Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2900

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201401926/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/294

Uitspraak

201401926/1/V4.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 12 februari 2014 in zaak nr. 13/27301 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 februari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft een verblijfsvergunning regulier aangevraagd voor verblijf bij partner. Deze aanvraag is afgewezen, omdat de vreemdeling wordt aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde. De vreemdeling heeft met zijn ex-echtgenote een dochter die is geboren op [datum 2009]. De vreemdeling heeft op dit moment geen contact met zijn dochter. Op 14 maart 2012 heeft de rechtbank in de omgangszaak een verzoek tot contact van de vreemdeling afgewezen. Op 4 april 2013 heeft de vreemdeling een nieuw verzoek ingediend voor omgang met zijn dochter. Op 7 oktober 2013 heeft de rechtbank in de omgangszaak de Raad voor de Kinderbescherming opgedragen nader onderzoek te verrichten. Op 16 december 2013 heeft de Raad een conceptrapport opgesteld (hierna: het conceptrapport). In dat conceptrapport geeft zij onder meer aan het contact tussen de vreemdeling en zijn dochter langzaam en onder toezicht te willen proberen te herstellen.

2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris bij de belangenafweging in het kader van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), gelet op de nieuwe omgangsprocedure, niet langer kon uitgaan van de situatie ten tijde van het besluit van 14 maart 2012 van de rechtbank in de omgangszaak. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het conceptrapport bij de beoordeling van het beroep betrokken kan worden. Nu onduidelijk is hoe de belangenafweging in de nieuwe situatie zal uitvallen en de staatssecretaris volgens de rechtbank ter zitting niet onderbouwd heeft aangegeven waarom de belangenafweging in de nieuwe situatie niet anders zal uitvallen, heeft zij het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris, voor zover thans van belang, dat de rechtbank voormelde ten onrechte heeft overwogen. Het conceptrapport van 16 december 2013 kon volgens de staatssecretaris, gelet op de ex-tunc toetsing, niet bij de beoordeling van het besluit van 27 september 2013 worden betrokken. Het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden - zoals bekend ten tijde van het nemen van het besluit - rechtvaardigt volgens de staatssecretaris de conclusie dat op goede gronden is gesteld dat de weigering om aan de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris miskend dat hij niet gehouden was bij de belangenafweging rekening te houden met een onzekere toekomstige gebeurtenis als de mogelijke uitkomst van het nieuwe verzoek van de vreemdeling om een omgangsregeling met zijn dochter, van 4 april 2013.

3.1. Nu beroep is ingesteld tegen een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) diende de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening te houden met feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van het besluit. Dit staat er niet aan in de weg dat die feiten en omstandigheden eerst in beroep worden aangevoerd of onderbouwd. Het conceptrapport kan echter niet worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van een omstandigheid die zich voordeed ten tijde van het nemen van het besluit, aangezien het nieuwe informatie bevat waarmee de staatssecretaris geen rekening heeft kunnen houden. De rechtbank diende daarom bij haar beoordeling uit te gaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het besluit van 27 september 2013, zodat het conceptrapport van 16 december 2013 door haar ten onrechte bij de beoordeling van het beroep is betrokken.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 27 september 2013 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij slechts tot 22 november 2008, de dag waarop het categoriaal beschermingsbeleid voor Irak is afgeschaft, in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel. Hiertoe voert de vreemdeling aan dat hij tot 23 november 2011 in het bezit is geweest van deze verblijfsvergunning. Dat op die datum de vergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken tot 22 november 2008, maakt dit volgens de vreemdeling niet anders. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft opgemerkt dat hem bekend zou zijn dat hij na beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid uit Nederland zou moeten vertrekken. Hiertoe heeft de vreemdeling aangevoerd dat de enkele intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het categoriaal beschermingsbeleid niet betekent dat hij Nederland moet verlaten, omdat er altijd eerst moet worden beoordeeld of hij om een andere reden in het bezit gesteld zou kunnen worden van een verblijfsvergunning. Dat zijn nieuwe partner op de hoogte was van het misdrijf dat hij heeft gepleegd, maakt volgens de vreemdeling niet dat zij daarmee het risico heeft aanvaard dat dit tijdens een verblijfsrechtelijke procedure aan hem zou kunnen worden tegengeworpen. De vreemdeling en zijn nieuwe partner zijn van mening dat er bijzondere omstandigheden zijn rondom het misdrijf op grond waarvan de veroordeling redelijkerwijze niet aan hem dient te worden tegengeworpen bij de beoordeling van zijn verblijfsaanvraag.

De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet exclusief met Nederland verbonden is. Hiertoe voert de vreemdeling aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft betrokken dat hij in Irak, behalve zijn broer, geen familie meer heeft, dat hij hier heeft gewerkt en dat hij de Nederlandse taal machtig is. Daarnaast kan van zijn nieuwe partner niet worden verlangd dat zij met hem mee zou gaan naar Irak, gelet op de mensenrechtensituatie daar, aldus de vreemdeling.

Dat hij geen geldig paspoort heeft is hem bovendien niet eerder tegengeworpen, aldus de vreemdeling. Volgens de vreemdeling is het voor hem te gevaarlijk om contact op te nemen met de autoriteiten van Irak om aan een paspoort te komen, omdat hij dan naar Irak zou moeten om een vingerafdruk te laten maken.

5.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

5.2. Niet in geschil is dat tussen de vreemdeling en zijn dochter en tussen de vreemdeling en zijn nieuwe partner sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Evenmin is in geschil dat sprake is van inmenging in het recht op eerbiediging van dit familie- en gezinsleven.

5.3. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (JV 2006/90) en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

5.4. In het besluit van 27 september 2013 heeft de staatssecretaris bij zijn standpunt dat de weigering om aan de vreemdeling verblijf in Nederland toe te staan niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, voor zover thans van belang, betrokken dat de vreemdeling een geweldsdelict heeft gepleegd dat naar zijn aard een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer vormt. De staatssecretaris heeft in het voordeel van de vreemdeling meegewogen dat hij sinds het plegen van het misdrijf op 10 augustus 2011 niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Voorts heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdeling slechts voor een korte periode van één jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, dat hij het overgrote deel van zijn leven, waaronder zijn gehele jeugd, in Irak heeft doorgebracht en dat om die reden verondersteld mag worden dat zijn banden met Irak sterk zijn en er voor hem mogelijkheden zijn om daar een bestaan op te bouwen. Tevens heeft de staatssecretaris betrokken dat de omstandigheid dat de vreemdeling thans niet in het bezit is van een geldig paspoort voor zijn rekening en risico komt, omdat hij niet met nadere stukken heeft onderbouwd dat hij niet aan de benodigde Iraakse documenten kan geraken. Ten aanzien van de nieuwe partner van de vreemdeling bij wie hij verblijf heeft aangevraagd, heeft de staatssecretaris betrokken dat zij op de hoogte was van het feit dat de vreemdeling is veroordeeld voor een misdrijf toen zij een relatie met hem aanging. Hiermee hebben de vreemdeling en zijn nieuwe partner volgens de staatssecretaris het risico aanvaard dat het misdrijf in een verblijfsrechtelijke procedure aan de vreemdeling zou worden tegengeworpen. Daarnaast heeft de staatssecretaris de algemene situatie in Irak niet onveilig geacht en zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe partner van de vreemdeling zich in Irak kan vestigen. Ten aanzien van de dochter van de vreemdeling heeft de staatssecretaris betrokken dat zij bij de ex-echtgenote van de vreemdeling woont, hij al jaren geen contact met haar heeft, de belangrijke beslissingen aangaande de dochter door de moeder worden genomen en hij niet financieel bijdraagt aan de opvoeding en verzorging van zijn dochter. Verder acht de staatssecretaris van belang dat de rechtbank in de omgangszaak bij uitspraak van 14 maart 2012 het verzoek van de vreemdeling om een omgangsregeling heeft afgewezen en daarbij expliciet heeft overwogen dat een contactregeling tussen de vreemdeling en zijn dochter niet in haar belang is en derhalve niet gewenst is. De staatssecretaris merkt tot slot op dat de vreemdeling op 4 april 2013 wederom een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling heeft ingediend, maar dat daarop ten tijde van het nieuwe besluit nog niet is beslist, zodat moet worden uitgegaan van het afwijzende besluit van 14 maart 2012 in de omgangszaak.

5.5. Dat de verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling op 23 november 2011 met terugwerkende kracht is ingetrokken tot 2 november 2008, leidt er niet toe dat de staatssecretaris, zoals de vreemdeling heeft betoogd, er bij zijn beoordeling vanuit dient te gaan dat de hij tot 23 november 2011 rechtmatig verblijf zou hebben gehad. Dat bij het vervallen van het categoriaal beschermingsbeleid moet worden getoetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een andere grond, maakt niet dat hij er niet mee bekend was dat hij uit Nederland zou moeten vertrekken indien zijn verblijfsvergunning zou worden ingetrokken. Anders dan de vreemdeling aanvoert heeft de staatssecretaris voorts het feit dat hij is veroordeeld voor een misdrijf mogen betrekken bij zijn belangenafweging en heeft hij daarbij niet de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd hoeven te betrekken. Deze omstandigheden zijn reeds in de strafrechtelijke procedure aan de orde gekomen. Dat zijn nieuwe partner van mening is dat het misdrijf de vreemdeling in deze procedure redelijkerwijze niet zou moeten worden tegengeworpen, maakt niet dat het niet voor haar risico komt dat zij desondanks een relatie met hem is aangegaan.

De vreemdeling heeft niet betwist dat zijn banden met Irak sterk zijn en er voor hem mogelijkheden zijn om daar een bestaan op te bouwen. Dat hij in Nederland een leven heeft opgebouwd maakt niet dat aan de omstandigheid dat hij het overgrote deel van zijn leven, waaronder zijn gehele jeugd, in Irak heeft doorgebracht, minder gewicht toekomt. Een enkele verwijzing naar de algemene mensenrechtensituatie in Irak is onvoldoende concreet om aan te nemen dat van de nieuwe partner van de vreemdeling niet verlangd kan worden dat zij zich in Irak vestigt. Dat het voor de vreemdeling gevaarlijk zou zijn om contact op te nemen met de autoriteiten van Irak teneinde een paspoort te verkrijgen, is evenmin gestaafd.

Gelet op het voormelde geeft het geheel van de bij de besluitvorming betrokken feiten en omstandigheden, als weergegeven onder 5.4, geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris bij de "fair balance", die moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering om aan de vreemdeling nog langer verblijf in Nederland toe te staan niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

De beroepsgrond faalt.

6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 12 februari 2014 in zaak nr. 13/27301;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.P.H. Claessens, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Claessens

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

654.