Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2854

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201309635/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7872, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het college het adres van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba) ambtshalve gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309635/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2013 in zaak nr. 13/1343 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het college het adres van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba) ambtshalve gewijzigd.

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen door [appellant] ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft [appellant] verzocht om toekenning van schadevergoeding.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2014, waar het college, vertegenwoordigd door A.G.M. Ostojiç-Hanssen, werkzaam bij de gemeente Albrandswaard, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 47, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie, welke wet op 6 januari 2014 door de Wet basisregistratie personen is vervangen, doch op dit geding nog van toepassing is, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres, indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte.

Ingevolge artikel 83, aanhef, onder d, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat de inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard omdat [appellant] de handelwijze van zijn bewindvoerder en van het forensisch psychiatrisch behandelcentrum aan de kaak wil stellen en dit niet het voorwerp van geschil is in deze procedure.

3. De Afdeling overweegt ambtshalve dat [appellant] beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 19 februari 2013, waarbij het college de ambtshalve wijziging van het adres van [appellant] in de gba heeft gehandhaafd. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan [appellant] daartegen beroep instellen bij de bestuursrechter. Derhalve heeft de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd verklaard. Zij had het beroep ongegrond moeten verklaren.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren. Daartoe wordt overwogen dat de door [appellant] aangevoerde beroepsgronden niet zijn gericht tegen het besluit van 19 februari 2013 en hij ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat dat besluit bijzaak is en hij het daar niet over wil hebben. Gelet hierop behoeft de zaak geen nadere beoordeling door de rechtbank.

5. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

6. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2013 in zaak nr. 13/1343;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

382-816.