Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201308109/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:5542, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 31 augustus 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellante] voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 vastgesteld op nihil en het te veel betaalde teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308109/1/A2.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juli 2013 in zaak nr. 12/7234 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 31 augustus 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellante] voor de jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 vastgesteld op nihil en het te veel betaalde teruggevorderd.

Bij besluit van 2 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 november 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.P.M.M. Heijkant, advocaat te Dongen, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E van der Meer, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) in werking getreden. De hier van belang zijnde bepalingen zijn gelijkluidend aan die van de voordien geldende Wet kinderopvang (hierna: Wko).

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wko en artikel 1.1a, eerste lid, van de Wkkp is op de Wko onderscheidenlijk de Wkkp de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 49 (tot 1 januari 2009) en artikel 5 (na 1 januari 2009) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko en artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp heeft een ouder aanspraak op een toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wko en artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52, vanaf 1 januari 2010 artikel 52, eerste lid, van de Wko en artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir, verleent de Belastingdienst/Toeslagen, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en […] de naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 november 2012 in stand moeten blijven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte grond gezien voor herziening van de voorschotten kinderopvangtoeslag, aldus [appellante].

2.1. [appellante] voert daartoe allereerst aan dat de Belastingdienst/Toeslagen - gelet op het tijdsverloop tussen de eerste toekenning van de voorschotten en de latere herziening en de onachtzame wijze waarop de Belastingdienst/Toeslagen met haar belangen is omgegaan - in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 april 2009 in zaak nr. 200803995/1), vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in verbinding met het vierde lid, van de Awir, voort dat aan de verlening van een voorschot kinderopvangtoeslag niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aansprak op toeslag bestaat.

Hieruit volgt dat [appellante] er rekening mee moest houden dat controle achteraf tot wijziging of intrekking van het voorschot kon leiden. Van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is daarom geen sprake. Het betoog faalt.

2.3. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat de kinderopvang op basis een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko heeft plaatsgevonden. De in bezwaar overgelegde overeenkomst was steeds in de administratie van het gastouderbureau aanwezig. Het enkele feit dat [appellante] deze overeenkomst eerst tijdens de bezwaarfase heeft ingebracht doet niet af aan het feit dat deze overeenkomst ten grondslag heeft gelegen aan de in 2008, 2009, 2010 en 2011 genoten opvang. [appellante] betoogt voorts dat, indien de Belastingdienst/Toeslagen twijfelde aan de authenticiteit van de overgelegde overeenkomst, het op zijn weg lag om hiernaar onderzoek te doen.

2.4. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat de in bezwaar overgelegde overeenkomst weliswaar aan de vereisten voldoet, maar [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze overeenkomst al gesloten was toen zij de aanvragen voor kinderopvangtoeslag deed. De Belastingdienst/Toeslagen wijst er in dit verband op dat eerder overeenkomsten zijn overgelegd die niet aan alle vereisten voldeden, dat van het betrokken gastouderbureau vaker pas in bezwaar of beroep nieuwe overeenkomsten zijn overgelegd, via een website van het gastouderbureau telkens nieuwe overeenkomsten kunnen worden opgevraagd en de opmaak van de in bezwaar overgelegde overeenkomsten en de handtekening van de vertegenwoordiger van het gastouderbureau afwijken van de eerder overgelegde overeenkomsten.

2.5. [appellante] heeft naar aanleiding van een verzoek om informatie van de Belastingdienst/Toeslagen van 22 oktober 2011, op 17 november 2011 kopieën van drie schriftelijke overeenkomsten overgelegd, met als ingangsdatum respectievelijk 1 mei 2008, 1 januari 2010 en 1 september 2011 en met een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. Deze overeenkomsten bevatten niet alle gegevens als vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c van de Regeling. In bezwaar heeft zij vervolgens een kopie van een andere schriftelijke overeenkomst overgelegd, met als ingangsdatum 1 mei 2008 en met een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd, die daaraan wel voldoet. Zij heeft geen verklaring gegeven waarom zij deze overeenkomst niet eerder heeft kunnen overleggen. Voorts heeft zij geen verklaring kunnen geven waarom voor dezelfde periode verschillende overeenkomsten zijn opgesteld. Ook wijkt in de in bezwaar overgelegde overeenkomst de handtekening van de vertegenwoordiger van het gastouderbureau af van die in de eerder overgelegde overeenkomsten en komt de opmaak ervan niet met elkaar overeen. Verder heeft [appellante] de stelling van de Belastingdienst/Toeslagen, dat telkens nieuwe overeenkomsten via de website van het gastouderbureau kunnen worden opgevraagd, niet weersproken.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt mocht stellen dat niet geloofwaardig is dat de kinderopvang heeft plaatsgevonden op basis van de door haar in bezwaar overgelegde overeenkomst.

Het betoog faalt.

3. Gelet hierop, behoeven de overige gronden geen bespreking.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

480-809.