Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201305539/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:5701, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2012 heeft de minister een verzoek van [appellant] om kennisneming van de bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) berustende maandoverzichten en Aurora-verslagen die de Binnenlandse Veiligheidsdienst in de jaren 1965 en 1966 heeft opgesteld, afgewezen, voor zover daarin persoonsgegevens, namen van bronnen of nog actuele werkwijzen zijn opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305539/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2013 in zaak

nr. 12/4353 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2012 heeft de minister een verzoek van [appellant] om kennisneming van de bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) berustende maandoverzichten en Aurora-verslagen die de Binnenlandse Veiligheidsdienst in de jaren 1965 en 1966 heeft opgesteld, afgewezen, voor zover daarin persoonsgegevens, namen van bronnen of nog actuele werkwijzen zijn opgenomen.

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de Wiv), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar [appellant], en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. Schaafsma, werkzaam bij de AIVD, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek heropend teneinde nadere schriftelijke inlichtingen in te winnen. De minister heeft desgevraagd de nadere schriftelijke inlichtingen verstrekt, waarop [appellant] bij brief heeft gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, van de Wiv draagt het hoofd van de AIVD zorg voor geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn.

Ingevolge artikel 45 kan van de gegevens, verwerkt door of ten behoeve van een dienst, onverminderd de kennisneming van de op grond van paragraaf 3.3 verstrekte gegevens, slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, deelt onze minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, is artikel 47 van overeenkomstige toepassing op een aanvraag met betrekking tot persoonsgegevens die zijn verwerkt door of ten behoeve van een dienst ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager.

Ingevolge het derde lid wordt de aanvraag niet ontvankelijk verklaard in de gevallen dat blijkt dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op gegevens van een persoon die nog niet is overleden of op gegevens van een overleden persoon die niet de hoedanigheid van echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de aanvrager heeft.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, deelt de minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden, mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens, betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid.

Ingevolge het tweede lid stelt de minister, voor zover een aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, wordt ingewilligd, de aanvrager zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit, in kennis van de betreffende gegevens.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een aanvraag, als bedoeld in artikel 51, afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

Ingevolge het vierde lid is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 47 onderscheidenlijk 50, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 53 onderscheidenlijk 54.

2. Bij het besluit van 9 februari 2012 heeft de minister [appellant] een inzagedossier van 1155 pagina’s toegezonden. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat persoonsgegevens van derden, op grond van artikel 45 van de Wiv, en namen van bronnen en nog actuele werkwijzen, op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet, niet worden verstrekt. Bij het besluit van 9 mei 2012 heeft de minister dat besluit gehandhaafd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister in dit geval ten onrechte de Wiv van toepassing heeft geacht, voor zover in de door hem verzochte stukken persoonsgegevens van derden zijn opgenomen. Hij voert hiertoe aan dat de Wiv slechts van toepassing is op gegevens die door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Namen die worden gebruikt ter illustratie, zoals die van een in 1919 in Berlijn vermoorde communiste, kunnen volgens [appellant] niet worden aangemerkt als namen die door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Indien echter moet worden geoordeeld dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de minister terecht de Wiv op die persoonsgegevens van toepassing heeft geacht, heeft zij volgens [appellant] miskend dat de minister de kennisneming van die gegevens ten onrechte heeft geweigerd. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de Wiv niet voorziet in de mogelijkheid om kennis te nemen van persoonsgegevens van derden, anders dan naaste familieleden die overleden zijn, maar dat voor persoonsgegevens van zeer bekend veronderstelde personen een uitzondering geldt. De rechtbank heeft in dit kader miskend dat veel van de weggelakte gegevens namen zijn van dergelijke personen. De rechtbank overweegt dat de context waarbinnen de betreffende naam wordt gebruikt, kan leiden tot het oordeel dat het persoonsgegeven toch dient te worden geweigerd, maar heeft niet gemotiveerd waarom een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet. Het weigeren van in dit geval de namen van bekende personen, gebeurt volstrekt willekeurig, aldus [appellant].

3.1. Op een verzoek om kennisneming van gegevens die bij de AIVD berusten is uitsluitend de Wiv van toepassing. Ingevolge artikel 45 van de Wiv kan van de gegevens, verwerkt door of ten behoeve van een dienst, slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 van die wet. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Wiv wordt onder het verwerken van gegevens onder meer het vastleggen, bewaren en gebruiken ervan verstaan. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat op het moment dat de AIVD een naam van een persoon opneemt in een van haar stukken, die naam reeds daarom een gegeven is dat door de AIVD wordt verwerkt. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister, voor zover de aanvraag ziet op stukken waarin persoonsgegevens van derden zijn opgenomen, in dit geval ten onrechte artikel 45 van de Wiv van toepassing heeft geacht.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 december 2011 in zaak nr. 201102677/1/H3) is in de artikelen 47 en 50 van de Wiv aan een ieder het recht toegekend om kennis te nemen van hem betreffende persoonsgegevens, onderscheidenlijk persoonsgegevens van naaste familieleden die overleden zijn, doch is niet voorzien in een mogelijkheid om kennis te nemen van persoonsgegevens van derden. In artikel 51 van de Wiv wordt voorts aan een ieder het recht toegekend kennis te nemen van andere dan persoonsgegevens, betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. De minister heeft te kennen gegeven dat een uitzondering wordt gemaakt wanneer het zeer bekende personen betreft van wie de namen op andere wijze eenvoudig zouden kunnen worden achterhaald, maar dat de weigering bepaalde namen te verstrekken in dit geval op juiste wijze is toegepast. Nu de Wiv evenwel geen grondslag biedt voor het oordeel dat de minister de persoonsgegevens van zeer bekende personen dient te verstrekken, indien uit de context van de wel ter kennisneming verstrekte gegevens reeds blijkt op welke persoon de gegevens zien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het enkele feit dat een naam van een zeer bekende persoon om wat voor reden dan ook is weggelakt, niet leidt tot het oordeel dat de minister de bepalingen van de Wiv onjuist heeft toegepast.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte openbaarmaking van een groot aantal passages uit de verslagen van de Aurora-bijeenkomsten heeft geweigerd. Hij voert hiertoe allereerst aan dat de minister openbaarmaking van bepaalde passages heeft geweigerd, omdat die gegevens over bepaalde werkwijzen zouden bevatten, hetgeen geen weigeringsgrond is als bedoeld in de Wiv. Voorts voert hij aan dat niet aannemelijk is dat de geweigerde passages uitsluitend bestaan uit namen van bronnen of gegevens over actuele werkwijzen. De Aurora-bijeenkomsten hadden volgens [appellant] tot doel het bespreken van de ‘highlights’ en actualiteiten. In de verslagen zijn volgens hem geen namen van bronnen vermeld en evenmin wordt uitvoerig ingegaan op actuele werkwijzen. [appellant] verwijst hierbij met name naar de weggelakte titels en nummers van de agendapunten, alsmede naar omschrijvingen van rapportages. Hierbij merkt [appellant] op dat de minister inmiddels een aantal van de rapportages heeft verstrekt waaruit blijkt dat het gaat om "Panorama-verslagen van de dienst".

4.1. De Afdeling heeft kennis genomen van de door de minister vertrouwelijk overgelegde gegevens.

4.2. Wat betreft de gegevens omtrent bronnen en actuele werkwijzen is van belang dat de AIVD zijn wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief kan uitoefenen. De AIVD moet zijn bronnen en actuele werkwijze geheim kunnen houden, omdat het verstrekken ervan ten koste gaat van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD is opgericht. Nu ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv geen gegevens mogen worden verstrekt voor zover de nationale veiligheid daardoor geschaad zou kunnen worden, was de minister gehouden om verstrekking van de gegevens omtrent bronnen en zijn actuele werkwijze te weigeren.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat bepaalde passages zijn geweigerd op grond van de geheimhouding van bepaalde werkwijzen en dat de minister heeft erkend dat het niet gaat om actuele werkwijzen. De rechtbank is er, gelet op de motivering in het besluit van 9 mei 2012, terecht van uitgegaan dat de door [appellant] bedoelde passages zijn geweigerd, omdat deze volgens de minister gegevens over actuele werkwijzen van de AIVD bevatten.

4.3. Gelet op de inhoud van het door [appellant] overgelegde besluit van de minister van 19 september 2012, kenmerk: 4867920/1, en hetgeen [appellant] ter zitting bij de Afdeling naar voren heeft gebracht over de na het besluit van 9 mei 2012 alsnog verstrekte "Panorama-verslagen" heeft de Afdeling het onderzoek na de behandeling ter zitting heropend en de minister bij brief van 16 april 2014 gevraagd om binnen twee weken een nader verweer te geven op het door [appellant] ingediende hoger beroep, voor zover dat ziet op de weggelakte omschrijvingen in de rapportages van 15 en 31 maart 1965, 1 oktober 1965, 14 maart 1966 en 15 juni 1966.

Bij brief van 29 april 2014 heeft de minister te kennen gegeven dat de kennisneming van deze omschrijvingen is geweigerd, omdat de bescherming van bronnen zich daartegen verzet. Volgens de minister kunnen de weggelakte omschrijvingen evenwel alsnog worden verstrekt. De minister heeft de kennisneming van deze omschrijvingen derhalve ten onrechte geweigerd. Het besluit van 9 mei 2012 komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking voor zover de minister daarbij heeft nagelaten het besluit van 9 februari 2012 te herroepen, in zoverre hij daarbij de kennisneming van die omschrijvingen heeft geweigerd.

Het betoog slaagt in zoverre.

4.4. Wat betreft de overige door de minister geweigerde passages in de verslagen van de Aurora-bijeenkomsten heeft de rechtbank terecht overwogen dat die namen van bronnen bevatten dan wel gegevens die inzicht kunnen bieden in nog actuele werkwijzen van de AIVD. De minister heeft zich derhalve op het standpunt mogen stellen dat verstrekking van deze gegevens ten koste zou gaan van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD is opgericht. De rechtbank heeft, gelet op artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv, met juistheid overwogen dat de minister de kennisneming van die gegevens terecht heeft geweigerd.

Het betoog faalt in zoverre.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 9 mei 2012 in stand is gelaten, voor zover de minister daarbij heeft nagelaten het besluit van 9 februari 2012 te herroepen, in zoverre daarbij de kennisneming van de omschrijvingen in de rapportages van 15 en 31 maart 1965, 1 oktober 1965, 14 maart 1966 en 15 juni 1966 is geweigerd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 9 mei 2012 in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 45 van de Wiv. Nu de minister te kennen heeft gegeven dat de weggelakte omschrijvingen aan [appellant] kunnen worden verstrekt, ziet de Afdeling voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal daarom het besluit van 9 februari 2012 herroepen voor zover daarbij de kennisneming van voormelde omschrijvingen is geweigerd en bepalen dat de minister die omschrijvingen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak ter kennisneming aan [appellant] verstrekt.

6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2013 in zaak nr. 12/4353, voor zover daarbij het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 mei 2012, kenmerk: 4791965/01, in stand is gelaten, in zoverre de minister daarbij heeft nagelaten zijn besluit van 9 februari 2012, kenmerk: 4732002/01, te herroepen, in zoverre daarbij de kennisneming van de weggelakte omschrijvingen in de rapportages van 15 en 31 maart 1965, 1 oktober 1965, 14 maart 1966 en 15 juni 1966 is geweigerd;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 9 mei 2012, voor zover daarbij het besluit van die minister van 9 februari 2012, niet is herroepen, in zoverre daarbij de kennisneming van de weggelakte omschrijvingen in de rapportages van 15 en 31 maart 1965, 1 oktober 1965, 14 maart 1966 en 15 juni 1966 is geweigerd;

V. herroept dat besluit van 9 februari 2012 in zoverre;

VI. bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak voormelde omschrijvingen aan [appellant] ter kennisneming verstrekt;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 132,54 (zegge: honderdtweeëndertig euro en vierenvijftig cent), bestaande uit door hem gemaakte reis- en verletkosten;

IX. gelast de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Veenboer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

730.