Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201402110/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402110/1/V1.

Datum uitspraak: 18 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken (lees: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 februari 2014 in zaak nr. 13/10333 in het geding tussen, voor zover thans van belang:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2013 (hierna: het besluit) heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 februari 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de inwilliging van een opvolgende aanvraag om verlening van een mvv van één van de halfzusters (hierna: de halfzuster) van de vreemdeling bij besluit van 3 december 2013, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van haar moeder (hierna: de referente) uit Somalië feitelijk tot haar gezin behoorde, slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris voormelde aanvraag van de halfzuster heeft ingewilligd op basis van het in paragraaf C2/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals luidend ten tijde van dat besluit, opgenomen uitgangspunt dat de biologische band tussen ouders en biologische minderjarige kinderen als feitelijke gezinsband wordt aangemerkt. Dit beleid is niet van toepassing op de vreemdeling.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris haar in de gelegenheid had moeten stellen om correcties en aanvullingen in te dienen op het verslag van het identificerend gehoor op 30 mei 2012 op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba, Ethiopië (hierna: het gehoor).

4.1. Nu er geen rechtsregel is die de staatssecretaris verplichtte om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen om aanvullingen en correcties op het verslag van het gehoor in te dienen voordat hij een besluit nam op haar aanvraag (uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2012 in zaak nr. 201200425/1/V1) en de vreemdeling niets heeft aangevoerd waaruit valt af te leiden dat zij in haar processuele belangen is geschaad doordat de staatssecretaris eerst bij de heroverweging van het besluit van 29 oktober 2012 haar reactie op de besluitvorming en voormeld gehoor heeft betrokken, faalt de beroepsgrond.

5. De vreemdeling heeft onder verwijzing naar het rapport "Identificerende gehoren met Somalische nareizigers op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba" aangevoerd dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld nu hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder en de wijze waarop het gehoor heeft plaatsgevonden. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat de tolk geen beëdigde tolk was als bedoeld in de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv), dat hij van het Somalisch naar het Engels heeft vertaald en omgekeerd, dat zij geen scholing heeft genoten, getraumatiseerd is en niet durfde in te grijpen als zij een vraag niet begreep.

5.1. Nederlandse ambassades en consulaten worden niet vermeld in artikel 28, eerste lid, van de Wbtv als diensten of instanties die zijn gehouden om in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik te maken van beëdigde tolken en vertalers. Evenmin zijn zij ingevolge een ministeriële regeling krachtens het tweede lid als zodanig aangewezen (voormelde uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2012).

De vreemdeling heeft niet toegelicht op welke manier de verschillen tussen haar verklaringen en die van referente en de halfzuster kunnen worden verklaard door de wijze waarop het gehoor heeft plaatsgevonden of de wijze waarop de vragen of de verklaringen tijdens het gehoor zijn vertaald. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat de vreemdeling heeft verklaard dat er geen medische of andere redenen waren waarom het gehoor niet plaats zou kunnen vinden, dat zij de tolk goed heeft begrepen en verstaan en dat zij geen op- of aanmerkingen had over het verloop van het gesprek. Voorts blijkt uit het verslag van het gehoor dat de gehoormedewerker het doel van het gehoor en de gang van zaken daarbij heeft toegelicht, dat hij heeft geverifieerd of de vreemdeling en de tolk dezelfde taal spreken en dat hij in eenvoudige bewoordingen vragen heeft gesteld over basale onderwerpen.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat zij plausibele verklaringen heeft gegeven voor de door de staatssecretaris tegengeworpen tegenstrijdige, wisselende, vage en summiere verklaringen over het tijdstip en de plaats van het afscheid van de referente, het werk van de referente, het werk van de echtgenoot van de referente, tevens de stiefvader van de vreemdeling, de leeftijden van de vreemdeling onderscheidenlijk haar halfbroers en -zusters, het bidden, het doen van de boodschappen, het schoonmaken en de inrichting en omheining van de woning.

6.1. De door de vreemdeling gegeven verklaringen houden in dat zij zich heeft vergist in het tijdstip en de plaats van het afscheid van de referente, dat zij vragen verkeerd heeft begrepen en zaken door elkaar heeft gehaald doordat zij niet gewend is om te worden gehoord, dat zij veel heeft meegemaakt in Somalië, dat zij weinig contact met haar stiefvader had, dat het niet vreemd is dat zij de leeftijden van haar halfbroers en -zusters niet wist nu zij haar eigen leeftijd ook niet wist, dat de gebedskleden geen vaste plek in huis hadden en dat in Somalië een beperkt tijdsbesef heerst. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij hiermee geen plausibele verklaringen heeft gegeven als hiervoor bedoeld en dat zij, nu het gaat om onderwerpen die relevant zijn voor de vaststelling van de feitelijke gezinsband, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van de referente uit Somalië feitelijk tot haar gezin behoorde.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikelen 4 en 9 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) faalt, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 19 oktober 2010 in zaak nr. 201001188/1/V1 en van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705142/1).

8. De beroepsgrond dat de staatssecretaris ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om krachtens artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het beleid, faalt. De vreemdeling heeft, buiten haar onder 7. besproken beroep op artikel 8 van het EVRM, niet toegelicht welke omstandigheden er zijn die niet geacht kunnen worden bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en die tot afwijking van dat beleid zouden moeten nopen.

9. Voor zover de vreemdeling een beroep heeft gedaan op de brieven van 16 juli 2012 en 2 april 2013 van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel onderscheidenlijk de staatssecretaris aan de voorzitter van de Tweede onderscheidenlijk Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2011/12, 19 637, nr. 1568 onderscheidenlijk Kamerstukken I 2012/13, 31 549, M, blz. 7-9), faalt de beroepsgrond reeds omdat hierin niet is vermeld dat niet langer wordt vastgehouden aan het vereiste dat een meerderjarig kind aannemelijk maakt feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon te hebben behoord.

10. De beroepsgrond dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten de in verband met het gemaakte bezwaar gemaakte kosten te vergoeden omdat hij het besluit van 29 oktober 2012 had moeten herroepen vanwege een aan hem te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb, faalt reeds omdat de staatssecretaris het besluit van 29 oktober 2012 gelet op het voorgaande terecht niet heeft herroepen.

11. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond over de wijze waarop de staatssecretaris de leeftijd van de vreemdeling heeft vastgesteld, komt de Afdeling niet toe. Over die grond heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze grond, dan wel onderdelen van het besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze grond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 februari 2014 in zaak nr. 13/10333, voor zover aangevallen;

III. verklaart het beroep in zoverre ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Hartsuiker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2014

620-716.