Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201403326/2/R4 en 201403387/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft de raad de bestemmingsplannen "Molen De Rietvink te Nijetrijne" en "Partiële herziening molenbeschermingszone molen De Rietvink te Nijetrijne" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403326/2/R4 en 201403387/2/R4.

Datum uitspraak: 22 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in de gedingen tussen onder meer:

[verzoekers] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te Nijetrijne, gemeente Weststellingwerf,

en

de raad van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft de raad de bestemmingsplannen "Molen De Rietvink te Nijetrijne" en "Partiële herziening molenbeschermingszone molen De Rietvink te Nijetrijne" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juli 2014, waar [verzoeker], bijgestaan door J.J. Zwier, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen en R. Hekman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partijen] gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan "Molen De Rietvink te Nijetrijne" voorziet onder meer in een molen met een theetuin en een schuur op het perceel Veendijk 7 te Nijetrijne. Het plan "Partiële herziening molenbeschermingszone molen De Rietvink te Nijetrijne" voorziet in de molenbiotoop rond de molen De Rietvink.

3. [verzoeker], die op het perceel [locatie] te Nijetrijne woont, kan zich niet verenigen met het plan "Molen De Rietvink te Nijetrijne" (hierna: het plan) voor zover daarbij de aanduiding "bijgebouw" is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Recreatie - Molen" ter plaatse van het perceel Veendijk 7. Volgens [verzoeker] voorziet het plan hier ten onrechte in een bijgebouw van 15 m lang en 4 m hoog en met een oppervlakte van 75 m2. Dit bijgebouw zal het uitzicht aantasten en een belemmerende werking hebben op de windaanvoer naar de molen.

4. De raad stelt dat het bedoelde plandeel beoogt te voorzien in een schuur waar werkzaamheden voor het onderhoud van de molen kunnen worden voorzien. De schuur zal niet voor een belemmering van de windaanvoer naar de molen zorgen. Verder heeft hij gesteld dat de schuur op een afstand van ongeveer 25 meter van de woning zal komen te staan. Voorts zal een deel van de schuur niet zichtbaar zijn vanuit de woning van [verzoeker], omdat het peilverschil met het perceel van [partij] minimaal 117 cm is. Een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht zal daarom niet ontstaan, aldus de raad.

5. Aan het perceel Veendijk 7 is de bestemming "Recreatie - Molen" toegekend. Verder is de aanduiding "bijgebouw" toegekend aan het zuidwestelijke deel van het perceel. Dit deel van het perceel is ongeveer 75 m2 groot.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor ‘Recreatie - Molen’ aangewezen gronden bestemd voor:

a. een molen;

b. het onderhoud, het behoud, het beheer en/of het herstel van de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van een molen, en tevens voor:

c. een theetuin, met dien verstande dat de theetuin gemiddeld twee dagen in de week zal worden opengesteld met een maximum van 1.200 uur per kalenderjaar;

d. bijgebouwen, met dien verstande dat:

- bijgebouwen worden gebruikt als werkplaats en berging ten behoeve van het in lid 3.1 toegestane gebruik; en

- als keuken en/of sanitaire voorziening ten behoeve van het in lid 3.1 onder c toegestane gebruik,

met daaraan ondergeschikt:

e. medegebruik ten behoeve van kleinschalige exposities in de molen;

f. medegebruik ten behoeve van de woonfunctie;

g. medegebruik ten behoeve van het onderhoud van de molen, met dien verstande dat ondergeschikte functies als bedoeld in lid 3.1 onder f en g uitsluitend zijn toegestaan in bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen", (...).

Ingevolge artikel lid 3.2, onder b, gelden voor het bouwen van bijgebouwen de volgende regels:

1. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen";

2. de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;

3. de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 4 m bedragen;

4. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd voorzien van een zadeldak.

6. Over de vraag of de schuur voor belemmering van de windaanvoer naar de molen zorgt, overweegt de voorzitter, nog daargelaten de vraag of het vrijwaren van verstorende invloeden op de windaanvoer naar de molen eveneens dient ter bescherming van de belangen van [verzoeker], als volgt. In de plantoelichting is vermeld dat de Vereniging de Hollandsche Molen is verzocht te onderzoeken wat de gevolgen van de schuur zijn voor het functioneren van de molen. Bij brief van 9 november 2011 heeft deze vereniging aangegeven dat de locatie van de schuur niet van invloed is op de functionaliteit van de molen, omdat op grotere afstand van de molen en de te bouwen schuur landschapselementen en bebouwing aanwezig zijn die de windaanvoer verstoren. De schuur komt te liggen in de windschaduw van deze objecten en zal in de praktijk in heel beperkte mate hinder geven voor de windaanvoer. [verzoeker] heeft dit niet gemotiveerd bestreden.

Over het uitzicht overweegt de voorzitter dat het uitzicht vanuit de woning van [verzoeker] zal worden aangetast door de schuur. Ter zitting is gebleken dat in het hiervoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied" door middel van een afwijkingsbevoegdheid ook bijgebouwen met een oppervlakte van 75 m2 en een goothoogte van 3 m op het perceel van [partij] mogelijk maakt. Verder is ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat vanwege het hoogteverschil tussen beide percelen een deel van de schuur aan het zicht zal worden onttrokken. Gelet hierop en op de afstand tussen de woning en de te bouwen schuur, verwacht de voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de aantasting van het uitzicht van [verzoeker] zodanig is, dat de raad niet in redelijkheid het plan in zoverre heeft kunnen vaststellen. De voorzitter ziet daarom geen aanleiding het verzoek toe wijzen.

In hetgeen [verzoeker] ter zitting naar voren heeft gebracht met betrekking tot de molenbiotoop, ziet de voorzitter evenmin aanleiding het verzoek toe te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014

361.