Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201211720/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:7402, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2012 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201211720/1/V2.

Datum uitspraak: 24 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 11 december 2012 in zaken nrs. 12/36492 en 12/36493 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2012 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 december 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de vreemdeling aan haar opvolgende aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Daartoe betoogt hij dat uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat haar proces van bekering reeds ten tijde van de bestuurlijke fase in de eerdere procedure was aangevangen, zodat zij daarover had kunnen en derhalve had moeten verklaren.

1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

1.3. De vreemdeling heeft eerder een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die bij besluit van 9 maart 2012 is afgewezen. Het besluit van 19 november 2012 is van gelijke strekking als dat van 9 maart 2012, zodat op het tegen eerstgenoemd besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

1.4. Tijdens het nader gehoor van 5 maart 2012, in de eerdere procedure, heeft de vreemdeling verklaard dat zij niet heeft overwogen zich te bekeren. Aan haar opvolgende aanvraag heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat zij is bekeerd tot het christendom. Daartoe heeft zij een doopcertificaat overgelegd waaruit blijkt dat zij op 11 maart 2012 is gedoopt. Voorts heeft zij verklaard dat zij in de weken voorafgaand aan haar doop intensief bijbelonderricht heeft gevolgd.

1.5. De vreemdeling heeft de gestelde bekering in de eerdere procedure niet als asielmotief naar voren gebracht. Nu zij enkele dagen na het nader gehoor in die procedure is gedoopt en zij in de weken voorafgaand aan haar doop intensief bijbelonderricht heeft gevolgd, had zij dat destijds wel kunnen en derhalve moeten doen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2012 in zaak nr. 201109316/1/V2). Reeds daarom klaagt de staatssecretaris terecht dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de vreemdeling geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld aan haar opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De zaak zal naar de rechtbank worden teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij dient de rechtbank met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2014 in zaak nr. 201301155/1/V2 te beoordelen of hetgeen is aangevoerd grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (www.echr.coe.int).

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 11 december 2012 in zaak nr. 12/36492;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Ferment, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Ferment

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2014

284-657.