Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
201305335/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:9223, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 herzien op € 4.891,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305335/1/A2.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2013 in zaken nrs. 12/8680, 12/8682 en 12/8683 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 herzien op € 4.891,00.

Bij afzonderlijke besluiten van 21 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellante] voor de jaren 2009 en 2010 herzien op nihil.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) in werking getreden. De hier van belang zijnde bepalingen zijn gelijkluidend aan die van de voordien geldende Wet kinderopvang (hierna: Wko).

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wko en artikel 1.1a, eerste lid, van de Wkkp is op de Wko onderscheidenlijk de Wkkp de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 5 van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko en artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp heeft een ouder aanspraak op een toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wko en artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52, vanaf 1 januari 2010 artikel 52, eerste lid, van de Wko en artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010 heeft herzien op nihil en de kinderopvangtoeslag over 2011 heeft herzien naar € 4.891,00, omdat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij kosten van kinderopvang heeft betaald.

3. [appellante] betoogt wat betreft de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond kosten van kinderopvang te hebben betaald. Hiertoe voert zij aan dat in 2009 en 2010 de kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst/Toeslagen op de rekening van het gastouderbureau werd gestort en het gastouderbureau dit bedrag, onder inhouding van de bureaukosten, heeft overgemaakt aan de gastouder.

3.1. Op de jaaropgave 2009 is vermeld dat [appellante] in 2009 een bedrag van € 27.816,00 aan kosten voor kinderopvang heeft gehad. Bij besluit van 19 december 2009 is het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2009 vastgesteld op € 28.118,00. Dit bedrag is in één keer op de bankrekening van het[ gastouderbureau A] gestort. De betalingen van [appellante] aan de gastouder zijn via het gastouderbureau verlopen. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] alle kosten van kinderopvang die zij aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft opgegeven en volgens de jaaropgave over 2009 verschuldigd was, heeft betaald.

Op de jaaropgave 2010 is vermeld dat [appellante] in 2010 een bedrag van € 20.400,00 aan kosten voor kinderopvang heeft gehad. Bij besluit van 19 december 2009 is het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2010 vastgesteld op € 23.048,00. Dit bedrag is in maandelijkse termijnen op de bankrekening van het [gastouderbureau A] gestort. Ook de betalingen van [appellante] aan de gastouder over 2010 zijn dus via het gastouderbureau verlopen. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] alle kosten van kinderopvang die zij aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft opgegeven en volgens de jaaropgave over 2010 verschuldigd was, heeft betaald.

Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet alle kosten van kinderopvang die zij volgens de jaaropgaven 2009 en 2010 verschuldigd was heeft betaald.

Dit betekent eveneens dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2009 en 2010 terecht op nihil heeft gesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2) kan, indien de gewijzigde afspraken over de kinderopvang of de betaling daarvan tijdig aan de Belastingdienst/Toeslagen zijn doorgegeven en deze in de jaaropgave van het gastouderbureau tot uitdrukking komen, de aanspraak op kinderopvangtoeslag berekend worden aan de hand van het op de jaaropgave vermelde bedrag aan kosten voor kinderopvang, namelijk indien deze jaaropgave het daadwerkelijk genoten aantal uren kinderopvang per kind en de daarvoor afgesproken prijs vermeldt.

Gelet hierop heeft de rechtbank miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen aan de hand van de jaaropgaven de hoogte van de kinderopvangtoeslag waar [appellante] over 2009 en 2010 recht op heeft, had moeten berekenen. Indien na die berekening blijkt dat de ouder een te hoog voorschot heeft gehad, dient de Belastingdienst/Toeslagen tot terugvordering over te gaan van het verschil tussen het voorschot en de definitieve berekening.

Het betoog slaagt.

4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond van [appellante] beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

4.1. [appellante] betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft miskend dat aan de kinderopvang in 2009 en 2010 een overeenkomst als bedoeld in artikel 52, vanaf 1 januari 2010 artikel 52, eerste lid, van de Wko ten grondslag ligt.

4.2. [appellante] heeft hangende beroep een aantal aktes van overeenkomsten overgelegd. Geen van deze aktes wijzen echter op een overeenkomst tussen vraagouder en gastouderbureau als hiervoor bedoeld. Zo zijn aktes van overeenkomsten tussen gastouderbureau en gastouder en tussen gast- en vraagouder overgelegd. Daarnaast heeft [appellante] aktes van overeenkomsten tussen vraagouder en gastouderbureau overgelegd, waarin het uurtarief en de ingangsdatum ontbreken.

Het betoog faalt.

5. Het voorgaande betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] voor de jaren 2009 en 2010 geen aanspraak heeft op voorschot kinderopvangtoeslag.

6. [appellante] voert wat betreft het voorschot kinderopvangtoeslag over 2011 aan dat de rechtbank heeft miskend dat zij ook voor de eerste zeven maanden van 2011 voor kinderopvang gebruik heeft gemaakt van [gastouderbureau B]. Zij verwijst hierbij naar een overeenkomst met dit gastouderbureau. Voorts stelt zij kosten van kinderopvang te hebben betaald.

6.1. Bij besluit van 4 december 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2011 vastgesteld op € 22.974,00. Bij besluit van 27 januari 2012 is het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 herzien vastgesteld op € 4.891,00. Dit besluit is gehandhaafd bij het besluit van 31 juli 2012. Hieraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen onder meer ten grondslag gelegd dat in 2011 de bemiddeling niet meer heeft plaatsgevonden door [gastouderbureau A], maar door [gastouderbureau B].

[appellante] heeft een akte van overeenkomst tussen haar en het [gastouderbureau B] van 28 mei 2011 overgelegd. Voorts heeft zij een bankafschrift van het gastouderbureau met betalingen aan de gastouder en facturen van het gastouderbureau over de laatste vijf maanden van 2011 overgelegd. Op de door [appellante] overgelegde ‘[gastouderbureau B] Eindafrekening 2011’ is vermeld dat zij in 2011 over de laatste vijf maanden een bedrag van 5 x € 981,60, in totaal € 4.908,00, aan kosten voor kinderopvang heeft gehad. [appellante] heeft hiermee haar betoog dat zij voor geheel 2011 gebruik heeft gemaakt van [gastouderbureau B] niet onderbouwd. Nu zij niet heeft aangetoond dat zij voor de eerste zeven maanden van 2011 eveneens gebruik heeft gemaakt van [gastouderbureau B] faalt haar betoog.

7. Het hoger beroep is gegrond. Nu echter de beslissing van de rechtbank juist is, dient de aangevallen uitspraak, wat betreft het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010 met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Een redelijke toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

85-809.