Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201401284/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401284/1/V6.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoetermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2014 in zaak nr. 13/7406 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die ten minste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 10 kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) is het vereiste van vijf jaar hoofdverblijf in Nederland opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf wordt primair getoetst aan de hand van de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA, thans: de basisregistratie personen). Indien de GBA gegevens niet afdoende blijken, dient de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan te tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ heeft volgens de Handleiding een strikt feitelijke betekenis.

In de Handleiding is vermeld dat gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het naturalisatieverzoek én gedurende de periode vanaf de indiening daarvan tot en met de beslissing daarop geen zogenaamde 'verblijfsgaten' mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen.

2. Niet is in geschil dat [appellant] houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd waarvan de geldigheidsduur bij beschikking van 16 juli 2013 (hierna: het verlengingsbesluit) door de staatssecretaris is verlengd van 15 juni 2013 tot 15 juni 2018. Voorts is niet in geschil dat [appellant] in de periode van 22 maart 2010 tot 15 augustus 2011 niet stond ingeschreven in de GBA.

De staatssecretaris heeft het verzoek van 22 juni 2012 afgewezen omdat [appellant] niet sedert ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek onafgebroken hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, nu in de periode van 22 maart 2010 tot 15 augustus 2011 een verblijfsgat is ontstaan. De staatssecretaris heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat [appellant] met de door hem overgelegde stukken het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf in Nederland. In dit kader voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewijslast op hem rust. Aangezien de staatssecretaris stelt dat sprake is van een verblijfsgat, dient hij dit te bewijzen. Nu de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een van de in de Handleiding genoemde indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, ontbeert de weigering het Nederlanderschap te verlenen een deugdelijke motivering.

[appellant] betoogt voorts dat, voor zover de bewijslast op hem rust, de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn zorgvuldigheidsplicht om tegenbewijs te leveren, gelet op de door hem overgelegde bewijsstukken. In dit verband voert hij aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen bewijswaarde heeft toegekend aan de verklaring van mr. J. Groen van 24 juli 2013, waarin Groen verklaart dat hij in de periode 2010 en 2011 zijn advocaat was in een civiele procedure en diverse malen contact met hem heeft gehad. De rechtbank heeft ten onrechte de overgelegde bewijsstukken genegeerd en de feiten onjuist gewaardeerd. Zo heeft de rechtbank miskend dat hij gedurende de periode van 22 maart 2010 tot 15 augustus 2011 leed aan een zware depressie en weinig kapperswerk verrichtte en dat hij derhalve niet de gewenste bewijsstukken kan overleggen.

3.1. De rechtbank heeft terecht het standpunt van de staatssecretaris gevolgd dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij gedurende vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek onafgebroken hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, op [appellant] rust. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat volgens het beleid, zoals dit is neergelegd in de toelichting bij voormeld artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, in de Handleiding, de vraag of sprake is van hoofdverblijf primair wordt getoetst aan de hand van de gegevens uit de GBA en dat, indien deze gegevens niet afdoende blijken, de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aannemelijk dient te maken door middel van andere bewijsstukken. De op de staatssecretaris rustende onderzoeksplicht gaat, anders dan [appellant] betoogt, derhalve niet zo ver dat sprake is van een omkering van de bewijslast.

De staatssecretaris heeft bij het nemen van het besluit van 7 augustus 2013 kennis genomen van de door [appellant] overgelegde stukken en zich op het standpunt gesteld dat deze niet leiden tot de conclusie dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode van 22 maart 2010 tot 15 augustus 2011 onafgebroken hoofdverblijf had in Nederland. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris nader toegelicht dat de overgelegde bewijsstukken niet kunnen worden beschouwd als objectief verifieerbaar, dan wel te weinig specifiek zijn of, gelet op de lengte van voormelde periode, slechts zien op een zeer kort tijdsbestek. De Afdeling volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat met de overgelegde stukken onvoldoende feiten zijn aangedragen om tot de conclusie te komen dat [appellant] gedurende voormelde periode onafgebroken hoofdverblijf had in Nederland. Voorts heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 7 augustus 2013 terecht op het standpunt gesteld dat de verklaring van Groen niet tot een ander oordeel leidt, nu hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat [appellant] daadwerkelijk continu in Nederland verbleef. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de overgelegde bewijsstukken heeft genegeerd en de feiten onjuist heeft gewaardeerd, blijkt uit de aangevallen uitspraak dat de rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van de door [appellant] overgelegde stukken.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt op de voet van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 voorts dat de staatssecretaris met het nemen van het verlengingsbesluit reeds heeft beoordeeld of hij van 15 juni 2008 tot 15 juni 2013 zijn hoofdverblijf in Nederland had. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de RWN een zelfstandig beoordelingskader geeft en de betekenis van een naturalisatie van een andere orde is dan de verlenging van een verblijfsrecht. Zij gaat er hierbij aan voorbij dat de betekenis van hoofdverblijf in de naturalisatieprocedure gelijk is aan de betekenis van dat begrip in de verblijfsrechtelijke procedure. Door ondanks het verlengingsbesluit [appellant] een verblijfsgat tegen te werpen, handelt de staatssecretaris volgens hem in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van kracht van gewijsde, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

4.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris in de naturalisatieprocedure bevoegd is om zelfstandig te beoordelen of een naturalisant onafgebroken hoofdverblijf in Nederland heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011 in zaak nr. 201101945/1/V6) is de verlening van het Nederlanderschap, vanwege de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht. Juist in het kader van de naturalisatieprocedure wil de staatssecretaris zich enige garantie verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de naturalisant in Nederland wil blijven wonen, en eist hij derhalve vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf in Nederland. Dat in de RWN met het begrip ‘hoofdverblijf’ onder meer is beoogd aan te sluiten bij de terminologie in het vreemdelingenrecht, vormt op zichzelf geen omstandigheid die afbreuk doet aan de bevoegdheid van de staatssecretaris om in het kader van de naturalisatieprocedure zelfstandig te beoordelen of sprake is van onafgebroken hoofdverblijf in Nederland dan wel een verblijfsgat.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

32-800.