Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201310226/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3750, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor (detail)handel van goederen aan consumenten en handelaren vanuit de woning en vanaf het erf op het perceel [locatie] te Ooij.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/815
JOM 2014/915

Uitspraak

201310226/1/A1.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B], beiden wonend te Ooij, gemeente Ubbergen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 oktober 2013 in zaak nr. 13/1953 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor (detail)handel van goederen aan consumenten en handelaren vanuit de woning en vanaf het erf op het perceel [locatie] te Ooij.

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2014, waar [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door G.B.M. Klaassen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het bestemmingsplan "Kern Ooij" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.1, onder a, worden aan huis verbonden beroepen in overeenstemming geacht met de woonfunctie.

Ingevolge artikel 15, onder a, is het verboden de in het bestemmingsplan bedoelde gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming.

Ingevolge artikel 15, onder b, sub 2 wordt als gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval beschouwd het gebruik van de gronden en opstallen binnen de bestemming "Woondoeleinden" voor de uitoefening van aan huis verbonden bedrijven.

Ingevolge artikel 5.3.3 zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 15, onder b, sub 2 voor het toestaan van aan huis verbonden bedrijven. Deze vrijstelling kan uitsluitend worden verleend met inachtneming van de volgende voorwaarden:

(…)

d. het gebruik mag geen ernstige hinder voor het woonmilieu opleveren en mag ook geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt. Dit betekent bijvoorbeeld dat het geen activiteit mag zijn waarvoor een milieuvergunning verplicht is of een meldingsplicht geldt. Ook mag de activiteit geen detailhandel of industriële handelingen inhouden;

(…)

f. detailhandel mag niet plaatsvinden tenzij het gaat om detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit die direct verband houdt met het aan huis verbonden bedrijf;

g. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;

(…).

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1˚ met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2˚ in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3˚ indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2. [appellant] is voornemens de woning en het erf te gebruiken als verkoopruimte en opslagruimte ten behoeve (detail)handel van goederen aan consumenten en handelaren.

Ingevolge artikel 5.1, onder a, van de planvoorschriften worden aan huis verbonden beroepen in overeenstemming geacht met de woonfunctie. Zoals de rechtbank heeft overwogen is in dit geval van een aan huis verbonden beroep geen sprake. Niet in geschil is dat het beoogde gebruik in strijd is met de op de gronden rustende bestemming. Het college heeft geweigerd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo medewerking te verlenen aan het voornemen van [appellant].

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 5.3.3 van de planvoorschriften. Volgens [appellant] liggen aan dit artikel economische motieven ten grondslag, hetgeen in strijd is met de richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (hierna: Dienstenrichtlijn). Dit artikel moet dan ook buiten toepassing worden gelaten.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 25 juli 2012 in zaak nr. 201105171/1/A2 en in haar uitspraak van 19 juni 2013, zaak nr. 201203334/1/A3 is de Dienstenrichtlijn, gelet op artikel 2, eerste lid, en artikel 4, aanhef en onder 1 van de Dienstenrichtlijn, slechts van toepassing als er sprake is van dienstverrichting, in welk verband voor de betekenis van het begrip "dienst" wordt verwezen naar artikel 50 van het EG-verdrag (thans: artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Daarbij wijst de Afdeling er op dat de Dienstenrichtlijn blijkens randnummer 76 van haar considerans geen betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 28 tot en met 30 van het EG-verdrag (thans: de artikelen 34 tot en met 36 van het VWEU) over het vrije verkeer van goederen. De beperkingen die als gevolg van de bepaling over het vrij verrichten van diensten verboden zijn, betreffen eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van goederen.

De Afdeling is van oordeel dat de economische activiteiten die [appellant] op het perceel wenst te ontplooien en die het college op grond van artikel 5.3.3 van het bestemmingsplan niet toestaat, geen diensten vormen in de zin van artikel 4, aanhef en onder 1, van de Dienstenrichtlijn en artikel 57 van het VWEU, maar de verkoop van goederen betreffen. Dientengevolge is deze richtlijn niet van toepassing op de activiteiten die [appellant] wil verrichten. Het bestreden besluit en het onderhavige bestemmingsplan-voorschrift, dat (detail)handel in de vorm van een aan huis verbonden bedrijf niet toestaat, dienen om die reden niet aan de Dienstenrichtlijn te worden getoetst. Dit leidt tot de conclusie dat reeds hierom dit besluit niet met de Dienstenrichtlijn in strijd is.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het voorgenomen gebruik niet in strijd is met artikel 5.3.3, aanhef en onder g, van de planvoorschriften. Zij voert daartoe aan dat de Prinses Beatrixstraat geschikt is het verkeer, waaronder voertuigen met een lengte tot 18 m, op juiste wijze af te wikkelen en dat in die straat voldoende parkeerruimte is.

4.1. Het college heeft aan de weigering ontheffing te verlenen niet ten grondslag gelegd dat het voorgenomen gebruik een nadelige invloed heeft op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans, als bedoeld in artikel 5.3.3, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, maar dat het voorgenomen gebruik in strijd is met artikel 5.3.3, aanhef en onder d en f, van de planvoorschriften. Dat, zoals [appellant] stelt, aan artikel 5.3.3, aanhef en onder g, is voldaan, kan dan ook niet leiden tot het ermee beoogde doel. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 5.3.3 van de planvoorschriften willekeurig is, nu het artikel geen duidelijke richting aangeeft en voor verschillende uitleg vatbaar is.

5.1. Voor het, bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening is slechts plaats indien een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een afwijkingsmogelijkheid zonder enige beperking. Hiervan is in dit geval geen sprake.

[appellant] heeft verder niet onderbouwd dat het college bij de toepassing van deze bevoegdheid willekeurig handelt.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college al sinds 1970 op de hoogte was van het voornemen op het perceel (detail)handelsactiviteiten uit te voeren, het college daarover een toezegging heeft gedaan en verantwoordelijk is voor de thans ontstane situatie en [appellant] om die reden compensatie dient te krijgen, geldt dat dat de Afdeling bij uitspraak van onder meer 27 september 2006 in zaak nr. 200600782/1 heeft overwogen dat de in het verleden door het gemeentebestuur gedane toezegging alleen zag op het aanhouden van een handelsvoorraad op het perceel ten behoeve van het bevoorraden van de verkoopwagen, waarbij de verkoop elders dan op het perceel plaatsvindt. [appellant] heeft de activiteiten van de verkoopwagen reeds gedurende een lange periode feitelijk niet uitgeoefend en kan zich derhalve wat betreft het uitoefenen van detailhandelactiviteiten op het perceel niet beroepen op deze toezegging. Er bestaat geen grond om daar thans anders over te oordelen. Voor het oordeel dat het college verantwoordelijk is voor de situatie en daarom de bij [appellant] ontstane schade dient te vergoeden, bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond.

7. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat, nu artikel 5.3.3 van de planvoorschriften in strijd is met de Dienstenrichtlijn, er recht op compensatie is, faalt, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, van een schending van Dienstenrichtlijn geen sprake is.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

473.