Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2884

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201400314/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:9192, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400314/1/V6.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2013 in zaak nr. 13/3976 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij op 7 mei 2013 verzonden besluit heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het Besluit) verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

In de Handleiding is vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

3. Niet is in geschil dat [appellant] bij het verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte dan wel een door een notaris gewaarmerkte kopie van een specifiek benoemd brondocument en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd. Tevens is niet in geschil dat [appellant] houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat zijn identiteit en nationaliteit niet zijn komen vast te staan en bewijsnood zich niet voordoet.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan uit is gegaan dat het besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar dateert van 7 mei 2013. Aangezien in de kantlijn van dit besluit de datum 19 april 2013 is vermeld, dateert het besluit volgens [appellant] van die datum.

[appellant] voert voorts aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de op 23 april 2013 overgelegde scans van het notarieel certificaat van geboorte en van de identiteitskaart, aan de hand waarvan het notarieel certificaat is opgemaakt, terwijl een medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst op 23 april 2013 heeft toegezegd dat deze scans zouden worden meegenomen bij het besluit op bezwaar, aldus [appellant].

[appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte eraan is voorbij gegaan dat hij in beroep heeft aangevoerd dat het besluit op bezwaar niet is ondertekend.

4.1. Gelet op de verzenddatum van het besluit op bezwaar en de toelichting van de staatssecretaris in diens verweerschrift in hoger beroep dat de datum in de kantlijn automatisch door de computer wordt aangemaakt en verwijst naar de dag waarop het document in zijn eerste vorm is aangemaakt en dat deze datum abusievelijk niet is bijgewerkt, dateert dit besluit van 7 mei 2013. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog van [appellant] dat de staatssecretaris ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de op 23 april 2013 overgelegde scans van de onder 4 vermelde stukken, faalt evenzeer. [appellant] had reeds op 12 april 2013 afschriften van dezelfde stukken overgelegd, echter, anders dan op 23 april 2013, niet in kleur. De staatssecretaris heeft in het besluit van 7 mei 2013 overwogen dat [appellant] met deze stukken zijn identiteit niet kan aantonen, aangezien een identiteitskaart geen brondocument is. De op 23 april 2013 overgelegde scans maken dit niet anders.

Hoewel het betoog dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de beroepsgrond over het niet ondertekenen van het besluit op bezwaar terecht is voorgedragen, kan het niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 maart 2004 in zaak nr. 200301457/1, betekent de enkele omstandigheid dat de ondertekening ontbreekt, in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een geautomatiseerd aangemaakte brief, niet dat aan deze brief het besluitkarakter moet worden ontzegd. Gelet hierop, heeft het besluit wel rechtskracht gekregen. De omstandigheid dat in het besluit niet uitdrukkelijk staat dat het gaat om een geautomatiseerd aangemaakt besluit, kan hieraan niet afdoen.

Het betoog faalt.

5. De staatssecretaris heeft in het besluit van 7 mei 2013 vermeld dat eerst sinds 1 januari 1996 in China geboorteaktes worden verstrekt. Als geboortebewijs van een persoon die in China is geboren vóór 1 januari 1996 dient een gelegaliseerd notarieel certificaat te worden overgelegd, wat een verklaring van een notaris is dat de geboorte heeft plaatsgevonden. Het notarieel certificaat dient te zijn opgemaakt aan de hand van een specifiek benoemd brondocument. Van dit bijbehorende brondocument dient een door een notaris gewaarmerkte kopie te worden overgelegd. Aldus moet blijken wie de ouders van betrokkene zijn.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende zijn komen vast te staan. Hiermee is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat tijdens de hoorzitting geen twijfels zijn geuit omtrent de identiteit van [appellant], maar dat [appellant] slechts nog moest voldoen aan het formele vereiste van het overleggen van een door een notaris gewaarmerkte kopie van het desbetreffende brondocument. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen geboorteakte heeft overgelegd, aangezien hij een door de Chinese autoriteiten afgegeven identiteitskaart heeft overgelegd, welke, gelet op het na de hoorzitting overgelegde notarieel certificaat, door de notaris als brondocument is gebruikt. Gelet hierop, heeft hij zijn geboorte en identiteit aangetoond, aldus [appellant].

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011 in zaak nr. 201101945/1/V6; www.raadvanstate.nl), is het aan de staatssecretaris om te oordelen of de identiteit van een verzoeker met behulp van de overgelegde stukken is komen vast te staan. De staatssecretaris is, wegens de aan het verlenen van het Nederlanderschap verbonden gevolgen, bevoegd op de in de Handleiding neergelegde wijze bewijs van de ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Besluit, bij een naturalisatieverzoek te verstrekken gegevens te verlangen.

6.2. Gelet op het verslag van de hoorzitting van 14 maart 2013 is tijdens de hoorzitting aan [appellant] meegedeeld dat hij zijn identiteit niet heeft aangetoond en is hem uitgelegd hoe hij deze alsnog kan aantonen. Het betoog van [appellant] dat er geen twijfels zijn geuit omtrent zijn identiteit, mist dan ook feitelijke grondslag.

De staatssecretaris heeft in het besluit van 7 mei 2013 overwogen dat [appellant] ter vaststelling van zijn identiteit de hiervoor onder 5 genoemde documenten moet overleggen. Volgens het beleid van de staatssecretaris, zoals dit is weergegeven op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, kan in het kader van de naturalisatieprocedure slechts door middel van limitatief opgesomde brondocumenten de identiteit worden aangetoond. Reeds in een brief van 3 september 2012 heeft de staatssecretaris vermeld welke brondocumenten dit zijn, waaronder bewijs van de hukou-registratie (household registration). Tijdens de hoorzitting en in een brief van 15 maart 2013 heeft hij nogmaals een overzicht gegeven van de desbetreffende brondocumenten. De staatssecretaris heeft in het besluit van 7 mei 2013 overwogen dat de identiteit van [appellant] niet kan worden vastgesteld met de door hem overgelegde documenten, aangezien het overgelegde notarieel certificaat van geboorte is opgesteld aan de hand van zijn identiteitskaart en deze geen brondocument is. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat een identiteitskaart geen brondocument is, omdat deze wordt afgegeven op basis van andere documenten. De staatssecretaris heeft dan ook terecht overwogen dat [appellant] niet een door een notaris gewaarmerkte kopie van een brondocument heeft overgelegd. Gezien het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat [appellant] niet aan de vereisten voldoet voor inwilliging van het verzoek.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat ten onrechte steeds strengere formele criteria op hem worden toegepast, aangezien zijn verzoek dateert van 3 januari 2012 en hij heeft voldaan aan de tot 1 juni 2012 geldende criteria.

7.1. Dit betoog faalt reeds omdat het verzoek van 15 juni 2012 dateert en [appellant] het standpunt van de staatssecretaris dat ook vóór 1 juni 2012 bewijs van de hukou-registratie werd verlangd, niet heeft weerlegd.

8. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris ten onrechte eist dat hij tevens een paspoort moet overleggen, aangezien hem tijdens de hoorzitting is toegezegd dat hij slechts een door een notaris gewaarmerkte kopie van het brondocument behoeft over te leggen. Bovendien verkeert hij voor het overleggen van een paspoort in bewijsnood, aldus [appellant]. Hiertoe voert hij aan dat hij niet naar China kan reizen om een Chinees paspoort te verkrijgen, omdat, zoals hij ter zitting bij de Afdeling heeft betoogd, zijn verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van zijn vreemdelingenpaspoort is afgewezen en hij in China gevaar loopt.

8.1 Gelet op het verslag van de hoorzitting van 14 maart 2013 is [appellant] tijdens dit gehoor meegedeeld dat hij tevens ter vaststelling van zijn nationaliteit een geldig buitenlands reisdocument moet overleggen. Voorts heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 7 mei 2013 terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet in bewijsnood verkeert, reeds omdat hij niet heeft aangetoond dat hij vanuit Nederland al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een paspoort. Verder kan van [appellant] worden verlangd naar China te reizen om aldaar de benodigde documenten te verkrijgen. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij de geldigheidsduur van zijn vreemdelingenpaspoort niet kan laten verlengen, noch dat hij niet in het bezit kan worden gesteld van een ander reisdocument. Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 17 oktober 2012 in zaak nr. 201112941/1/V6) dat, indien aan degene die een verzoek om hem het Nederlanderschap te verlenen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, het uitgangspunt is dat zich geen asielgerelateerde gronden voordoen die meebrengen dat van hem niet kan worden gevergd naar zijn land van herkomst te reizen om aldaar een paspoort te verkrijgen. [appellant] is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. Eventuele asielmotieven die hij destijds aan zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ten grondslag heeft gelegd, kunnen in de onderhavige procedure niet alsnog worden beoordeeld. Dat betekent echter niet dat persoonlijke omstandigheden geen enkele rol kunnen spelen bij de beoordeling van een beroep op bewijsnood. [appellant] heeft evenwel zijn stelling, dat hij thans bij terugkeer naar China daadwerkelijk gevaar loopt, niet met bewijsstukken gestaafd.

Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

32-800.