Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2871

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201310795/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:5223, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een educatieve maatregel gedrag en verkeer (hierna: EMG).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310795/1/A1.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 24 oktober 2013 in zaken nrs. 13/4635 en 13/5435 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een educatieve maatregel gedrag en verkeer (hierna: EMG).

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Wortel, advocaat te Utrecht, en het CBR, vertegenwoordigd door J.A. Launspach, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld, aldus die bepaling.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132a, eerste lid, legt het CBR in de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde gevallen bij het in die bepaling bedoelde besluit betrokkene overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vast te stellen termijn aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid te onderwerpen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) besluit het CBR tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer, indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht, als genoemd in de bij de regeling horende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

Bijlage 1, onderdeel A, noemt als feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid onder meer:

(…)

III. Rijgedrag

(…)

2. Gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer, zoals:

(…)

c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het 'hand held bellen', afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

d. uitvoeren van gevaarlijke inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen, waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht.

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid.

2. Het CBR heeft het in bezwaar gehandhaafde besluit van 6 juni 2013 genomen naar aanleiding van een mededeling van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid van 15 mei 2013 als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994.

Aan deze mededeling ligt een op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2013 ten grondslag. In dit proces-verbaal is het volgende opgenomen. In de ochtendbriefing was verbalisanten verteld dat in Leerdam werd gedeald vanuit een blauwkleurige Volkswagen Polo voorzien van zwarte velgen, waarvan het kenteken mogelijk zou beginnen met '[…]-'. Toen verbalisanten die dag omstreeks 14.05 uur tijdens een algemene surveillance in de richting van Leerdam reden, kwam hun een blauwkleurige Volkswagen Polo met zwartkleurige velgen tegemoet met het kenteken […]. Achter het stuur van het voertuig zagen zij de hun ambtshalve bekende [appellant]. Tevens werd de bijrijder herkend. "Beide personen hebben diverse malen in onze briefing gestaan met betrekking tot mogelijk dealen in de gemeente Leerdam, waardoor zij bij ons ambtshalve bekend zijn. (…) Ik, (…), heb in het verleden zowel [appellant] als (…) diverse malen in ons werkgebied gecontroleerd toen zij als respectievelijk als bestuurder of inzittende in een personenauto zaten", aldus het proces-verbaal. Gelet op de bovenstaande bevindingen besloten verbalisanten het dienstvoertuig te keren met als doel het tegemoetkomende voertuig en de inzittenden aan een controle te onderwerpen. Nadat de verbalisanten eenmaal achter dat voertuig aan reden, zagen zij dat de bestuurder zijn snelheid verhoogde, niet stopte voor een stopbord en links om een stilstaande personenauto naar rechts stuurde in de richting van Meerkerk. Omdat verbalisanten het vermoeden kregen dat de inzittenden zich aan een staandehouding wensten te onttrekken, hebben zij de optische signalen en geluidssignalen van het dienstvoertuig aangezet en de achtervolging ingezet. Tijdens deze achtervolging zagen zij dat het voertuig met hoge snelheid diverse personenauto’s en fietsers inhaalde en tevens in een onoverzichtelijke bocht een vrachtwagen inhaalde. Daarna zagen zij dat het voertuig met een snelheid van ongeveer 80 km/uur de bebouwde kom van Meerkerk inreed en vervolgens een 30 kilometerzone, waarbij het diverse inhaalmanoeuvres uitvoerde. Omdat de weg bij die zone smal is en mensen op straat liepen, hebben verbalisanten snelheid geminderd en zijn zij het voertuig uit het oog verloren. Na enige tijd zagen zij het weer, terwijl het in de richting van Ameide reed. Op het traject tussen Ameide en Lexmond zagen zij dat het in onoverzichtelijke bochten inhaalmanoeuvres maakte langs trekker-opleggercombinaties, en fietsers en andere weggebruikers met zeer hoge snelheid inhaalde, waardoor er direct gevaar voor deze weggebruikers ontstond. Op zeker moment zijn verbalisanten het voertuig uit het oog verloren en hebben zij de achtervolging gestaakt.

Het CBR heeft zich op basis van het proces-verbaal op het standpunt gesteld dat [appellant] de hierboven uit bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, weergegeven gedragingen heeft verricht.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet hij de bestuurder was van de Volkswagen Polo, maar [persoon]. Hij voert hiertoe aan dat hij niet door de verbalisanten in de auto is aangetroffen zodat deze niet zelf hebben geconstateerd dat hij de bestuurder was. Uit het proces-verbaal blijkt, naar hij stelt, ook niet hoe de verbalisanten tot een herkenning zijn gekomen, nu geen proces-verbaal van herkenning is opgemaakt. Vermoedelijk hebben de verbalisanten slechts gemeend hem te herkennen doordat hij in de ochtendbriefing van de politie is besproken, aldus [appellant]. Bovendien heeft [persoon] een schrijven overgelegd waarin hij verklaart de bestuurder te zijn geweest. [appellant] betoogt tevens dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat, nu het opleggen van een EMG een belastend besluit is, de bewijslast bij het CBR ligt en het CBR zich ten onrechte niet heeft ingespannen om nadere informatie te verkrijgen dan wel hem de gelegenheid heeft geboden tegenbewijs aan te voeren. Omdat het leveren van bewijs niet op zijn weg lag, strookt de overweging van de voorzieningenrechter dat hij onvoldoende bewijs heeft geleverd, voorts niet met de overweging van de voorzieningenrechter dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, aldus [appellant].

3.1. Zoals de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2013 in zaak nr. 201204366/1/A3 terecht heeft overwogen, mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 oktober 2013 in zaak nr. 201302104/1/A1, is voorts niet vereist dat het CBR eigen onderzoek doet naar de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, tenzij het objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

3.2. [persoon] heeft in een ongedateerd stuk uitsluitend het volgende verklaard: "Naar aanleiding van wat er 15 mei 2013 heeft plaatsgevonden. Wil ik verklaren dat ik de bestuurder was van de auto met kenteken […], ik had de auto toen in mijn bezit." De voorzieningenrechter heeft aan deze verklaring terecht niet de waarde toegekend die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien. De voorzieningenrechter heeft daarbij terecht van belang geacht dat de verklaring pas ruim vier maanden na het incident, te weten op 26 september 2013, in de procedure is gebracht en dat uit de verklaring niet blijkt hoe [persoon] op 15 mei 2013 de beschikking heeft gekregen over de auto, waarom hij in de buurt van Lexmond reed terwijl zijn woonplaats Utrecht is, waarom hij op de vlucht ging voor de politie en waarom de auto vervolgens is geparkeerd vlakbij de woning van [appellant].

Voorts heeft [appellant] ter zitting van de voorzieningenrechter een stuk, gedateerd 17 oktober 2013, van zijn [overbuurman] overgelegd, waarin het volgende staat: "Bij deze verklaar ik dat mijn overbuurman ([locatie] te Lexmond) op woensdagmiddag 15 mei 2013 thuis was op het moment dat ik bij hem aanbelde. Ik wilde op dat moment samen met mijn kinderen kennismaken met onze nieuwe buurman en vragen of ik wat bamboeplanten uit zijn tuin mocht halen. Na een gesprek van ongeveer 20 minuten en een korte rondleiding door het huis ben ik richting huis gegaan. Op dat moment ben ik de politie tegengekomen. Het verdere verloop van de dag is bekend." Ook deze verklaring is voor de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding geweest te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal. De voorzieningenrechter heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat [appellant] op enig moment in de middag van 15 mei 2013 thuis was, zodat de verklaring niet uitsluit dat hij eerder op die middag het voertuig heeft bestuurd.

Voorts heeft de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat geen proces-verbaal van herkenning is opgemaakt, terecht geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de in het proces-verbaal neergelegde verklaring van de verbalisanten dat zij [appellant] als bestuurder van het voertuig hebben herkend. Hij heeft daarbij terecht van belang geacht dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat [appellant] in de ochtendbriefing bij naam is genoemd, zodat de aandacht van de verbalisanten daarom niet specifiek op het herkennen van [appellant] was gericht. Voorts wordt belang gehecht aan de omstandigheid dat een der verbalisanten bij controles diverse malen contact heeft gehad met [appellant], en dat het voertuig de dienstauto van de verbalisanten tegemoetkwam.

3.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat, nu geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de in het proces-verbaal opgenomen bevindingen, het CBR niet van de juistheid van dit proces-verbaal mocht uitgaan. Voor het oordeel dat het CBR eigen onderzoek had behoren te doen naar de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, heeft de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, terecht evenmin aanleiding gezien. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat ook geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal van verhoor van 16 mei 2013 dat naar aanleiding van een strafrechtelijke verdenking is opgemaakt en dat mede aan het besluit van 10 oktober 2013 ten grondslag is gelegd. Blijkens dat proces-verbaal heeft [appellant] de vraag of op 15 mei 2013 iemand anders gebruik heeft gemaakt van de auto, ontkennend beantwoord. De voorzieningenrechter heeft verder met juistheid overwogen dat het op de weg van [appellant] lag om, bijvoorbeeld door het meebrengen van getuigen naar de zitting, zijn stellingen nader te onderbouwen. Voor het oordeel dat de overwegingen van de voorzieningenrechter niet met elkaar stroken bestaat daarom geen aanleiding.

3.4. Ter ondersteuning van zijn, eveneens bij de voorzieningenrechter aangevoerde, stelling dat mogelijk een van zijn broers de bestuurder is geweest, heeft [appellant] ter zitting van de Afdeling een kleurenfoto getoond waarop naar zijn zeggen hijzelf, zijn vader en twee broers zijn afgebeeld. [appellant] heeft aan de hand van deze foto niet aannemelijk gemaakt dat zijn broers dusdanig op hem lijken dat de verbalisanten zich vermoedelijk hebben vergist en het CBR daarom niet heeft mogen uitgaan van hetgeen in het proces-verbaal van bevindingen is opgenomen. Aan de foto komt daarom niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien.

3.5. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

407-619.