Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2915

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201404491/1/A4 en 201404491/2/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2013 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Spoorwijk (wijk 23) te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404491/1/A4 en 201404491/2/A4.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2013 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Spoorwijk (wijk 23) te Den Haag.

Bij besluit van 30 april 2014 heeft het college het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Zij hebben tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 juli 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en mr. B.T. Goerdat, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Helm, drs. S.F. Lakhichand en D.C.M. Vrouwenvelder, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ontvankelijkheid

2. Van [appellant] en anderen heeft [appellant A] geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 april 2013 tot vaststelling van het plaatsingsplan. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kon hij daarom geen beroep instellen tegen het bestreden besluit. Het beroep is, voor zover ingesteld door [appellant A], niet-ontvankelijk.

3. [appellant] heeft het beroepschrift en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening mede ingediend namens de bewoner van de woning aan de [locatie]. Bij brieven van 2 juni 2014 is haar gevraagd om toezending van een ondertekende verklaring van degenen die zij vertegenwoordigt, waaruit blijkt dat zij gemachtigd is om het beroepschrift onderscheidenlijk het verzoek in te dienen. Daarbij is zij erop gewezen dat, indien zij dit niet binnen de daartoe gestelde termijn doet, zij er rekening mee moet houden dat het beroep onderscheidenlijk het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bij brief van 10 juni 2014 heeft [appellant], wat de bewoner van de woning aan de [locatie] betreft, een door [appellant A] namens deze bewoner getekende machtiging overgelegd. Een ondertekende verklaring van de bewoner, waaruit blijkt dat [appellant A] bevoegd was deze machtiging namens hem te ondertekenen, is echter niet overgelegd. Gelet hierop, heeft [appellant] niet binnen de daartoe gestelde termijn aangetoond dat zij bevoegd was namens de bewoner van de woning aan de [locatie] beroep in te stellen en een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.

Het beroep is, voor zover ingesteld namens de bewoner van de woning aan de [locatie], niet-ontvankelijk. Ditzelfde geldt voor het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover ingediend namens deze bewoner.

Procedurele aspecten

4. [appellant] en anderen betogen dat zij in bezwaar ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord over de resultaten van het onderzoek naar de door hun voorgestelde alternatieve locaties voor het plaatsen van ORAC’s.

4.1. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

4.2. Blijkens het verslag van de hoorzitting van de Adviescommissie bezwaarschriften hebben [appellant] en anderen op de hoorzitting alternatieve locaties voor het plaatsen van ORAC’s voorgesteld en heeft het college te kennen gegeven dat de voorgestelde locaties nader zullen worden onderzocht om vast te kunnen stellen of deze locaties geschikt zijn voor het plaatsen van ORAC’s. De Adviescommissie heeft de zaak aangehouden om het college in de gelegenheid te stellen dit onderzoek te verrichten. Uit de stukken blijkt dat het college de resultaten van het onderzoek aan [appellant] en anderen heeft medegedeeld en daarbij te kennen heeft gegeven dat de voorgestelde alternatieve locaties niet geschikt zijn voor het plaatsen van ORAC’s. [appellant] en anderen hebben vervolgens van de gelegenheid gebruik gemaakt om, onder meer bij brief van 6 november 2013, op de resultaten van het onderzoek en het standpunt van het college over de alternatieve locaties te reageren. De voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat hiermee niet aan artikel 7:9 van de Awb is voldaan.

Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen betogen dat het college bij de voorbereiding van het besluit van 16 april 2013 ten onrechte niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb heeft toegepast.

5.1. Afdeling 3.4 van de Awb moet ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb worden toegepast, indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. Er is geen wettelijk voorschrift of besluit van het college op grond waarvan het besluit van 16 april 2013 met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb had dienen te worden voorbereid.

Het betoog faalt.

Locatiekeuze

6. Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college op grond van artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag onder meer de Spoorwijk (wijk 23) aangewezen als wijk waar van ORAC’s gebruik moet worden gemaakt. Bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 16 april 2013 heeft het college, door vaststelling van het plaatsingsplan, de concrete locaties aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Eén van de aangewezen locaties ligt ter hoogte van de voorgevels van de woningen aan de Schimmelweg 499-505. Deze locatie is in het plaatsingsplan aangeduid als locatie 23-14.

7. Bij het bepalen van de locaties voor de ORAC’s heeft het college verscheidene randvoorwaarden, zoals neergelegd in het "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943, gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!).

- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.

- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden.

8. [appellant] en anderen betogen dat het college locatie 23-14 niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen. Zij vrezen dat de aanwezigheid van ORAC’s leidt tot stankoverlast omdat de twee ORAC’s pal tegenover een slaapkamer en woonkamer worden geplaatst.

8.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de stankoverlast beperkt is, waarbij het erop heeft gewezen dat de ORAC’s onder de grond liggen, afgesloten zijn door middel van twee halve schalen die tegen elkaar indraaien, regelmatig worden geleegd en twee keer per jaar worden gereinigd. Het college heeft verder opgemerkt dat er weinig klachten over stankoverlast zijn binnengekomen sinds ORAC’s vanaf 2009 op grote schaal zijn geplaatst in Den Haag.

8.2. Naar het oordeel van de voorzitter heeft het college hiermee toereikend gemotiveerd dat bij een normaal gebruik van de ORAC’s geen onaanvaardbare stankhinder zal optreden. Voor zover [appellant] en anderen vrezen dat in de praktijk niet op juiste wijze van de ORAC’s gebruik zal worden gemaakt en afval naast de ORAC’s zal worden geplaatst, met stankhinder als gevolg, overweegt de voorzitter dat dit een handhavingskwestie betreft. Hetgeen [appellant] en anderen over stankoverlast aanvoeren, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot aanwijzing van locatie 23-14 voor de plaatsing van ORAC’s heeft kunnen overgaan.

Het betoog faalt.

9. [appellant] en anderen betogen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de waardevermindering van de nabij locatie 23-14 gelegen woningen als gevolg van de plaatsing van ORAC’s.

9.1. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van de plaatsing van ORAC’s nabij hun woningen zodanig groot zijn dat het college op grond daarvan van de aanwijzing van locatie 23-14 had moeten afzien.

Voor zover [appellant] en anderen menen dat hun woningen door de plaatsing van ORAC’s in waarde dalen, staat het hun overigens vrij een verzoek tot compensatie of schadevergoeding aan het college te richten.

Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

10. [appellant] en anderen betogen dat er alternatieve locaties zijn die geschikter zijn voor de plaatsing van ORAC’s dan locatie 23-14. Zij wijzen op twee plaatsen in de Hildebrandstraat tegenover de zijgevel van de woning aan de Schimmelweg 505, te weten in de groenstrook en in de parkeerstrook langs de groenstrook. Verder wijzen zij op een mogelijke plek in de groenstrook tegenover de woning aan de Schimmelweg 481, aan de voorzijde van sporthal ’t Zandje, en op een mogelijke plek in de parkeerstrook tegenover locatie 23-14.

10.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [appellant] en anderen voorgestelde alternatieve locaties niet geschikter zijn voor plaatsing van ORAC’s dan locatie 23-14.

De groenstrook tegenover de zijgevel van de woning aan de Schimmelweg 505 is volgens het college vanuit een oogpunt van veiligheid niet geschikt voor plaatsing van ORAC’s, omdat de ledigingswagen in dat geval over de parkeerstrook en de stoep moet manoeuvreren. Verder bedraagt de loopafstand tot deze plaats voor sommige bewoners uit de Camera Obscurastraat volgens het college meer dan 75 m, terwijl zich geen bijzondere omstandigheden voordoen om een grotere afstand toe te staan.

Volgens het college is de parkeerstrook langs de groenstrook evenmin geschikt, omdat onder de parkeerstrook een hogedrukgasleiding ligt. Bovendien is de ruimte in de ondergrond volgens het college dermate krap, dat de ORAC’s gedeeltelijk in de rijbaan zouden moeten worden geplaatst. Ook voor deze plaats geldt verder dat de loopafstand voor sommige bewoners uit de Camera Obscurastraat meer dan 75 m zou bedragen, terwijl zich geen bijzondere omstandigheden voordoen om een grotere afstand toe te staan, aldus het college.

De groenstrook tegenover de woning aan de Schimmelweg 481 is volgens het college vanuit een oogpunt van veiligheid niet geschikt voor plaatsing van ORAC’s, omdat de ledigingswagen in dat geval over de parkeerstrook en de stoep, waar bomen staan, moet manoeuvreren.

De parkeerstrook tegenover locatie 23-14 is volgens het college niet geschikt vanwege de aanwezigheid van bomen in de stoep, die lediging van ORAC’s onmogelijk maken, ook als de ORAC’s in de parkeerstrook worden geplaatst. Bovendien bevinden zich ter plaatse kabels en leidingen, aldus het college.

10.2. Het college heeft zich, gelet op het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant] en anderen voorgestelde alternatieve locaties niet geschikter zijn voor de plaatsing van ORAC’s dan locatie 23-14. Het college behoefde in de voorgestelde alternatieve locaties dan ook geen aanleiding te zien om af te zien van aanwijzing van locatie 23-14 voor de plaatsing van ORAC’s.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

11. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, voor zover ontvankelijk, af te wijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [appellant A] en voor zover ingesteld namens de bewoner van de woning aan de [locatie], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

III. verklaart het verzoek, voor zover ingediend namens de bewoner van de woning aan de [locatie], niet-ontvankelijk;

IV. wijst het verzoek voor het overige af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

462-784.