Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201308546/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Honselersdijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308546/1/R4.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Honselersdijk, gemeente Westland,

2. [appellanten sub 2] (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Honselersdijk, gemeente Westland,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Honselersdijk, en [appellant sub 3] en anderen (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant sub 3]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Honselersdijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Westland heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2014, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, en [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 3], bijgestaan door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en de raad, vertegenwoordigd door E.J. den Hollander, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein Honselersdijk.

Het beroep van [appellante sub 1]

4. Het beroep van [appellante sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" op het perceel [locatie A] te Honselersdijk, voor zover deze bestemming het niet mogelijk maakt om een nieuwe bedrijfswoning op te richten. [appellante sub 1] wil het recht behouden om op dit perceel een bedrijfswoning op te richten.

4.1 De raad stelt dat in de provinciale verordening en het gemeentelijke beleid is verwoord dat geen (nieuwe) bedrijfswoningen worden toegelaten op bedrijventerreinen. Het plan is daarmee in overeenstemming.

4.2 Aan het perceel [locatie A] zijn de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduidingen "bedrijven tot en met categorie 3.1", "specifieke vorm van bedrijf-5" en "specifieke bouwaanduiding-3" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.2, onder d van de planregels zijn op de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding "bedrijven tot en met categorie 3.1" uitsluitend bedrijven toegestaan uit ten hoogste categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.2, onder h van de planregels is, in afwijking van artikel 4, lid 4.1.1 en lid 4.1.2, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-5" tevens toegestaan een bedrijfsactiviteit met de SBI-code 45.0 en ten hoogste milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

4.3 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening) wijzen bestemmingsplannen voor gronden die zijn gelegen op bedrijventerreinen, zoals aangeduid op kaart 6 van de Verordening, geen bestemmingen aan die nieuwe bedrijfswoningen mogelijk maken.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Verordening dient onder "bestaande functies en bebouwing" te worden verstaan functies en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig zijn, of waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vrijstelling of bouwvergunning is verleend dan wel een aanvraag om vrijstelling of bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend, of die in overeenstemming met deze verordening tot stand zijn gekomen, of waarvoor ontheffing van deze verordening is verleend of wordt geacht te zijn verleend. In alle andere gevallen is sprake van nieuwe functies en nieuwe bebouwing.

4.4 Het betrokken perceel is gesitueerd op een bedrijventerrein zoals aangeduid op kaart 6 die is gehecht aan de Verordening, zodat het verbod ten aanzien van het toestaan van bedrijfswoningen zoals vervat in artikel 8, eerste lid, van de Verordening van toepassing is op het betrokken perceel. De Verordening is in werking getreden op 30 januari 2013. Gelet hierop is het toestaan van een nieuwe bedrijfswoning op dit perceel in strijd met artikel 8, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 1, vierde lid, van de Verordening, en heeft de raad zich bij zijn keuze om aldaar geen bedrijfswoning toe te staan terecht gebaseerd op de Verordening. Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1] kan zich voorts niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein", voor zover aan zijn perceel de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-5" is toegekend. [appellante sub 1] stelt dat deze functieaanduiding het niet mogelijk maakt andersoortige bedrijven te vestigen die vallen onder milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. [appellante sub 1] wenst het recht behouden om alle soorten bedrijven te vestigen die vallen onder milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

5.1 De raad stelt dat direct naast bedrijfswoningen maximaal milieucategorie 3.1 is toegestaan. Een hogere milieucategorie naast bedrijfswoningen acht de raad uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening niet passend. Hiermee komt volgens de raad het woon- en leefklimaat van de bewoners teveel in het geding. Omdat [appellante sub 1] volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten valt onder milieucategorie 3.2, is om die reden voor dit bestaande bouwbedrijf een specifieke bedrijfsaanduiding opgenomen.

5.2 Blijkens de plantoelichting heeft de raad met de milieuzonering en de gehanteerde Staat van Bedrijfsactiviteiten beoogd aan te sluiten bij de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering van 2009 (hierna: VNG-brochure). Verder vermeldt de plantoelichting dat voor de milieuzonering voor bedrijfswoningen met twee afstandsstappen wordt afgeweken van de richtafstanden uit de standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten, omdat voor dit type woningen minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat worden gesteld door de aanwezigheid van het bedrijf en de hinder die dit veroorzaakt en daarnaast binnen het plangebied sprake is van een historisch gegroeide situatie, waarbij het niet bestemmen van de momenteel aanwezige bedrijfswoningen financieel niet haalbaar noch gewenst is. Dit betekent dat in het plangebied direct aangrenzend aan bedrijfswoningen bedrijven uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan en bedrijven uit categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten op een afstand van 30 m van de bedrijfswoning zijn toegestaan.

5.3 In de directe nabijheid van [appellante sub 1] bevindt zich een bedrijfswoning. Gelet daarop heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen afzien op het perceel van [appellante sub 1] in algemene zin bedrijven behorend tot milieucategorie 3.2 toe te staan. Het betoog faalt.

6. Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

7. [appellant sub 2] woont aan de [locatie B] te Honselersdijk. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de aan zijn perceel bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp gewijzigde bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-2". Bij het ontwerpplan was aan dit perceel aanvankelijk de bestemming "Wonen" toegekend. [appellant sub 2] stelt dat deze bestemming ten onrechte is gewijzigd. Als gevolg hiervan wordt zijn woning nog slechts als een grondgebonden bedrijfswoning aangemerkt. Volgens [appellant sub 2] is een burgerwoning op zijn perceel in beginsel aanvaardbaar, wanneer milieucategorie 3.1 op het omliggende perceel wordt gehandhaafd.

7.1 De raad stelt dat in het vorige bestemmingsplan "Honselersdijk Bedrijfsterreinen" voor het perceel [locatie B] de bestemming "Bedrijven" was opgenomen. Volgens hem waren in het ontwerpplan voor dit perceel abusievelijk de bestemming "Wonen" en "Tuin" opgenomen en is daarom de planologische situatie van het perceel bij de vaststelling weer in overeenstemming gebracht met de voorheen bestaande planologische situatie. De raad stelt dat het gemeentelijk en provinciaal beleid erop is gericht om bedrijven op het bedrijventerrein optimaal te kunnen laten functioneren, waarbij het principe van functiescheiding tussen woonfuncties en economische functies geldt. Een woonfunctie op of aan een bedrijventerrein draagt volgens de raad niet bij aan dit principe. De raad stelt derhalve dat het niet wenselijk is aan het perceel [locatie B] de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" toe te kennen.

7.2 Wat betreft de gestelde wijziging van de bestemming van het perceel, stelt de Afdeling voorop dat van een bestemmingswijziging in juridisch opzicht geen sprake is geweest. Niet in geschil is dat aan het perceel van [appellant sub 2] in het voorheen geldende bestemmingsplan "Honselersdijk Bedrijfsterreinen" en de herziening ervan voor het perceel een bedrijfsbestemming was opgenomen. In het voorliggende plan is die bedrijfsbestemming voortgezet. Dat in het ontwerp van het plan de bestemming van het perceel was gewijzigd in een woonbestemming met tuinbestemming, maakt dat niet anders, aangezien de raad het bestemmingsplan ten aanzien van het ontwerp gewijzigd kan vaststellen. De Afdeling is van oordeel dat de raad met de door hem weergegeven motivering in redelijkheid heeft kunnen besluiten de bedrijfsbestemming van het perceel van [appellant sub 2] niet te wijzigen in een woonbestemming. Het betoog faalt.

8. Het beroep van [appellant sub 2] is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" op het perceel [locatie C] te Honselersdijk, voor zover bij deze bestemming de specifieke functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-10" is toegekend. Volgens [appellant sub 2] maakt deze functieaanduiding gelet op de tabel die is opgenomen in artikel 4, lid 4.1.2, van de planregels alle bedrijfsactiviteiten mogelijk die vallen onder milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Aan deze specifieke vorm van bedrijf is volgens [appellant sub 2] geen SBI-code gekoppeld, terwijl een dergelijke beperking tot activiteiten binnen een specifieke SBI-code wel bij de andere genoemde functieaanduidingen in de tabel bij artikel 4, lid 4.1.2, van de planregels is opgenomen. Een dergelijke onbeperkte functieaanduiding acht [appellant sub 2] dan ook onaanvaardbaar, te meer daar de activiteiten kunnen plaatsvinden op een afstand van 2 meter uit de gevel van de woning van [appellant sub 2]. [appellant sub 2] wijst er voorts op dat de door de raad beoogde SBI-code 501 autoplaatwerkerijen, autobeklederijen en autospuitinrichtingen mogelijk maakt, terwijl deze werkzaamheden op dit perceel nooit eerder hebben plaatsgevonden. [appellant sub 2] kan zich dan ook niet verenigen met de door de raad beoogde SBI-code.

8.1 De raad stelt dat abusievelijk in de tabel onder artikel 4, lid 4.1.2, onder h, van de planregels en in bijlage 3 bij de plantoelichting de SBI-code ten behoeve van bedrijven met functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-10" niet is opgenomen.

8.2 Aan het perceel [locatie C] te Honselersdijk is blijkens de verbeelding de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend alsmede de functieaanduidingen "bedrijven tot en met categorie 3.1" en "specifieke vorm van bedrijf-10".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.2, onder h, van de planregels is, in afwijking van artikel 4, lid 4.1.1 en lid 4.1.2, ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf-1 tot en met -11" tevens toegestaan een bedrijfsactiviteit met SBI-code zoals in de in deze bepaling opgenomen tabel genoemd, uit de ten hoogste voor de bedrijfsactiviteit in de in die tabel aangegeven categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

8.3 De Afdeling stelt vast dat in de tabel voor "specifieke vorm van bedrijf -10" ten hoogste milieucategorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is opgenomen, maar dat voor deze functieaanduiding geen SBI-code is vermeld. Hoewel de raad heeft beoogd om in de tabel SBI-code 501, 502 en 504 op te nemen, voorziet de planregeling daar niet in. Nu dit niet is gebeurd, is het besluit in zoverre voorbereid in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.

9. [appellant sub 2] betoogt ten slotte dat het op het perceel [locatie C] aanwezige parkeerterrein als zodanig moet worden bestemd.

9.1 De raad stelt dat met het voorliggende plan beoogd is de bestaande planologische situatie op te nemen. Het vorige plan maakte het mogelijk om ter plaatse 75% van het bouwvlak te bebouwen. De bestemming "Parkeerterrein" brengt volgens de raad een ongewenste beperking van de voorgaande planologische mogelijkheden met zich. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft betoogd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 3]

10. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein", voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie D] te Honselersdijk, en voor zover betrekking hebbend op de bouw- en gebruiksregels van bedrijfswoningen. [appellant sub 3] stelt dat deze regels ten opzichte van het vorige bestemmingsplan een beperking inhouden, wat volgens hem in strijd is met het in het plan gehanteerde uitgangspunt van conservering en actualisatie van bestaande bestemmingen en rechten. [appellant sub 3] wijst erop dat in het plan een maximale inhoudsmaat is opgenomen van 600 m³, terwijl dit voorheen 1200 m³ en na herziening 800 m³ was. Voorts is de herbouw en vergroting van bedrijfswoningen niet toegestaan. Tevens zijn in het plan volgens [appellant sub 3] stringentere bouwregels voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen opgenomen.

10.1 De raad stelt dat het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid erop is gericht om bedrijven op het bedrijventerrein optimaal te kunnen laten functioneren, waarbij het principe van functiescheiding tussen woonfuncties en economische functies geldt. Een woonfunctie op of aan een bedrijventerrein draagt volgens de raad niet bij aan dit principe. Bestaande (bedrijfs-) woningen zijn echter in het voorliggende plan gerespecteerd. De raad stelt dat de regelingen van het vorige bestemmingsplan "Honselersdijk Bedrijfsterreinen" en de herziening van dit plan wat betreft de strook woningen ter plaatse van de Grote Waard 1 tot en met 23 te Honselersdijk ongewijzigd zijn opgenomen in het voorliggende plan. De bouwmogelijkheden voor deze woningen zijn volgens de raad niet beperkt ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Honselersdijk Bedrijfsterreinen". De raad wijst erop dat de maximale inhoudsmaten van 1.200 m³ en 800 m³ slechts konden worden verkregen door middel van een vrijstelling, en niet bij recht waren toegestaan.

10.2 Aan het perceel [locatie D] te Honselersdijk is de bestemming "Bedrijventerrein" met functieaanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.1" en "wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.2, onder o, van de planregels is op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de aanduiding "wonen" tevens wonen toegestaan, met dien verstande dat per bedrijf maximaal één woning is toegestaan;

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder c, is ter plaatse van de aanduiding "wonen" per bedrijf één woning toegestaan met een inhoud van ten hoogste 600 m³.

Ingevolge artikel 11, lid 11.2.2, gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op gronden met de bestemming "Wonen" de volgende regels:

a. het gezamenlijk grondoppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van het zij- en achtererf van de woning tot een maximum van 50 m².

Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a van het vorige bestemmingsplan "Honselersdijk Bedrijfsterreinen - eerste herziening" mocht op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden en Bedrijven" per vestiging ten hoogste 1500 m² worden gebouwd. Ingevolge het tweede lid, onder f, van deze voorschriften mocht de inhoud van een woning niet minder dan 150 m³ en niet meer dan 600 m³ bedragen. Ingevolge het derde lid van deze planvoorschriften konden burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het tweede lid, onder f, voor het vergroten van de maximale inhoudsmaat voor woningen tot maximaal 800 m³.

10.3 De raad heeft ter zitting gesteld dat binnen het plangebied enkel voor de bouwstrook Grote Waard 1 tot en met 24 de specifieke functieaanduiding "wonen" is opgenomen, nu voor deze woningen ook in het vorige bestemmingsplan een dergelijke planregeling was opgenomen.

De Afdeling stelt op basis van de ter zitting overgelegde luchtfoto vast dat op het perceel [locatie D] een vrijstaande woning staat, terwijl op de overige percelen binnen deze bouwstrook bedrijfspanden zijn gelegen, waarin ook een woning is gevestigd. Op zichzelf heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouwmogelijkheden voor deze woningen niet onaanvaardbaar zijn beperkt ten opzichte van het vorige plan, nu de in het vorige plan opgenomen maximale inhoudsmaten van 800 m³ en 1200 m³ niet bij recht waren toegestaan, maar door middel van een vrijstelling konden worden verkregen. De Afdeling acht daarbij de door de raad gemaakte keuze om voor woningen aan te sluiten bij de in het vorige plan bij recht toegestane inhoudsmaat niet onredelijk. Voorts is niet gebleken dat [appellant sub 3] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete bouwplannen had om de ruimere bouwmogelijkheden die door middel van een vrijstelling konden worden verkregen te benutten. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de huidige bebouwings- en gebruiksregels voor het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" heeft kunnen opnemen. Evenwel is ter zitting komen vast te staan dat de op dit perceel aanwezige woning niet gekoppeld is aan een aldaar gevestigd bedrijf. Gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 4.2.1, onder c, van de planregels, brengt de huidige planregeling met zich dat wonen niet is toegestaan op dit perceel, nu immers volgens deze bepaling de aanwezigheid van een woning is gekoppeld aan de aanwezigheid van een bedrijf. Derhalve is de woning onder het overgangsrecht gebracht, hetgeen tot gevolg kan hebben dat [appellant sub 3] in zijn mogelijkheden wordt beperkt. Dit is door de raad niet onderkend. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre is voorbereid in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt.

11. [appellant sub 3] stelt voorts dat de mogelijkheid voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel Grote Waard 14 is geschrapt, terwijl die voor de omliggende percelen wordt gehandhaafd. Volgens [appellant sub 3] ontbreekt hiervoor een toereikende motivering van de raad.

11.1 Ten aanzien van het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel Grote Waard 14, stelt de raad dat de provinciale verordening en het gemeentelijk beleid erop zijn gericht om geen nieuwe (bedrijfs)woningen mogelijk te maken op gronden die liggen op bedrijventerreinen.

11.2 Het betrokken perceel ligt op een bedrijventerrein zoals aangeduid op kaart 6 die is gehecht aan de Verordening. Dit betekent dat het verbod ten aanzien van het toestaan van nieuwe bedrijfswoningen zoals vervat in artikel 8, eerste lid, van de Verordening van toepassing is op dit perceel. Gelet hierop is het toestaan van een nieuwe bedrijfswoning op dit perceel, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.4 is overwogen, in strijd met artikel 8, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 1, vierde lid, van de Verordening en heeft de raad zich bij zijn keuze om geen bedrijfswoning toe te staan terecht gebaseerd op de Verordening. Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met omliggende percelen waar op grond van het plan wel bedrijfswoningen worden toegestaan, wordt overwogen dat deze bedrijfswoningen geen nieuwe bedrijfswoningen maar bestaande bedrijfswoningen zijn en als zodanig zijn bestemd. De Verordening staat hieraan niet in de weg. Het betoog faalt.

Bestuurlijke lus

12. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb, op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe:

a. met inachtneming van rechtsoverweging 8.3 het besluit te wijzigen door het opnemen van een passende SBI-code voor de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-10" in de tabel horende bij artikel 4, lid 4.1.2., onder h van de planregels;

b. met inachtneming van rechtsoverweging 10.3 het besluit te wijzigen door het vaststellen van een nieuwe planregeling voor het perceel [locatie D], waarbij voor de aldaar aanwezige woning een passende planregeling wordt vastgesteld.

13. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Proceskosten

14. Ten aanzien van [appellante sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Westland naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 2] en het beroep van [appellanten sub 3] en anderen op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak:

a. met inachtneming van rechtsoverweging 12 de daar omschreven gebreken te herstellen en;

b. de Afdeling de uitkomst mede te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Wiel w.g. Gerkema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

539-817.