Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201401322/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:1088, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401322/1/V1.

Datum uitspraak: 22 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 januari 2014 in zaak nr. 13/23839 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 19 augustus 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit van 19 augustus 2013 niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) in het nadeel van de vreemdeling uitvalt en dat hij, nu het bezwaar om die reden niet kennelijk ongegrond is, de vreemdeling in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord. Daartoe betoogt de staatssecretaris, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2013 in zaak nr. 201208082/1/V1, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, nu de vreemdeling als jongvolwassene bij zijn moeder woont en nog geen eigen gezin heeft gesticht, ten onrechte het vereiste van "more than the normal emotional ties" in zijn belangenafweging heeft betrokken. Met de overweging dat de moeder van de vreemdeling wegens haar visuele handicap in het dagelijks leven afhankelijk is van de vreemdeling, heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn moeder alleen door hem kan worden geholpen. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris verder miskend dat hij niet ten onrechte veel gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling nooit een verblijfsvergunning heeft gehad die hem tot het uitoefenen van het gezinsleven in Nederland in staat stelde. Voorts betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van de moeder van de vreemdeling niet kan worden verlangd dat zij het gezinsleven met hem in de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC) uitoefent, nu de vreemdeling niet heeft gestaafd dat zijn moeder, die het grootste deel van haar leven in de DRC heeft gewoond, wegens haar gezondheidssituatie niet met hem kan terugkeren naar dat land.

1.1. De staatssecretaris heeft aangenomen dat familie- en gezinsleven bestaat tussen de vreemdeling en zijn moeder.

1.2. De staatssecretaris betoogt terecht dat uit voormelde uitspraak van 18 oktober 2013 volgt dat hij bij de belangenafweging terecht omstandigheden heeft betrokken die zien op de sterkte van de band tussen de vreemdeling en zijn moeder. Voor zover de vreemdeling heeft gesteld dat zijn moeder wegens haar visuele handicap voor verzorging op hem is aangewezen, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de moeder van de vreemdeling, indien nodig, een beroep kan doen op hiervoor aangewezen instanties als de thuiszorg. Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte veel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling nooit een verblijfsvergunning heeft gehad die hem tot het uitoefenen van het gezinsleven in Nederland in staat stelde. Daar komt bij dat de vreemdeling het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in de gezondheidssituatie van de moeder van de vreemdeling of de veiligheidssituatie in de DRC geen objectieve belemmering bestaat om het familie- en gezinsleven met zijn moeder in dat land uit te oefenen, in hoger beroep niet heeft bestreden. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden volgt dat het besluit van 19 augustus 2013 niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Gelet hierop en nu de vreemdeling in bezwaar geen nieuwe informatie over zijn familie- en gezinsleven heeft verstrekt ten opzichte van de informatie die hij voorafgaand aan het besluit van 4 juni 2013 had verstrekt, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte krachtens artikel 7:3 van de Awb van het horen van de vreemdeling afgezien. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep alsnog ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 januari 2014 in zaak nr. 13/23839;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schuurman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2014

412-760.