Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201307042/1/V4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:5175, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307042/1/V4.

Datum uitspraak: 29 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 2 juli 2013 in zaak nr. 12/20608 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar haar uitspraak van 27 juni 2013 in zaak nr. 12/25094, heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij heeft gekozen voor een inreisverbod voor de duur van tien jaar. De rechtbank heeft daartoe volgens de staatssecretaris ten onrechte redengevend geacht dat een verzwaarde motiveringsplicht geldt voor een inreisverbod voor de duur van tien jaar omdat een dergelijke duur als een uitzondering is te beschouwen op de hoofdregel uit artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) dat een inreisverbod niet meer dan vijf jaar duurt. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, nu de vreemdeling is veroordeeld voor geweldsdelicten, hij reeds daarom overeenkomstig artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) heeft kunnen uitgaan van een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Voorts is de rechtbank volgens de staatssecretaris er ten onrechte aan voorbij gegaan dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, te weten dat hij is mishandeld en uitgebuit door mensenhandelaren, de duur van zijn verblijf in Nederland, zijn gezins- en privéleven en de mededeling dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn veroordeling uit 2011, geen aanleiding heeft gezien de duur van het inreisverbod te verkorten.

2.1. Niet in geschil is dat de vreemdeling bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht van 22 november 2011 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, € 2.000,00 toewijzing van de civiele vordering en € 2.000,00 schadevergoeding subsidiair 30 dagen hechtenis wegens de geweldsdelicten diefstal met geweld of bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd, en (poging tot) afpersing.

2.2. Bij uitspraak van 23 juni 2014 in zaak nr. 201306380/1/V4 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2013, waarnaar de rechtbank verwijst in de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust bevestigd. Uit die uitspraak van de Afdeling volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de benadering van de staatssecretaris, waarin hij in het geval dat zich de omstandigheid als bedoeld in het vijfde lid van artikel 6.5a van het Vb 2000 voordoet - rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het individuele geval - een inreisverbod voor de duur van tien jaar kan opleggen in strijd is met de tekst of strekking van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Dit laat, aldus voormelde uitspraak, onverlet dat uit artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, voortvloeit dat de staatssecretaris de desbetreffende vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om omstandigheden aan te voeren die volgens de vreemdeling relevant zijn voor het bepalen van de duur van het inreisverbod in zijn geval. Indien een vreemdeling zodanige omstandigheden heeft aangevoerd, zal de staatssecretaris dienen te motiveren welke betekenis aan die omstandigheden toekomt bij het bepalen van de duur van het inreisverbod.

2.3. De staatssecretaris voert terecht aan dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien de duur van het inreisverbod te verkorten. De staatssecretaris heeft in het besluit een afweging gemaakt tussen het belang van de bescherming van de openbare orde en de door de vreemdeling aangevoerde individuele belangen. De staatssecretaris heeft groot gewicht toegekend aan de aard van de door de vreemdeling gepleegde geweldsdelicten waarvoor hij op voormelde wijze is veroordeeld. Verder heeft de staatssecretaris bij zijn afweging betrokken dat de door de vreemdeling gedane aangifte in het kader van mensenhandel is geseponeerd en zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B9 (oud) van de Vreemdelingencirculaire 2000 is ingetrokken met ingang van 1 december 2010, alsmede dat niet is gebleken dat de vreemdeling heeft te vrezen voor represailles. Voorts heeft de staatssecretaris bij zijn afweging betrokken dat, nu de vreemdeling stelt sinds 2003 in Nederland te verblijven, hij het belangrijkste vormende deel van zijn leven in China heeft doorgebracht en gelet daarop zijn wortels buiten Nederland liggen. Wat betreft het beroep van de vreemdeling op het recht op eerbiediging van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van gezinsleven tussen de vreemdeling en zijn gestelde vriendin en haar kinderen, nu onduidelijkheid bestaat over de duur van de relatie tussen de vreemdeling en zijn gestelde vriendin en niet is gebleken dat de vreemdeling op hetzelfde adres staat ingeschreven als zijn gestelde vriendin en haar kinderen. Voorts is volgens de staatssecretaris niet aangetoond dat de vreemdeling een financiële bijdrage levert aan het gezin en zijn evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een feitelijke invulling van het gezinsleven. Verder maakt de omstandigheid dat de vreemdeling, naar hij stelt, hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn strafrechtelijke veroordeling van 22 november 2011 het vorenstaande niet anders. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2014 in zaak nr. 201308944/1/V1 stelt de Vreemdelingenwet 2000 noch het Vb 2000 de onherroepelijkheid van de veroordeling als voorwaarde.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 mei 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris het inreisverbod onzorgvuldig heeft voorbereid. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de staatssecretaris hem niet in de gelegenheid heeft gesteld informatie over te leggen ter staving van zijn beroep op artikel 8 van het EVRM, dan wel hem onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij die informatie diende over te leggen. Daarbij is van belang dat hij gedetineerd is en niet de vrije beschikking over zijn eigen handelen heeft, aldus de vreemdeling.

4.1. In het voornemen heeft de staatssecretaris de vreemdeling erop gewezen dat hij humanitaire of andere redenen naar voren kan brengen die volgens hem aanleiding vormen om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod of om de duur van het inreisverbod te beperken, dat hij zijn reactie zoveel mogelijk met bewijsstukken dient te onderbouwen en dat hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld.

4.2. Gelet op het medegedeelde in het voornemen heeft de staatssecretaris de vreemdeling voldoende in de gelegenheid gesteld om op het voornemen te reageren en hem voldoende duidelijk gemaakt dat zijn reactie met bewijsstukken gestaafd dient te worden. Voor zover de vreemdeling beoogt te betogen dat de staatssecretaris hem, wegens zijn detentie, een nadere termijn had moeten stellen bewijsstukken over te leggen om zijn beroep op artikel 8 van het EVRM te staven, faalt dit betoog. Niet valt in te zien dat de vreemdeling niet met de hulp van zijn gemachtigde de beschikking over de nodige bewijsstukken kon krijgen. Derhalve bestaat in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris het inreisverbod onzorgvuldig heeft voorbereid.

De beroepsgrond faalt.

5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

6. Het inleidende beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 2 juli 2013 in zaak nr. 12/20608;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Leening

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014

371-775.