Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2876

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201311328/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om afgifte van een paspoort afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311328/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 november 2013 in zaak nr. 13/5568 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om afgifte van een paspoort afgewezen.

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.E. Knook, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet, zoals dit gold ten tijde van belang, heeft iedere Nederlander binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

Ingevolge artikel 22, aanhef en onder c, zoals dit gold ten tijde van belang, kan weigering geschieden op verzoek van de minister die het aangaat, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, het bestuurscollege, dan wel een ander tot invordering bevoegd orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, dat het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon, die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem rustende dan wel bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk vastgestelde verplichting tot betaling van op hem verhaalbare uitkeringen, door de overheid gemaakte, op hem verhaalbare kosten, dan wel voorgefinancierde of anderszins verstrekte gelden, zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, richten de autoriteiten, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24, het verzoek tot weigering, onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden, bedoeld in artikel 18 en de artikelen 20 tot en met 24, aan Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur.

Ingevolge het vierde lid, eerste volzin, deelt Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, de autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken, dan wel in te houden, mede, aan welke personen die ingevolge het bepaalde in het derde lid in het register zijn vermeld, een reisdocument kan worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument moet worden ingehouden.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, zoals dit gold ten tijde van belang, is in het buitenland de minister bevoegd tot weigering van reisdocumenten op de gronden genoemd in hoofdstuk III.

Ingevolge het tweede lid overtuigt een tot weigering bevoegde autoriteit, zodra deze een aanvraag in behandeling neemt betreffende een persoon, ten aanzien van wie een mededeling, als bedoeld in artikel 25, vierde lid, is gedaan, dan wel een ingevolge artikel 52 of 53 ingehouden reisdocument heeft ontvangen, zich ervan of de gronden tot weigering ten aanzien van betrokkene nog bestaan.

Ingevolge het vierde lid deelt de tot weigering bevoegde autoriteit, indien de gronden tot weigering nog blijken te bestaan, de aanvrager respectievelijk de houder terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag onderscheidenlijk de inhouding mede dat hij voornemens is de verstrekking van het aangevraagde reisdocument te weigeren, tenzij de aanvrager respectievelijk de houder hem binnen twee weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, ten einde met de autoriteit bij wie de gronden bestaan een zodanige overeenstemming te bereiken dat tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument kan worden overgegaan.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, wordt, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, door de autoriteit bij wie de gronden tot weigering bestaan aan de tot weigering bevoegde autoriteit wordt medegedeeld, dat overeenstemming is bereikt met de aanvrager respectievelijk de houder, dan wel indien de gronden bij de tot weigering bevoegde autoriteit zelf bestaan, door deze een dergelijke overeenstemming is bereikt, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken overeenkomstig de bereikte overeenstemming het aangevraagde reisdocument verstrekt.

Ingevolge het tweede lid gaat de tot weigering bevoegde autoriteit, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, geen mededeling wordt gedaan als bedoeld in het eerste lid, dan wel de aanvrager respectievelijk de houder geen verzoek doet als bedoeld in artikel 44, vierde lid, tot weigering over, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager respectievelijk de houder door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld. In dat geval verstrekt de tot weigering bevoegde autoriteit na overleg met de autoriteit bij wie de gronden tot weigering bestaan het aangevraagde reisdocument.

2. Op 20 november 2012 heeft [appellant] bij de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Rabat een aanvraag ingediend voor een nieuw nationaal paspoort. De minister heeft de in bezwaar gehandhaafde weigering [appellant] een paspoort te verstrekken gebaseerd op artikel 22, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de Gemeentelijke Sociale Dienst te Delft de persoonsgegevens van [appellant], wegens een schuld ten bedrage van €104.674,54 van [appellant] aan de Gemeentelijke Sociale Dienst, heeft laten opnemen in het Register Paspoortsignaleringen van het Agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: het Register). Nadat de minister heeft onderzocht en vastgesteld dat de gronden tot weigering nog bestaan, heeft de minister vervolgens bij brief van 26 november 2012 [appellant] gewezen op de mogelijkheid om overeenstemming, als bedoeld in artikel 44, vierde lid, te bereiken met de Gemeentelijke Sociale Dienst. De minister heeft [appellant] voorts gewezen op de mogelijkheid zijn aanvraag voor een periode van acht weken aan te houden om deze overeenstemming te bereiken. Nu geen overeenstemming is bereikt, en [appellant] volgens de minister door de weigering niet onevenredig wordt benadeeld, is de minister overgegaan tot weigering aan [appellant] een paspoort te verstrekken.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering aan [appellant] een paspoort te verstrekken niet tot onevenredige benadeling leidt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan het met de weigering van het paspoort gemoeide belang. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het belang van [appellant], die een Nederlands paspoort zegt nodig te hebben voor zijn internationale werkzaamheden als textielhandelaar om zodoende in zijn onderhoud te kunnen voorzien, niet opweegt tegen het met de weigering gemoeide belang dat [appellant] zich niet verder kan onttrekken aan invordering van zijn schuld. Dit geldt temeer nu [appellant] zijn belang op geen enkele wijze heeft onderbouwd, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering aan [appellant] een paspoort te verstrekken niet tot onevenredige benadeling leidt. Daartoe voert hij aan dat de weigering grote gevolgen voor hem heeft. Zonder te kunnen beschikken over een paspoort kan hij zijn internationale werkzaamheden niet uitvoeren. Deze werkzaamheden brengen mee dat hij geregeld naar het buitenland moet reizen. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat hij ook onevenredig wordt benadeeld doordat het zonder paspoort feitelijk onmogelijk is om bewijs omtrent zijn financiële situatie op te halen in Pakistan. Dit bewijs heeft hij nodig om met de Gemeentelijke Sociale Dienst zijn schuld te bespreken.

4.1. In hoger beroep staat uitsluitend nog ter beoordeling of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering aan [appellant] een paspoort te verstrekken op grond van artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet, gelezen in verbinding met artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet, niet leidt tot een onevenredige benadeling van [appellant].

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 april 2009 in zaak nr. 200806957/1/H3) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 393 (R 1343), nr. 3, blz. 42 t/m 44), dat van de bevoegdheid tot weigering van een paspoort veelal slechts gebruik wordt gemaakt indien de betrokken persoon zich in het buitenland heeft gevestigd, omdat invordering van de in dit artikel bedoelde schulden in dat geval aanzienlijk problematischer is dan in het Koninkrijk zelf. Volgens deze wetsgeschiedenis moet de vraag of een gegrond vermoeden aanwezig is dat betrokkene zich door verblijf in het buitenland aan de wettelijk mogelijkheid tot invordering zal onttrekken, worden beantwoord aan de hand van diens gedragingen, zoals bijvoorbeeld de verkoop van zijn woning en al zijn bezittingen of het opzeggen van de huur, het niet opgeven van zijn woon- of verblijfplaats en het niet bereid zijn een betalingsregeling te treffen. Ingeval de betrokkene zich reeds in het buitenland heeft gevestigd, waardoor de invorderingsmogelijkheden aanzienlijk beperkter zijn, zal signalering sneller kunnen plaatsvinden.

Uit deze wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het belang bij weigering van het paspoort groter wordt geacht indien de betrokkene zich reeds in het buitenland heeft gevestigd, aangezien in dat geval een groter risico aanwezig wordt geacht dat deze zich blijvend aan de invordering van de schuld zal onttrekken.

4.2. Zoals ter zitting naar voren is gekomen houdt de opname in het Register verband met een gerechtelijke uitspraak waarin is vastgesteld dat [appellant] alimentatie is verschuldigd. De minister heeft ten tijde van de aanvraag onderzocht en vastgesteld dat deze schuld nog bestaat, hetgeen door [appellant] ter zitting ook is bevestigd. Aangezien de gronden voor weigering tot het verstrekken van een paspoort nog bestaan, en er geen overeenstemming als bedoeld in artikel 44, vierde lid, van de Paspoortwet is bereikt, mocht de minister overgaan tot weigering van het verstrekken van een paspoort. [appellant] betoogt dat hij hierdoor onevenredig wordt benadeeld, omdat hem door de weigering de mogelijkheid wordt ontnomen bewijs van zijn financiële situatie op te halen in Pakistan. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op een andere wijze dan het persoonlijk reizen naar Pakistan de beschikking over deze stukken kan verkrijgen.

De toepasselijke bepalingen van de Paspoortwet strekken ertoe [appellant] te bewegen alsnog aan zijn volledige financiële verplichtingen te voldoen en te voorkomen dat hij zich daar eenvoudig aan kan onttrekken. Vaststaat dat [appellant] ten tijde van zijn aanvraag in het buitenland verbleef, hetgeen het risico vergroot dat hij zich na het verkrijgen van een paspoort aan invordering blijft onttrekken. Gelet hierop mocht de minister het met de weigering van het paspoort gemoeide belang zwaarder laten wegen dan het belang van [appellant] een paspoort te verkrijgen voor zijn gestelde internationale werkzaamheden. Overigens heeft [appellant] geen begin van bewijs geleverd voor zijn stelling dat hij door de weigering een paspoort te verstrekken onevenredig wordt benadeeld, omdat hij zijn gestelde internationale werkzaamheden anders niet meer zou kunnen uitoefenen.

4.3. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering aan [appellant] een paspoort te verstrekken niet tot onevenredige benadeling leidt.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Langeveld-Mak

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

317-818.