Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2878

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201311659/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6395, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2012 heeft het college Urnengedenkpark onder oplegging van een dwangsom gelast om het gebruik van het 'Landgoed Heerlijkheid Horssen' op het perceel Zelksestraat 14 te Horssen (hierna: het perceel) ten behoeve van een urnengedenkpark te beëindigen en beëindigd te houden alsmede de reeds bijgezette urnen te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6371

Uitspraak

201311659/1/A4.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Urnengedenkpark Horssen B.V. i.o., gevestigd te Horssen, gemeente Druten,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 november 2013 in zaak nr. 13/2175 in het geding tussen:

Urnengedenkpark

en

het college van burgemeester en wethouders van Druten.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2012 heeft het college Urnengedenkpark onder oplegging van een dwangsom gelast om het gebruik van het 'Landgoed Heerlijkheid Horssen' op het perceel Zelksestraat 14 te Horssen (hierna: het perceel) ten behoeve van een urnengedenkpark te beëindigen en beëindigd te houden alsmede de reeds bijgezette urnen te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college het door Urnengedenkpark daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2013 heeft de rechtbank het door Urnengedenkpark daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Urnengedenkpark hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Urnengedenkpark en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2014, waar Urnengedenkpark, vertegenwoordigd door J. Beekhuis, H.G. Beekhuis en ing. G.J. Maas, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, en E.D.T. van Zanten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Urnengedenkpark wil op het perceel een park realiseren voor het ondergronds plaatsen van asurnen op een diepte van maximaal 80 cm onder maaiveld. Het college stelt dat dit gebruik in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemming. Aan het besluit van 16 augustus 2012 heeft het college een controlerapport van 6 juni 2012 ten grondslag gelegd. Volgens dit rapport hebben de toezichthouders van de gemeente op 4 juni 2012 geconstateerd dat vier urnen zijn bijgezet in de bodem van het perceel.

2. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "bos en natuurgebied" en de bestemmingscategorie "natuurgebied" (N).

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden op de plankaart aangegeven met de bestemming "bos en natuurgebied" en de bestemmingscategorie "natuurgebied" (N) bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van landschapswaarden.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, wordt in het plan onder landschapswaarden verstaan: de aan een gebied toegekende waarde in visueel-ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch en/of geomorfologisch opzicht.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, is het verboden de gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

3. Urnengedenkpark betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van het perceel als park voor het bijzetten van urnen strijdig is met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat geen voorschriften die een specifieke bescherming van de geomorfologische waarden beogen. Bovendien tast het bijzetten van urnen de geomorfologische waarden van het perceel niet in relevante mate aan, aldus Urnengedenkpark.

3.1. De gronden met de bestemming "bos en natuurgebied" en de bestemmingscategorie "natuurgebied" zijn bestemd voor het instandhouden en ontwikkelen van landschapswaarden als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de bestemmingsplanvoorschriften. Het bijzetten van urnen, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten, zoals de bijzetplechtigheid, heeft als functie noch als doel de landschapswaarden - ofwel de aan het perceel toegekende waarde in visueel-ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch en/of geormorfologisch opzicht - in stand te houden of te ontwikkelen. Dat met (een gedeelte van) de inkomsten die het urnengedenkpark zal genereren het 'Landgoed Heerlijkheid Horsen' op termijn kan worden onderhouden, betekent niet dat het gebruik van het perceel als park voor het bijzetten van urnen als zodanig ook is gericht op het in stand houden en ontwikkelen van genoemde landschapswaarden. Verder heeft de rechtbank, gelet op de bij haar ingebrachte deskundigenrapporten, terecht overwogen dat door het bijzetten van urnen op het perceel in ieder geval enige aantasting van de geomorfologische waarden plaatsvindt.

Gelet op het vorenstaande is het gebruik van het perceel als park voor het bijzetten van urnen in strijd met de geldende bestemming. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat Urnengedenkpark artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften heeft overtreden. Dat in het bestemmingsplan geen specifiek gebruiksverbod ten aanzien van de geomorfologische waarden is opgenomen, maakt dat niet anders.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

190-769.