Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2816

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201404839/2/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend optreden jegens [belanghebbende] wegens het bouwen van sleufsilo’s op het perceel aan de [locatie] te Weerselo (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404839/2/A4.

Datum uitspraak: 17 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 3 juni 2014 in zaken nrs. 14/1004 en 14/1005 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2013 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend optreden jegens [belanghebbende] wegens het bouwen van sleufsilo’s op het perceel aan de [locatie] te Weerselo (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 28 maart 2014 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek onder wijziging van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 3 juni 2014 heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 maart 2014 vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Bij wijze van voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen erop toe te zien dat geen bouwwerkzaamheden aan twee (nieuwe) sleufsilo’s op het perceel [locatie] worden ontplooid, tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft het college tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 juli 2014, waar het college, vertegenwoordigd door F. Veenhuizen, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en ing. K. van ’t Hoff, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ingevolge het voor het perceel geldende bestemmingsplan "Weerselo Kern" mogen kuilvoerplaten - waaronder, zoals ter zitting is bevestigd, ook sleufsilo’s worden begrepen - uitsluitend worden gebouwd op gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf" (hierna: "sa-ab"). Dit bestemmingsplan is bij uitspraak van de Afdeling van 18 september 2013 in zaak nr. 201207314/1/R1 vernietigd, voor zover het betreft de functieaanduiding "sa-ab" voor het perceel [locatie], niet zijnde bouwvlak. Gebleken is dat op het perceel na 18 september 2013 buiten het bouwvlak een sleufsilo is gerealiseerd, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

3. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat ten tijde van het besluit van 28 maart 2014 concreet zicht op legalisatie bestond. Volgens het college heeft, anders dan waarvan de voorzieningenrechter is uitgegaan, het gedeelte van het perceel waarop de sleufsilo is gerealiseerd, in het op 28 maart 2014 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan "[locatie] te Weerselo" wederom de functieaanduiding "sa-ab" gekregen, zodat het ontwerpbestemmingsplan ter plaatse sleufsilo’s toestaat.

4.1. Om concreet zicht op legalisatie in verband met een nieuw bestemmingsplan te kunnen aannemen, is ten minste vereist dat een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, waarbinnen de bouw en het gebruik, waarop het handhavingsverzoek ziet, passen. In dat geval bestaat echter geen concreet zicht op legalisatie, indien op voorhand duidelijk is dat het ontwerpbestemmingsplan geen rechtskracht zal verkrijgen.

4.2. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het ontwerpbestemmingsplan alleen ziet op het achterste gedeelte van het perceel, waarop geen bouwvlak rust. De voorzieningenrechter heeft eveneens terecht overwogen dat ingevolge artikel 3.2.3, aanhef en onder a, van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan slechts kuilvoerplaten mogen worden gebouwd binnen de aanduiding "sa-ab". Vervolgens heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de aanduiding "sa-ab" op het betrokken perceelgedeelte niet meer voorkomt. Deze overweging is echter onjuist. Het betrokken perceelgedeelte heeft in het op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar gestelde ontwerpbestemmingsplan wel de functieaanduiding "sa-ab". Dit betekent dat de bouw en het gebruik van kuilvoerplaten op dit perceelgedeelte, anders dan waarvan de voorzieningenrechter is uitgegaan, passen binnen het ontwerpbestemmingsplan. De voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat ten tijde van het nemen van het besluit van 28 maart 2014 op voorhand duidelijk was dat het ontwerpbestemmingsplan geen rechtskracht zou verkrijgen. Gelet hierop bestond naar het voorlopige oordeel van de voorzitter ten tijde van het nemen van dat besluit concreet zicht op legalisatie van de op het perceel aanwezige sleufsilo.

5. De voorzitter ziet, gelet op het voorgaande en bij afweging van de belangen, aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

schorst de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 3 juni 2014 in zaken nrs. 14/1004 en 14/1005.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2014

462-784.