Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201405304/1/V2 en 201405304/2/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij brief, bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, binnengekomen op 17 juli 2013, heeft verzoeker de rechtbank verzocht de uitspraak van 10 september 2010 in zaak nr. 10/27326, waarbij het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van de minister van Justitie (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) van 28 juli 2010 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en bepaald is dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201405304/1/V2 en 201405304/2/V2.

Datum uitspraak: 11 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vreemdelingenwet 2000, op het verzoek van:

[de vreemdeling],

om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2011 in zaak nr. 201009145/1/V2.

Procesverloop

Bij brief, bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, binnengekomen op 17 juli 2013, heeft verzoeker de rechtbank verzocht de uitspraak van 10 september 2010 in zaak nr. 10/27326, waarbij het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van de minister van Justitie (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) van 28 juli 2010 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en bepaald is dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, te herzien.

Bij uitspraak van 20 juni 2014 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het door de vreemdeling ingediende verzoek om herziening kennis te nemen en het verzoek doorgezonden aan de Afdeling. Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft tegen voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2010 hoger beroep ingesteld, waarbij hij onder meer is opgekomen tegen het oordeel in de uitspraak van de voorzieningenrechter ten aanzien waarvan hij bij voormelde brief herziening heeft verzocht. De Afdeling heeft voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2010 bij uitspraak van 29 april 2011 in zaak nr. 201009145/1/V2 bevestigd, waarbij zij inhoudelijk op dit punt heeft beslist. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2012 in zaak nr. 201102903/1/V4 volgt, dat het herzieningsverzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2011, zodat daarop door de Afdeling dient te worden beslist. De rechtbank heeft het verzoek om herziening daarom terecht doorgezonden aan de Afdeling.

2. De vreemdeling betoogt - samengevat weergegeven - dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 10 september 2010 ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Hiertoe voert hij aan dat uit het door hem overgelegde artikel uit de Volkskrant van 30 augustus 2011, het artikel uit The Telegraph van 26 augustus 2011, alsmede uit twee interviews uitgezonden op Al Jazeera, die op 29 augustus, respectievelijk 1 september 2011, op www.youtube.com zijn geplaatst, volgt, dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat [dochter] van voormalig leider van Libië, ten tijde van belang niet meer in leven was.

3. Het verzoek is aldus ongeveer één jaar en tien maanden nadat de vreemdeling redelijkerwijs bekend kon zijn met de nieuwe feiten en omstandigheden, ingediend. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die tot het oordeel leiden dat de indiening redelijkerwijs niet eerder kon worden gedaan, is die indiening onredelijk laat. Voor dit oordeel is aansluiting gezocht bij artikel 6:12, eerste en vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat een bezwaar of beroep dat niet aan een termijn is gebonden, niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien het onredelijk laat is ingediend. Reeds hierom wordt niet toegekomen aan de vraag of de in rechtsoverweging 2. vermelde informatie feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.

4. Het verzoek om herziening is kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk;

II. wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Duyster

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2014

664.