Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201308424/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/816
JOM 2014/833
JOM 2014/916

Uitspraak

201308424/1/R1.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Hilversum,

en

de raad van de gemeente Hilversum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2014, waar [appellanten], bijgestaan door mr. I.M. van der Heijden, advocaat te Den Haag, en de raad vertegenwoordigd door drs. S. Wiedemeijer, werkzaam bij de gemeente, en ing. M. Winkel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De raad voert aan dat het beroep voor zover gericht tegen de wijzigingsbevoegdheid in artikel 12, lid 12.5, onder 12.5.2, van de planregels niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze steunt.

In de zienswijze staat dat [appellanten] zich richten tegen de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied" ter plaatse van de Zandweg, omdat daarmee de Zandweg niet als zodanig is bestemd. In beroep hebben [appellanten] geconcretiseerd dat zij het onder meer oneens zijn met deze bestemming vanwege de omgevingsvergunning die door het bevoegd gezag ingevolge artikel 12, lid 12.5, onder 12.5.2, van de planregels verleend kan worden voor onder meer het veranderen of verleggen van de Zandweg. Gelet hierop berust het beroep van [appellanten] voor zover gericht tegen artikel 12, lid 12.5, onder 12.5.2, van de planregels op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Derhalve is het beroep in zoverre ontvankelijk.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. [appellanten] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied" ter plaatse van de Zandweg langs hun perceel aan de [locatie]. Zij betogen dat ten onrechte niet de bestemming "Verkeer" aan het desbetreffende plandeel is toegekend. Hiertoe voeren zij aan dat deze bestemming de openbare verkeersfunctie van de Zandweg miskent. Voorts betogen zij dat de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied" geen zekerheid biedt over het voortbestaan van de Zandweg in de huidige vorm, nu de planregels voorzien in de mogelijkheid om onder voorwaarden een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen en verleggen van paden en het toetsingskader in artikel 12, lid 12.5, onder 12.5.2, van de planregels geen ruimte laat om het belang van [appellanten] in deze afweging te betrekken.

3.1. De raad voert aan dat aan de Zandweg de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied" is toegekend, vanwege het conserverende karakter van het bestemmingsplan.

3.2. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Natuur - Bos en Heidegebied" aangewezen gronden bestemd voor:

c. de bescherming van bijzondere cultuurhistorisch waardevolle kenmerken en structuren.

Ingevolge lid 12.4, onder 12.4.3, valt onder het doel bescherming van bijzondere cultuurhistorisch waardevolle kenmerken en structuren het assenstelsel en de padenstructuur.

Ingevolge lid 12.5, onder 12.5.1, is het verboden op de in lid 12.1 bedoelde gronden, de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

3. het veranderen, verleggen en/of aanleggen, van wegen en paden.

Ingevolge lid 12.5.2 wordt de omgevingsvergunning verleend, indien is gebleken dat de in lid 12.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige afbreuk aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden geschaad, of kunnen worden verkleind dan wel dat de uitvoering van de werkzaamheden niet noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

3.3. Niet in geschil is dat de Zandweg een pad is als bedoeld in artikel 12, lid 12.4, sub 12.4.3, van de planregels. De Zandweg is in het bestemmingsplan, gelet op de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied", derhalve als zodanig bestemd. Met betrekking tot het betoog dat deze bestemming de openbare verkeersfunctie van de Zandweg miskent, overweegt de Afdeling dat een bestemmingsplan geen betrekking heeft op de openbaarheid van de daarin begrepen gronden. Voorts verbiedt de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied" als zodanig dat de Zandweg veranderd of verlegd wordt. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze bestemming ter plaatse van het bestreden plandeel niet passend is en dat de raad deze bestemming niet in redelijkheid heeft mogen toekennen.

Het betoog faalt.

3.4. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan in een bestemmingsplan worden bepaald dat het bevoegd gezag met inachtneming van de in het bestemmingsplan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan afwijken van bij het bestemmingsplan aan te geven regels.

Met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro wordt beoogd het bevoegd gezag de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het bestemmingsplan af te wijken. Het toekennen van deze bevoegdheid veronderstelt dat het bevoegd gezag in beginsel de keuze moet worden gelaten de omgevingsvergunning tot afwijking van bij het bestemmingsplan aan te geven regels na afweging van de betrokken belangen al dan niet te verlenen.

De Afdeling stelt vast dat de afwijkingsregeling in artikel 12, lid 12.5, onder 12.5.2, van de planregels imperatief is geformuleerd en dat daarmee voor het bevoegd gezag sprake is van een verplichting tot het verlenen van de omgevingsvergunning tot afwijken van bij het bestemmingsplan aangegeven regels, indien aan de in de regeling gestelde voorwaarden wordt voldaan. Weliswaar laat artikel 12, lid 12.5, onder 12.5.2, van de planregels het bevoegd gezag enige beoordelingsruimte of aan de gestelde voorwaarden is voldaan, doch van een mogelijkheid tot belangenafweging ter zake van het verlenen van de omgevingsvergunning tot afwijken van bij het bestemmingsplan aangegeven regels is geen sprake. Naar het oordeel van de Afdeling kan een bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van bij het bestemmingsplan aangegeven regels echter niet zo ver strekken dat onder bepaalde voorwaarden het bevoegd gezag verplicht is een omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog slaagt.

4. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied" ter plaatse van de Zandweg, langs het perceel [locatie], is genomen in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Het beroep is gegrond zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

5. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hilversum van 26 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013", voor zover het betreft de bestemming "Natuur - Bos en Heidegebied" ter plaatse van de Zandweg, langs het perceel [locatie];

III. draagt de raad van de gemeente Hilversum op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder II. genoemde onderdeel wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Hilversum tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Hilversum aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Bosnjakovic

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

410-812.