het aanpassingsplan, wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. In het akoestisch onderzoek staat volgens hen ten onrechte dat een toename van 2 dB tot 5 dB niet als significant kan worden beschouwd. [appellant sub 7] betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid vanwege het aanpassingsplan en het railverkeerslawaai ter plaatse van zijn woning.

17.1. In het akoestisch rapport is - anders dan [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 7] stellen - de geluidcumulatie berekend. Hun betogen missen in zoverre feitelijke grondslag.

Voor de geluidemissie vanwege het aanpassingsplan zelf is uitgegaan van een worst-casescenario in de representatieve bedrijfssituatie. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] in een zone liggen waar de gecumuleerde geluidbelasting, inclusief het aanpassingsplan, 2 tot 5 dB (A) hoger ligt dan de huidige geluidbelasting. Specifiek voor de woningen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] is gesteld dat ter plaatse de toename van de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 2-3 dB(A) bedraagt. De raad stelt met verwijzing naar de resultaten in het akoestisch rapport dat de toename van de gecumuleerde geluidbelasting in het bijzonder wordt veroorzaakt door de autonome groei van het verkeer die leidt tot een toename van verkeerlawaai van 1-2 dB(A), zodat de toename van de geluidbelasting van het aanpassingsplan een beperkte bijdrage levert. In het deskundigenbericht is dit bevestigd. De Afdeling is van oordeel dat de raad de toename van de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van het aanpassingsplan in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

18. [appellant sub 7] voert aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de toename van geluid ter plaatse van zijn woning door weerkaatsing van het railverkeerslawaai als gevolg van bebouwing in het plangebied.

18.1. De raad stelt dat het niet waarschijnlijk is dat weerkaatsing een wezenlijke bijdrage levert aan de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 7], vanwege de afstand van 140 m tussen de woning van [appellant sub 7] en de locatie waar in het plangebied bebouwing gerealiseerd kan worden en vanwege de hogere ligging van de tussengelegen weg en het spoor. Het deskundigenbericht bevestigt dit, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op voornoemd standpunt stelt.

18.2. De betogen over het aspect geluid falen.

Luchtkwaliteit

19. [appellanten sub 2] en [appellant sub 7] vrezen voor een onaanvaardbare verslechtering van de luchtkwaliteit. De verslechtering is volgens [appellant sub 7] met name te wijten aan een toename van de verkeersintensiteit op de de Eindhovenseweg. [appellanten sub 2] voeren aan dat niet kan worden uitgegaan van de conclusies in het luchtkwaliteitsonderzoek, omdat geen rekening is gehouden met de realisering van extra parkeervoorzieningen in het plangebied en de toename van het aantal voertuigbewegingen die hiermee gepaard gaat. Ook voeren zij aan dat geen rekening is gehouden met bus- en vrachtverkeer van en naar het plangebied.

19.1. De raad stelt dat in het onderzoek naar luchtkwaliteit niet is ingegaan op de gevolgen voor de luchtkwaliteit, veroorzaakt door een toename van het aantal parkeervoorzieningen, omdat duidelijk is dat die uitstoot niet dusdanig is dat de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer worden overschreden. De raad stelt dat die emissies te verwaarlozen zijn.

19.2. In het onderzoek "Luchtkwaliteit Kazernekwartier Venlo" van Oranjewoud van 15 april 2011 is onderzocht wat de effecten van de ontwikkeling van het Kazernekwartier zijn op de concentraties luchtverontreinigende stoffen in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Daaruit volgt dat in geen van de onderzochte situaties en jaren sprake is van overschrijding van de relevante grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) zoals die zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Geconcludeerd is derhalve dat titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming.

19.3. In hetgeen [appellanten sub 2] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor het aanpassingsplan. Daarbij is van belang dat in het onderzoek "Luchtkwaliteit Kazernekwartier Venlo" van Oranjewoud van 15 april 2011 ter plaatse van een groot aantal beoordelingspunten voor de jaren 2011, 2015 en 2021 de concentraties van stikstofdioxide en fijn stof in de lucht zijn berekend, onder meer aan weerszijden van de Venrayseweg nabij de woningen van [appellant sub 1B] en [appellanten sub 2]. Voor alle beoordelingspunten geldt de conclusie dat geen sprake is van overschrijding van de relevante grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) zoals die zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek "Luchtkwaliteit Kazernekwartier Venlo" van Oranjewoud van 15 april 2011 zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat niet van deze conclusie kan worden uitgegaan. De omstandigheid dat de verkeersbewegingen op het noordelijke parkeerterrein nabij de woningen van [appellant sub 1B] en [appellanten sub 2] niet in het onderzoek zijn betrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang dat in de notitie van Witteveen+Bos van 12 december 2012 staat dat de lokale verkeersbewegingen bij de parkeerplaatsen, waaronder de parkeerplaats voor 800 voertuigen in het noordelijk deel van het plangebied, ruimschoots binnen de getoetste aantallen in de gehanteerde worst-case-berekeningen passen. Het deskundigenbericht bevestigt dat het om deze reden niet in de lijn der verwachting ligt dat als gevolg van de verkeersbewegingen op het parkeerterrein nabij de woningen van [appellant sub 1B] en [appellanten sub 2] grenswaarden zullen worden overschreden. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

19.4. De betogen over het aspect luchtkwaliteit falen.

Woon- en leefklimaat overig

20. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat het aanpassingsplan leidt tot een onaanvaardbare afname van zicht en een verslechtering van de ruimtelijke beleving vanuit hun woningen en een vermindering van zon- en daglichttoetreding. Zij achten de voorziene bebouwing in de nabijheid van hun woningen te hoog.

20.1. Niet in geschil is dat de voorziene bebouwing in het aanpassingsplan gevolgen zal hebben voor het uitzicht vanuit de woningen van [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6]. De bebouwing met maximale hoogtes van 30 m en 50 m kunnen immers worden gebouwd op afstanden van ongeveer 55 m onderscheidenlijk 95 m van hun woningen op gronden waar nu bebouwing aanwezig is die bestaat uit één bouwlaag met kap. De Afdeling overweegt dat de raad zich echter in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting. Daarbij is van belang dat een woonsituatie met vrij zicht in binnenstedelijk gebied niet kan worden gegarandeerd. De Afdeling is voorts van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden enkel een zeer beperkte vermindering van daglichttoetreding kan optreden ter plaatse van woningen, hetgeen in het deskundigenbericht ook is bevestigd. De betogen falen.

21. In verband met de hoogbouw die mogelijk wordt gemaakt in het plangebied, vrezen [appellanten sub 1] voor windhinder. Ten onrechte is hiernaar geen onderzoek verricht. [appellanten sub 1] betogen dat dit aspect niet kan worden doorgeschoven naar de fase van vergunningverlening.

21.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen de regel dat beschut gelegen gebouwen met een hoogte van meer dan 15 m en onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte van meer dan 30 m dienen te voldoen aan paragraaf 6.2 van NEN 8100.

21.2. In de in 2006 uitgekomen NEN 8100 is een beslismodel weergegeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn:

- gebouwen hoger dan 30 m -> windonderzoek;

- beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 m tot 30 m -> deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is;

- onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 m -> deskundige beoordeelt of windonderzoek nodig is.

Paragraaf 6.2 van NEN 8100 geeft verder aan hoe het windklimaat kan worden beoordeeld. Hierbij wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. De waardering van het lokale windklimaat wordt gekwalificeerd als goed, matig of slecht.

21.3. De raad heeft ter zitting toegelicht dat artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels in het aanpassingsplan zijn opgenomen met het doel te waarborgen dat een goed windklimaat wordt gerealiseerd. De Afdeling is van oordeel dat dit aspect in dit geval niet kan worden doorgeschoven naar de fase van vergunningverlening, omdat in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels niet is aangegeven welke kwalificatie van het lokale windklimaat in acht moet worden genomen bij het bouwen. Hiermee ontbreekt in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels een materiële norm waaraan in het kader van de vergunningverlening kan worden getoetst.

Voorts heeft de raad ter zitting verklaard dat met de regeling in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels bij wijze van omissie niet op een juiste wijze bij de NEN-norm is aangesloten. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit tot vaststelling van het aanpassingsplan heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat dit wat betreft artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels bovendien is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Dit betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] slaagt.

22. [appellanten sub 2] en [appellant sub 7] vrezen voorts voor een toename van drukte en zwerfvuil, veroorzaakt door bezoekers aan het plangebied. [appellanten sub 2] vrezen ook voor vandalisme en vernieling van hun eigendommen.

22.1. Ten aanzien van dit betoog - wat hiervan ook zij - wordt overwogen dat het aanpassingsplan een evenemententerrein, een MFC en parkeerplaatsen mogelijk maakt. Het tegengaan van bedoelde overlast door bezoekers aan het plangebied is een kwestie van uitvoering en kan in deze procedure niet aan de orde komen.

23. [appellanten sub 2] vrezen voor lichthinder in hun tuin en woning, veroorzaakt door lichtmasten en autolampen.

23.1. Ingevolge artikel 10, lid 10.2.2, van de planregels gelden de volgende regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.

[…]

c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m bedragen.

[…].

Ingevolge lid 10.3, aanhef en onder a, kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing binnen het plangebied ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.

23.2. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de overlast uitgaande van verlichting niet onaanvaardbaar zal zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van de raad dat in het kader van de uitvoering van het aanpassingsplan zal worden gekozen voor lichtmasten met een beperkte lichtuitstraling naar de omgeving. Wat betreft verkeersverlichting wordt voorts in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat de raad terecht stelt dat vanwege de aanwezigheid van een geluidsscherm niet aannemelijk is dat dit ter plaatse van de woning van [appellanten sub 2] zal leiden tot lichthinder. Het betoog faalt.

24. [appellanten sub 1] vrezen voor overlast tijdens de bouwfase.

24.1. Dit betoog heeft geen betrekking op het aanpassingsplan, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

Ecologische Hoofdstructuur

25. [appellanten sub 1] betogen dat ten gevolge van het aanpassingsplan een aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) plaatsvindt. Zij voeren aan dat niet is gebleken dat de hiervoor vereiste beoordeling of sprake is van een groot maatschappelijk belang en of reële alternatieven ontbreken, is verricht. Verder voeren zij aan dat niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze is voorzien in mitigerende en eventuele compenserende maatregelen. [appellanten sub 9] vrezen eveneens voor een aantasting van de EHS.

25.1. Uit de plantoelichting en de notitie van Witteveen + Bos van 13 december 2012 volgt dat geen aantasting plaatsvindt van het EHS-gebied Raaijweide dat aan de oostzijde grenst aan het Kazerneterrein. Het deskundigenbericht bevestigt dit. In dit verband is vermeld dat de directe omgeving van de Raaijweide kan worden gekenmerkt als stedelijk gebied en er sprake is van een intensief benutte infrastructuur, zodat de ontwikkelingen in het plangebied slechts in beperkte mate bijdragen aan de verstoring in het gebied. Voorts is vermeld dat tijdens de bouwfase voorzieningen kunnen worden getroffen om de verstoring in het EHS-gebied te beperken. De Afdeling overweegt dat [appellanten sub 1] niet aannemelijk hebben gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor een aantasting van de EHS. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het kader van het aanpassingsplan ten onrechte voorbij is gegaan aan het voor de EHS geldende "nee, tenzij-principe". Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte geen nader onderzoek is verricht naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Het betoog faalt.

Externe veiligheid

26. [appellanten sub 2] betogen dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar het aspect externe veiligheid.

26.1. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die op de door [appellanten sub 2] bestreden plandelen mogelijk wordt gemaakt kan worden aangenomen dat zij als omwonenden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben. Zij ondervinden op hun eigen perceel echter geen externe veiligheidsrisico's van de door het aanpassingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling. [appellanten sub 2] hebben ter zitting toegelicht dat het hen erom gaat dat toekomstige bezoekers van het MFC geen externe veiligheidsrisico’s ondervinden. Dit belang staat echter los van het belang van [appellanten sub 2] bij de bescherming van hun woon- en leefklimaat. Het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb brengt met zich dat [appellanten sub 2] zich in de hoedanigheid van omwonenden van het voorziene MFC niet op de schending van regels van externe veiligheid kunnen beroepen. Hetgeen zij daarover hebben aangevoerd dient daarom buiten inhoudelijke bespreking te blijven.

Archeologie

27. [appellanten sub 1] betogen dat onvoldoende archeologisch onderzoek is verricht. [appellant sub 7] en Actiegroep Red Ons Fort voeren aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de archeologische vondst van het Fort Sint Michiel. [appellanten sub 9] voeren eveneens aan dat onvoldoende rekening is gehouden met archeologische vondsten in het plangebied. Actiegroep Red Ons Fort betoogt met verwijzing naar de Wet Archeologische Monumentenzorg dat ten onrechte geen regels in het aanpassingsplan zijn opgenomen ter bescherming van het fort. Actiegroep Red Ons Fort betoogt verder dat in het aanpassingsplan ook onvoldoende regels zijn opgenomen om het Fort Sint Michiel zichtbaar te maken in het landschap, hetgeen volgens het beeldregieplan juist de bedoeling is.

Actiegroep Red Ons Fort betoogt voorts dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar alternatieve plan, bestaande uit behoud en reconstructie van het Fort Sint Michiel. In haar ogen kan het fort op een rendabele wijze worden geëxploiteerd en kan het fungeren als trekpleister voor de stad, hetgeen ook is aangetoond in het rapport "Fort Sint Michiel versterkt Venlo".

27.1. De raad heeft aan vrijwel alle gronden in het plangebied de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie en Cultuurhistorie" toegekend omdat uit een bureauonderzoek, een grondradaronderzoek, een booronderzoek en verschillende proefsleuvenonderzoeken blijkt dat zich in het plangebied archeologische resten - onder andere overblijfselen van Blariacum uit de Romeinse tijd en restanten van het Spaanse Fort Sint Michiel - bevinden. De raad stelt dat aldus voldoende rekening is gehouden met de archeologische waarden in het gebied. De Afdeling overweegt dat hetgeen [appellant sub 7], Actiegroep Red Ons Fort en [appellanten sub 9] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op dit standpunt stelt. Voor zover Actiegroep Red Ons Fort betoogt dat in de planregels moet worden verplicht tot een volledige reconstructie van Fort Sint Michiel, overweegt de Afdeling dat de Monumentenwet 1988 niet tot deze keuze verplicht.

Met betrekking tot het betoog dat geen rekening is gehouden met het alternatieve plan van Actiegroep Red Ons Fort, wordt overwogen dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen dienen in de afweging te worden meegenomen. In dit geval bestaat in hetgeen Actiegroep Red Ons Fort heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het voorgestelde alternatief heeft kunnen afwijzen. Daarbij heeft hij van belang kunnen achten dat het alternatieve plan minder recht doet aan de beleidsmatige keuze om het Kazernekwartier te transformeren op een wijze als voorzien in het aanpassingsplan en met alle aantrekkingskracht van dien.

27.2. De betogen over het aspect archeologie falen.

Verwijzing naar zienswijzen

28. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] in hun beroepschrift(en) voor het overige hebben verwezen naar de inhoud van hun zienswijzen, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben in hun beroepschrift(en) noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist is.

Bestuurlijke lus

29. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op te dragen de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 29 mei 2013 te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 9.9 de planregeling te wijzigen in die zin dat in de bestemmingsomschrijving in artikel 3, lid 3.1, van de planregels geen voetbalstadion mogelijk wordt gemaakt. Hij dient voorts de overige planregels waarin wordt uitgegaan van de realisering van een voetbalstadion, bijvoorbeeld artikel 3, lid 3.4.2, aanhef en onder d, van de planregels, te laten vervallen of te wijzigen.

De raad dient voorts met inachtneming van overweging 9.9 alsnog de behoefte aan en de uitvoerbaarheid van het aanpassingsplan voor zover dat voorziet in functies op het gebied van leisure, inzichtelijk te maken dan wel het besluit tot vaststelling van het aanpassingsplan te wijzigen of in te trekken. Indien het besluit van 29 mei 2013 wordt gewijzigd in die zin dat wordt voorzien in stedelijke ontwikkelingen die meer omvatten of wezenlijk verschillen ten opzichte van de stedelijke ontwikkelingen die met het oorspronkelijke besluit van 25 april 2012 mogelijk zijn gemaakt, dient het wijzigingsbesluit te voldoen aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Indien het besluit van 29 mei 2013 wordt ingetrokken, dient de raad ook het besluit van 25 april 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan in te trekken.

De raad dient tot slot met inachtneming van overweging 21.3 artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels aan te passen.

Indien de raad naar aanleiding van de geconstateerde gebreken wijzigingen aanbrengt in het aanpassingsplan, behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. De raad dient in dat geval het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Proceskosten

30. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Venlo op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

a. de planregeling te wijzigen in die zin dat daarin niet meer wordt voorzien in een voetbalstadion en de planregels waarin wordt uitgegaan van een voetbalstadion aan te passen;

b. alsnog de behoefte aan en de uitvoerbaarheid van het aanpassingsplan voor zover dat voorziet in functies op het gebied van leisure inzichtelijk te maken dan wel het besluit tot vaststelling van het aanpassingsplan te wijzigen;

c. artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder h, en artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder e, van de planregels te wijzigen dan wel het besluit van 29 mei 2013 tot vaststelling van het aanpassingsplan en het besluit van 25 april 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan, in te trekken;

de Afdeling de uitkomst mede te delen en in geval van wijziging van het aanpassingsplan of intrekking van het aanpassingsplan en het bestemmingsplan, deze besluiten op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Priem

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

646.