Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201305776/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 28 februari 2006 heeft het college verzoeken van [appellant A] en anderen om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/823

Uitspraak

201305776/1/A2.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], allen wonend te Coevorden, en [appellant F], wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Coevorden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2013 in zaak nr. 12/288 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 28 februari 2006 heeft het college verzoeken van [appellant A] en anderen om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij afzonderlijke besluiten van 8 april 2011 heeft het college de door [appellant B] en [appellant F] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, aan hen respectievelijk € 5.000,00 en € 8.000,00 aan planschadevergoeding toegekend en de daartegen gemaakte bezwaren van [appellant A], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 8 april 2011 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw dient te beslissen op de gemaakte bezwaren. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant A] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2014, waar [appellant A] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen, vergezeld door [appellant F] en [appellant E], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.M.E.M. van den Berg, advocaat te Zwolle, en J. Hennessy-Jager, werkzaam bij de gemeente, vergezeld door J. Marskamp, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting, heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) benoemd tot deskundige voor het instellen van een onderzoek.

Er zijn nog stukken ontvangen van het college en [appellant A] en anderen.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, kent de raad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of een besluit omtrent vrijstelling krachtens artikel 17 of 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts in het geval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

3. Aan de verzoeken om vergoeding van planschade hebben [appellant A] en anderen ten grondslag gelegd dat het op 28 februari 2003 onherroepelijk in werking getreden bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Leeuwerikenveld II' (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) de ontwikkeling van een bedrijventerrein op het ten zuiden van hun woningen gelegen gebied (hierna: het plangebied) mogelijk heeft gemaakt en dat dit de waarde van hun woningen heeft verminderd ten opzichte van de planologische mogelijkheden van het plangebied tijdens de voorheen geldende bestemmingsplannen 'Buitengebied 1995' en 'Klooster' (hierna: de oude bestemmingsplannen). Volgens de oude bestemmingsplannen was het plangebied voor landelijk gebied en agrarische doeleinden bestemd.

4. Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college de door [appellant A] en anderen tegen de besluiten van 28 februari 2006 gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, maar de besluiten van 28 februari 2006 niet herroepen.

5. Bij uitspraak van 14 januari 2010 heeft de rechtbank onder verwijzing naar deskundigenverslagen van de StAB van 29 april 2008 en 13 februari 2009 het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2007 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op de door [appellant A] en anderen gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.

6. Bij uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 201001779/1/H2 heeft de Afdeling geoordeeld dat een redelijk denkend en handelend koper er ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan niet vanuit kon gaan dat de voor groenvoorzieningen bestemde strook grond tussen de woningen van [appellant A] en anderen en het nog aan te leggen bedrijventerrein met hoog opgaande beplanting zou worden ingericht. Het college heeft bij de planologische vergelijking ten onrechte het standpunt ingenomen dat het uitzicht op het bedrijventerrein minimaal zal zijn als gevolg van de voor groenvoorzieningen bestemde strook grond tussen de woningen en het bedrijventerrein en dat de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in zoverre geen planologisch nadeel heeft veroorzaakt. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat het college opnieuw dient te motiveren in hoeverre er met inachtneming van een juist uitgangspunt en na kennisneming van een deskundigenverslag van de StAB van 13 februari 2009 aanspraak op schadevergoeding bestond. Daarnaast is overwogen dat de StAB voldoende inzicht heeft geboden in de feiten en omstandigheden die tot de conclusie hebben geleid dat de toename van geluidbelasting niet van invloed zal zijn op het eventuele schadebedrag.

7. Aan de besluiten van 8 april 2011 heeft het college adviezen van de SAOZ van februari 2011 ten grondslag gelegd. Volgens de SAOZ ontneemt de maximale invulling van de agrarische strook, die ligt tussen de woningen en het bedrijventerrein, het zicht op het bedrijventerrein. Bovendien moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat op plandelen met de bestemming "Landelijk gebied" gebouwen van ongeveer 55m2 met een bouwhoogte van bijna vier meter en overige bouwwerken tot drie meter hoog kunnen worden opgericht. Deze bouwwerken en gebouwen ontnemen het resterende, reeds beperkte zicht op het bedrijventerrein. Dat ligt alleen anders in het geval van [appellant B] en [appellant F], hetgeen aanleiding is voor toekenning van een planschadevergoeding.

8. In beroep heeft de rechtbank de StAB wederom tot deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Volgens de StAB is het standpunt van de SAOZ over het uitzicht op de op te richten bedrijfsbebouwing niet juist. Daartoe is in het deskundigenverslag van 24 september 2012, samengevat weergegeven, uiteengezet dat bij de beantwoording van de vraag of zichtschade zich voordoet, zowel een wijziging van het karakter van de omgeving als het (weidse) uitzicht factoren zijn die bij de beoordeling moeten worden betrokken. Bij een maximale invulling van de oude bestemmingsplannen doet zich enige belemmering van het weidse uitzicht vanuit de woningen voor, in het bijzonder door de mogelijkheid om agrarische bouwwerken van maximaal 3,30 meter hoogte op te richten. Vergeleken met de nieuwe planologische bestemming zijn deze zichtbelemmeringen beperkt. Bovendien verstoort een dergelijke invulling niet het landelijke karakter van het gebied, terwijl in de nieuwe situatie het landelijk/agrarische karakter van de omgeving is gewijzigd in een omgeving met (zware) industrie. Daarmee is de kwaliteit van het uitzicht sterk afgenomen. De bedrijfsgebouwen en reclamezuilen die volgens het nieuwe bestemmingsplan mogen worden opgericht, zijn drie tot vier maal hoger dan de agrarische bebouwing die op grond van de oude bestemmingsplannen mocht worden opgericht. Volgens de StAB ondervinden [appellant A] en anderen relevante zichtschade ten gevolge van het nieuwe planologische regime. Anders dan de SAOZ gaat de StAB er niet vanuit dat bij een maximale invulling van een deel van de gronden gelegen tussen de woningen en het bedrijven, die de bestemming "Landelijk gebied" en "agrarische doeleinden" hebben behouden, in planologisch opzicht het zicht op het bedrijventerrein wordt ontnomen.

Volgens de rechtbank is het deskundigenverslag van de StAB volledig, consistent en concludent en heeft het college de besluiten van 8 april 2011 niet kunnen baseren op de adviezen van de SAOZ van februari 2011.

9. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hetgeen zij hebben aangevoerd over geluidhinder als gevolg van het aan te leggen bedrijventerrein, niet hoefde te worden betrokken bij de adviesaanvraag door de rechtbank aan de StAB. De rechtbank heeft dan ook miskend dat het college in de besluiten van 8 april 2011 niet voorbij mocht gaan aan de door hen geleden schade als gevolg van geluidhinder. Daartoe stellen zij dat zij na de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 alsnog een deskundigenrapport hebben overgelegd en dat het college dit rapport had moeten betrekken bij het nemen van een nieuw besluit.

9.1. De rechtbank heeft de gronden van [appellant A] en anderen inzake geluidsbelasting uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen in haar uitspraak van 14 januari 2010. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 september 2010 geoordeeld dat de rechtbank met verwijzing naar het deskundigenverslag van de StAB van 29 april 2008 terecht heeft overwogen dat de toename van de geluidsbelasting niet van invloed zal zijn op het eventuele schadebedrag. Anders dan [appellant A] en anderen betogen, heeft de Afdeling hiermee een inhoudelijk oordeel gegeven. De beroepsgronden over geluidshinder vallen thans dientengevolge buiten het geding. Er was derhalve evenmin aanleiding voor de rechtbank dit aspect opnieuw aan de StAB voor te leggen of voor het college om dit aspect opnieuw te betrekken in een nieuw te nemen besluit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het alsnog overgelegde deskundigenrapport niet is gebaseerd op nieuwe feiten of omstandigheden of een gewijzigd rechtsregime.

Het betoog faalt.

10. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte met verwijzing naar het deskundigenverslag heeft overwogen dat het zich niet op de adviezen van de SAOZ heeft mogen baseren. Daartoe stelt het college dat de rechtbank heeft miskend dat bij een maximale invulling van de gronden met bestemming agrarische doeleinden, die tussen de woningen en het bedrijventerrein liggen, moet worden uitgegaan van het meest zichtbeperkende gewas, zoals tuinbouwgewassen, houtteelt en fruitteelt met windsingels. Bij die invulling wordt het zicht op het bedrijventerrein zoveel mogelijk beperkt. Dat geldt ook ten aanzien van de maximale invulling van de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid voor het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen. De rechtbank heeft miskend dat de mogelijkheid om incidenteel vrijstelling te verlenen voor agrarische bebouwing betrekking heeft op een veel groter gebied dan alleen de percelen die liggen tussen de woningen en het bedrijventerrein. Niet uitgesloten is dat voor de percelen, waarop zicht bestaat vanuit de woningen, een of meer vrijstellingen worden verleend en voor een andere locatie dit niet of minder vaak gebeurt.

10.1. In het deskundigenverslag is vermeld dat de bestemming grondgebonden agrarisch bedrijf toestaat dat diverse soorten gewassen (tuin- en akkerbouwgewassen, fruitteelt) kunnen worden verbouwd of geteeld. Sommige van deze gewassen reiken hoog, zoals maïs en fruit in hoogstambomen. Andere gewassen, zoals groenten en aardappelen, staan laag in het veld. Kenmerkend voor veel gewassen is dat deze niet het hele jaar door op het veld staan en, voor zover het gaat om hoog reikende gewassen, dus niet altijd het zicht wegnemen. Bovendien dient de activiteit ‘grondgebonden agrarisch bedrijf’ te passen in het landelijke karakter van het gebied. Een aanlegvergunning voor houtteelt kan worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de agrarische functie van de bestemming "Landelijk gebied’’. Door deze beperkingen is slechts kleinschalige en in hoogte beperkte houtteelt mogelijk, althans geen houtteelt op een dermate omvangrijke schaal dat het uitzicht ernstig wordt belemmerd. Ook hier geldt dat het landelijke karakter van het gebied niet mag worden verstoord door deze activiteit.

In hetgeen het college heeft betoogd, kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor twijfel aan het deskundigenverslag op dit punt. Gelet op de diverse soorten gewassen die op de gronden kunnen worden verbouwd, kon een redelijk denkend en handelend koper er ten tijde van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan niet van uitgaan dat hoog reikende gewassen het hele jaar door het zicht op het bedrijventerrein ontnemen. Voor een redelijk denkend en handelend koper zou op de peildatum aanleiding hebben bestaan om rekening te houden met de kans dat de gronden in een voor het uitzicht vanuit de woningen minder gunstige zin zouden worden ingevuld. Dat betekent dat het college bij de planologische vergelijking ten onrechte onder verwijzing naar het advies van de SAOZ het standpunt heeft ingenomen dat het uitzicht op het bedrijventerrein minimaal zal zijn als gevolg van de gronden met de bestemming grondgebonden agrarisch bedrijf.

10.2. Ten aanzien van de op te richten bouwwerken en agrarische bedrijfsgebouwen op gronden die liggen tussen de woningen en het bedrijventerrein, is in het deskundigenverslag vermeld dat de bouwwerken maximaal 3,30 meter hoog mogen zijn en een agrarische functie hebben die aansluit bij het landelijke karakter van het gebied. Voor het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen is een vrijstelling vereist, die volgens de planvoorschriften behorend bij het bestemmingsplan Buitengebied 1995 slechts incidenteel mag worden verleend en geen ernstige afbreuk mag doen aan het landelijke karakter van het gebied. Onder deze voorwaarden heeft de rechtbank zich in navolging van de StAB terecht op het standpunt gesteld dat agrarische bedrijfsgebouwen niet in grote aantallen mogen worden opgericht met als gevolg dat het uitzicht wezenlijk zal worden belemmerd en daardoor het zicht op het bedrijventerrein zal worden ontnomen. In hetgeen het college heeft betoogd kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat door de oprichting van de aanzienlijk hogere bedrijfsgebouwen en reclamezuilen de kwaliteit van het uitzicht vanuit de woningen van [appellant A] en anderen niet is afgenomen in vergelijking tot het uitzicht onder het oude regime.

10.3. De slotsom is dat de StAB voldoende inzicht heeft geboden in de feiten en omstandigheden die tot de conclusie hebben geleid dat, gelet op het negatieve effect van het bedrijventerrein op het uitzicht vanuit de woningen, de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan planologisch nadeel heeft veroorzaakt.

Het betoog van het college faalt.

11. Zowel het hoger beroep van [appellant A] en anderen als het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12. De Afdeling heeft in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding gezien de StAB in te schakelen ten einde de waardeverminderingen van de woningen vast te stellen.

13. De StAB heeft de Afdeling bericht dat in het in opdracht van de StAB opgestelde taxatierapport is gesteld dat uitgaande van de vergelijking tussen de planologische mogelijkheden van de oude bestemmingsplannen en het nieuwe regime, de waarde van de woningen op de peildatum van 12 februari 2002 is gedaald. De waardeverminderingen bedragen € 8.000,00 voor de [locatie 1], € 12.000,00 voor de [locatie 2], € 7.000,00 voor [locatie 3], € 10.000,00 voor [locatie 4], € 6.000,00 voor [locatie 5] en € 10.000,00 voor [locatie 6].

13.1. Het college heeft de juistheid van de taxaties en de berekende nadelen bestreden. Daartoe stelt het college dat onvoldoende rekening is gehouden met de maximale mogelijkheden op de tussengelegen gronden met agrarische bestemming. Bij een maximale invulling van de agrarische bestemming als kwekerij met windschermen of teeltondersteunende voorzieningen wordt het uitzicht op het plangebied van het bedrijventerrein Leeuwerikenveld II volledig ontnomen.

13.2. Het betoog van het college treft, gelet op hetgeen onder 10.1 en 10.2 is overwogen, geen doel en biedt verder geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de taxatierapporten van de StAB.

14. In de plaats van de besluiten van 28 februari 2006 zal de Afdeling zelf voorziend aan [appellant C] ([locatie 1]) een planschadevergoeding toekennen van € 8.000,00, aan [appellant A] ([locatie 2]) een vergoeding van € 12.000,00, aan [appellant D] ([locatie 3]) een vergoeding van € 7.000,00, aan [appellant E] ([locatie 4]) een vergoeding van € 10.000,00, aan [appellant B] ([locatie 5]) een vergoeding van € 6.000,00 en aan [appellant F] ([locatie 6]) een vergoeding van € 10.000,00, zoals hierna omschreven.

15. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. herroept de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Coevorden van 28 februari 2006;

III. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Coevorden aan respectievelijk [appellant C], [appellant A], [appellant D], [appellant E], [appellant B] en [appellant F] planschadevergoedingen van € 8.000,00 (zegge: achtduizend euro), € 12.000,00 (zegge: twaalfduizend euro), € 7.000,00 (zegge: zevenduizend euro), € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), € 6.000,00 (zegge: zesduizend euro) en € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2005 tot de dag van algehele voldoening, betaalt;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Coevorden van 8 april 2011;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Coevorden tot vergoeding van bij [appellant F], [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.091,76 (zegge: duizendeenennegentig euro en zesenzeventig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Coevorden een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

299.