Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201404334/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:6088, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 59a
Vreemdelingenwet 2000 62
Vreemdelingenwet 2000 62c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/282

Uitspraak

201404334/1/V3.

Datum uitspraak: 14 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 mei 2014 in zaak nr. 14/10271 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de maatregel van bewaring krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kon worden opgelegd zonder dat daaraan voorafgaand een overdrachtsbesluit is genomen.

De vreemdeling betoogt hiertoe dat het nemen van een overdrachtsbesluit na de inbewaringstelling en de instemming van de aangezochte lidstaat met het over- of terugnameverzoek tot gevolg heeft dat het rechtmatig verblijf dat een Dublinclaimant krachtens artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000 na afwijzing van zijn asielaanvraag verkrijgt, direct moet worden beëindigd in het overdrachtsbesluit en dat de vertrektermijn moet worden verkort tot nul dagen. Gelet hierop en nu het overdrachtsbesluit vergelijkbaar is met een terugkeerbesluit, dient dit voorafgaand aan de inbewaringstelling te worden genomen, aldus de vreemdeling.

1.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening), voor zover thans van belang, stelt de verzoekende lidstaat de betrokkene in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen, wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder c of d.

Ingevolge artikel 28, derde lid, voor zover thans van belang, duurt de termijn voor het indienen van een overname- of terugnameverzoek niet langer dan een maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek, wanneer een persoon op grond van dit artikel in bewaring wordt gehouden.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland na afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.

Ingevolge artikel 44a, eerste lid, geldt, indien een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, de beschikking waarbij deze aanvraag wordt afgewezen als overdrachtsbesluit en heeft zij van rechtswege tot gevolg dat:

a. de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, eerste lid, onder m; (…)

c. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62c gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden overgedragen.

Ingevolge artikel 59a, eerste lid, kan de staatssecretaris vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.

Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, kan de staatssecretaris de voor de vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 62c, eerste lid, dient een vreemdeling Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten nadat tegen hem een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd.

Ingevolge het tweede lid is artikel 62, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het vierde lid eindigt het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m, van rechtswege nadat de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd.

1.2. Nu het overdrachtsbesluit ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening eerst wordt genomen, nadat de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met het verzoek om over- of terugname, terwijl ingevolge artikel 28, derde lid, ook vreemdelingen ten behoeve van wie nog geen over- of terugnameverzoek is ingediend in bewaring kunnen worden gesteld, is het overdrachtsbesluit geen voorwaarde voor inbewaringstelling en kan dit in voorkomende gevallen eerst na de inbewaringstelling van de vreemdeling worden genomen.

Dat de in artikel 62c, eerste lid, van de Vw 2000 bedoelde vertrektermijn in die gevallen tot nul dagen zal moeten worden verkort, doet daaraan niet af. Nu voor de inbewaringstelling van de vreemdeling krachtens artikel 59a van de Vw 2000 reeds is vereist dat een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, kan de staatssecretaris in het overdrachtsbesluit ingevolge artikel 62c, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 62, aanhef en onder a van de Vw 2000, bepalen dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten.

Door te betogen dat het rechtmatig verblijf krachtens artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000 in het overdrachtsbesluit moet worden beëindigd, heeft de vreemdeling niet onderkend dat dit verblijfsrecht ingevolge artikel 62c, vierde lid, van de Vw 2000 van rechtswege eindigt, noch dat voor de inbewaringstelling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 niet is vereist dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Voorts betreft het overdrachtsbesluit ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening slechts de kennisgeving van het besluit om een vreemdeling over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en wordt daarin, anders dan in een terugkeerbesluit, niet vastgesteld dat het verblijf van een vreemdeling in Nederland illegaal is of wordt.

De grief faalt in zoverre.

2. Hetgeen de vreemdeling voor het overige in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2014

347-699.