Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:292

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201300859/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2012:1342, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de burgemeester een aanvraag van [belanghebbende] om verlening van vergunning voor de exploitatie van [bedrijf] aan de [locatie] te Dordrecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300859/1/A3.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dordrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 december 2012 in zaak nr. 12/624 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Dordrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de burgemeester een aanvraag van [belanghebbende] om verlening van vergunning voor de exploitatie van [bedrijf] aan de [locatie] te Dordrecht afgewezen.

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de door de burgemeester verzochte beperkte kennisneming van het advies van 24 augustus 2011 dat het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) op verzoek van de burgemeester heeft uitgebracht gerechtvaardigd geoordeeld.

[appellant] heeft aan de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling heeft daarop kennis genomen van het advies.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2014, waar [appellant] in persoon en de burgemeester, vertegenwoordigd door mrs. R.W. Veldhuis en M.F.H. Hirsch Ballin, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de burgemeester ten onrechte een advies krachtens de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) heeft gevraagd. De weigering een exploitatievergunning aan [belanghebbende] te verlenen is een punitieve sanctie en het krachtens de Wet bibob uitgevoerde onderzoek is in strijd met de onschuldpresumptie. Er bestaat geen zakelijk samenwerkingsverband tussen hem en [belanghebbende]. De burgemeester heeft het advies voorts niet aan de weigering ten grondslag mogen leggen, omdat de door het Bureau gebruikte informatie van de Criminele Inlichtingeneenheid te onduidelijk en niet betrouwbaar is. Tevens wordt hij valselijk beschuldigd van overtreding van de Wet op de kansspelen, de Opiumwet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van geweldsdelicten. Door de weigering van de exploitatievergunning wordt hij onevenredig in zijn belangen geschaad, aldus [appellant].

1.1. Dit is louter een herhaling van wat [appellant] bij de rechtbank heeft aangevoerd. Deze is in de aangevallen uitspraak hierop ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] niet aangevoerd, dat en waarom de desbetreffende overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

97-773.