Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201310380/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:9077, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2011 heeft het college een aanvraag van [appellant a] om een standplaatsvergunning voor de verkoop van snacks en shoarma vanuit een snackwagen op de Achtersluispolder nabij de brug ‘De Vlinder’ te Zaandam afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310380/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2013 in zaak nr. 12/2709 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2011 heeft het college een aanvraag van [appellant a] om een standplaatsvergunning voor de verkoop van snacks en shoarma vanuit een snackwagen op de Achtersluispolder nabij de brug ‘De Vlinder’ te Zaandam afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft het college het door [appellant a] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2014, waar [appellanten], bijgestaan door W.D. Roos, werkzaam bij De Roseborgh Partners, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Abdoelkariem en S. Taylor, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Zaanstad (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

Ingevolge het tweede lid weigert het college de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Achtersluispolder’ rust op de desbetreffende gronden de bestemming ‘Groen’.

Volgens artikel 5.1 van dit bestemmingsplan zijn de voor ‘Groen’ aangewezen gronden bestemd voor:

a. bermen;

b. plantsoenen;

c. water;

d. speeltoestellen;

e. kunstobjecten;

f. fiets- en voetpaden;

g. nutsvoorzieningen;

h. ter plaatse van de aanduiding ‘sportveld’ tevens voor een sportveld;

i. ter plaatse van de aanduiding ‘park’ tevens voor een park;

j. ter plaatse van de aanduiding ‘terras’ tevens voor een terras;

k. ter plaatse van de functieaanduiding ‘brug’ is tevens toegestaan een brug;

l. en overige voorzieningen ten behoeve van deze bestemming.

Volgens artikel 5.2.1 mogen op en onder de in lid 5.1 genoemde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de daarin opgenomen bepalingen.

2. Aan de gehandhaafde afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat het verlenen van een standplaatsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, nu de aanvraag ziet op gronden waaraan in het bestemmingsplan de bestemming ‘groen’ is toegekend.

3. Tegen het besluit van 22 augustus 2011 heeft [appellant a] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 mei 2012 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het door [appellanten] ingestelde beroep ontvankelijk geacht. Echter, niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan [appellant b] niet redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar bij het college te hebben gemaakt. Daarom stond voor [appellant b] ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen beroep open. De rechtbank heeft het beroep, voor zover ingesteld door [appellant b], ten onrechte ontvankelijk geacht.

4. [appellant a] voert aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een tweede aanvraag van 4 juli 2011, zodat zij een onjuiste plattegrondtekening heeft gebruikt. Volgens [appellant a] is de juiste plattegrondtekening die met als datum 17 juni 2011. Voorts heeft het college bij brief van 1 juli 2011 te kennen gegeven dat op de desbetreffende plek nog geen bestemmingsplan van kracht is en derhalve geen omgevingsvergunning is vereist. Verder valt de snackwagen niet als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in de zin van het bestemmingsplan aan te merken. Ten slotte is de snackwagen door toedoen van het college afgevoerd en vernietigd, zodat de door haar geleden financiële schade dient te worden vergoed, aldus [appellant a].

4.1. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de bij de aanvraag van 4 juli 2011 behorende plattegrondtekening. Wat betreft de stelling van [appellant a] dat de plattegrondtekening van 17 juni 2011 de juiste is, wordt overwogen dat deze behoort bij een door [appellant a] op deze datum gedane aanvraag om een omgevingsvergunning, hetgeen buiten de omvang van deze procedure valt. Om deze reden komt evenmin betekenis toe aan de brief van 1 juli 2011 van het college. Dat het bestemmingsplan op 22 september 2011 is vastgesteld, leidt niet tot het door [appellant a] beoogde doel, nu als uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Geen aanleiding bestaat om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Voorts wordt overwogen dat, daargelaten de vraag of de snackwagen in dit geval al dan niet als bouwwerk, geen gebouw zijnde, kan worden aangemerkt, het plaatsen van een snackwagen op gronden met de bestemming ‘groen’ zich niet verdraagt met het bestemmingsplan, aangezien dit gebruik niet valt onder het op die gronden toegestane gebruik.

De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de aanvraag om een standplaatsvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Dit brengt met zich dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toewijzen van de gedane verzoeken om schadevergoeding.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant a], is ongegrond. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant b], is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant b] ontvankelijk heeft geacht. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant b] alsnog niet-ontvankelijk verklaren. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb zal de Afdeling bepalen dat het in hoger beroep door [appellant b] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant a], ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant b] gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-holland, zittingsplaats Haarlem, van 4 oktober 2013 in zaak nr. 12/2709, voor zover daarbij het beroep, voor zover ingesteld door [appellant b], ontvankelijk is geacht;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [appellant b], niet-ontvankelijk;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant b] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

317-697.