Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201402717/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 6 maart 2014 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend om het college te veroordelen tot vergoeding van schade die hij lijdt of zal lijden wegens, naar hij stelt, een onrechtmatig besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/791

Uitspraak

201402717/1/A2.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te Soest,

om het college van burgemeester en wethouders van Soest te veroordelen tot vergoeding van schade.

Procesverloop

Bij brief van 6 maart 2014 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend om het college te veroordelen tot vergoeding van schade die hij lijdt of zal lijden wegens, naar hij stelt, een onrechtmatig besluit.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2014, waar [verzoeker], en het college, vertegenwoordigd door G. Huttinga, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:

a. een onrechtmatig besluit;

b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;

c. het niet tijdig nemen van een besluit;

d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.

Ingevolge artikel 8:94, eerste lid, zijn op het verzoek en de behandeling daarvan de artikelen 8:81 tot en met 8:87 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel IV, eerste lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: de Wns) blijft op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

De Wns is, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, op 1 juli 2013 in werking getreden.

2. [verzoeker] heeft de Afdeling verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade die hij stelt te lijden als gevolg van de brief van het college van 11 juli 1994.

3. In de in de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb geregelde verzoekschriftprocedure inzake vergoeding van schade veroorzaakt door onrechtmatig overheidshandelen kan om vergoeding van schade in verband met een onrechtmatig besluit of het niet tijdig nemen van een besluit worden verzocht (artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c). Onderdeel d van artikel 8:88, eerste lid, heeft betrekking op handelingen jegens ambtenaren en ander overheidspersoneel, als bedoeld in die bepaling, en is niet op het geval van [verzoeker] van toepassing.

3.1. De brief van 11 juli 1994 bevat de mededeling dat het college niet zal meewerken aan de vestiging van een dubbele woonbestemming op het perceel [locatie] en dat in het geval van overtreding van de voorschriften van het bestemmingsplan bestuurlijke handhavingsmaatregelingen zullen volgen. Met deze mededeling over het toegestane gebruik op het perceel is geen nieuw of ander rechtsgevolg ingetreden dat niet reeds voortvloeide uit het destijds geldende bestemmingsplan. De door [verzoeker] geschetste gevolgen zijn geen rechtsgevolgen die zijn ingetreden door deze mededeling. Anders dan [verzoeker] betoogt, is deze mededeling dus niet gericht op rechtsgevolg. De brief van 11 juli 1994 is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

[verzoeker] heeft in het verzoek om vergoeding van schade uitdrukkelijk de brief van 11 juli 1994 als schadeoorzaak vermeld. Dat, zoals hij stelt, het college na de brief van 11 juli 1994 besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb jegens hem heeft genomen, doet er niet aan af dat hij in zijn verzoek geen besluit in de zin van deze bepaling heeft aangewezen dat de door hem gestelde schade zou hebben veroorzaakt. In dit verband verdient nog opmerking dat uit het in artikel IV, eerste, lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt, dat de verzoekschriftprocedure ingevolge de artikelen 8:88 tot en met 8:95 niet van toepassing is op schade veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt voor 1 juli 2013.

3.2. Gezien het vorenoverwogene is de Afdeling niet bevoegd kennis te nemen van het verzoek van [verzoeker] om het college te veroordelen tot vergoeding van schade en moet dit verzoek daarom worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

710.