Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201203167/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Amsteleiland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203167/1/R1.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Amstelveen,

en

de raad van de gemeente Amstelveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Amsteleiland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2012, waar [appellant] en anderen, bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.A.M. van der Lee, en de raad, vertegenwoordigd door M. Maarschalk en P.C. Vermond, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. H.T. Ziengs, werkzaam bij de provincie, en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Eiland in de Amstel B.V. en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V., beide vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Naaldwijk.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de raad, het college van gedeputeerde staten en Eiland in de Amstel B.V. en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V. in de gelegenheid te stellen te reageren op een door [appellant] en anderen ingediend nader stuk van 7 november 2012.

Bij brieven van 4, 5 en 10 december 2012 hebben de raad, het college van gedeputeerde staten en Eiland in de Amstel B.V. en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V. schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en anderen, de raad, het college van gedeputeerde staten en Eiland in de Amstel B.V. en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V. bij brieven van 20 december 2012 en 17 en 24 januari 2013 schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

Bij tussenuitspraak van 13 maart 2013, nr. 201203167/1/T1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 8 februari 2012 te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft bij besluit van 24 april 2013 het bestemmingsplan "Amsteleiland" opnieuw vastgesteld.

[appellant] en anderen hebben hiertegen een zienswijze naar voren gebracht.

De raad heeft een nadere reactie ingediend.

Eiland in de Amstel B.V. en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V. en [appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak wederom ter zitting behandeld op 9 oktober 2013, waar [appellant] en anderen, bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.A.M. van der Lee, en de raad, vertegenwoordigd door M. Maarschalk en P.C. Vermond, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Eiland in de Amstel B.V. en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V., beide vertegenwoordigd door M. Krol, mr. L. Haver Droeze en mr. J. Geelhoed, advocaat te Naaldwijk.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

1.1. De Afdeling merkt het besluit van 24 april 2013 aan als besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Vast staat dat [appellant] en anderen belang hebben bij de beoordeling van dat besluit. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, is het beroep van [appellant] en anderen dan ook van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 24 april 2013.

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 11.2 als volgt overwogen.

"In de Nota van Uitgangspunten (hierna: NvU) is vermeld dat er bij de inrichting van de oostoever voor dient te worden gezorgd dat het rietland niet kan worden beschadigd door de inrichting van de oever op een zodanige manier vorm te geven dat de tuinen niet direct aan de oevers grenzen. Dat kan bijvoorbeeld met een tussensloot of andere fysieke belemmering, aldus de NvU.

Voorts is in de plantoelichting vermeld dat als bescherming van de aangrenzende rietkragen in de oude rivierarm een (bebouwingsvrije) plas-draszone zal worden aangelegd met een breedte van 5-10 m op de grens met de tuinen. De ecologische kwaliteit van de oostoever is hiermee duurzaam beschermd, aldus de plantoelichting.

In de planregels en op de verbeelding behorende bij het plan is een fysieke belemmering in vorenbedoelde zin echter niet opgenomen. Op de verbeelding is weergegeven dat de gronden waaraan aan de oostzijde van het eiland de bestemming "Tuin" is toegekend, onmiddellijk grenzen aan de gronden waaraan de bestemming "Water" is toegekend.

Ter zitting is voorts van de zijde van de raad meegedeeld dat bij het toekennen van de aanduiding "ecologische waarde" op de verbeelding is aangesloten bij de kadastrale ondergrond waarop de kern van de rietkraag is aangegeven. Niet uitgesloten is echter dat de rietkraag zowel ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Water" is toegekend, als ter plaatse van de gronden waaraan de bestemming "Tuin" is toegekend voorkomt. Aan de gronden waaraan de bestemming "Tuin" is toegekend, is echter niet tevens een met de aanduiding "ecologische waarde" vergelijkbare aanduiding toegekend. In zijn reactie van 4 december 2012 heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat zijn intentie ten aanzien van de bescherming van de rietkraag met de huidige artikelen 4 en 6 van de planregels onvoldoende is gewaarborgd.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, oordeelde de Afdeling dat het bestemmingsplan in zoverre is voorbereid in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid."

De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen in overweging 11.2. is overwogen aan de gronden waaraan de bestemming "Tuin" is toegekend een met de aanduiding "ecologische waarde" vergelijkbare aanduiding toe te kennen en de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

3. Het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 8 februari 2012 is in zoverre gegrond. Dat besluit dient, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Tuin" alsmede de artikelen 4 en 6 van de planregels, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 8 februari 2012 is voor het overige ongegrond.

4. In het bestemmingsplan "Amsteleiland" dat op 24 april 2013 geheel opnieuw is vastgesteld, heeft de raad de artikelen 4 en 6 van de planregels gewijzigd. Aan artikel 4 van de planregels, dat ziet op de gronden waaraan de bestemming "Tuin" is toegekend, is de mogelijkheid toegevoegd dat de aanduiding "ecologische waarde" aan die gronden wordt toegekend. Voorts is artikel 6 van de planregels, dat ziet op de gronden waaraan de bestemming "Water" is toegekend, aangepast in verband met het verruimen van de ecologische waarde. Voorts heeft de raad op de verbeelding aan de bestemming "Tuin", gelegen aan de oostelijke oever van het Amsteleiland, de aanduiding "ecologische waarde" toegekend en is ten aanzien van de bestemming "Water" de oppervlakte van de gronden waaraan de aanduiding "ecologische waarde" is toegekend, verruimd.

5. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (hierna: de Wab) in werking getreden. Nu het besluit van 8 februari 2012 bekend is gemaakt vóór 1 januari 2013 volgt uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van deel C, van die wet dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet van toepassing is op het geding, zoals dat ten tijde van de tussenuitspraak bij de Afdeling aan de orde was. Dit recht is evenwel niet van toepassing op het in navolging van de tussenuitspraak genomen besluit van 24 april 2013. Op dit besluit is het recht, zoals dat geldt sinds 1 januari 2013 van toepassing.

6. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

7. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wab (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever ten aanzien van artikel 8:69a van de Awb heeft willen aansluiten bij artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet. Ook met artikel 8:69a van de Awb heeft de wetgever de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

8. [appellant] en anderen betogen - samengevat weergegeven - dat de door de raad gewijzigde artikelen 4 en 6 van de planregels alsmede de aanpassing van de verbeelding niet leiden tot de door de raad beoogde bescherming van de ter plaatse van het Amsteleiland aanwezige ecologisch waardevolle rietkraag.

8.1. Gelet op hetgeen hiervoor in 7 is overwogen is van belang om vast te stellen of de door [appellant] en anderen ingeroepen normen kennelijk niet strekken ter bescherming van hun belangen. [appellant] en anderen wonen in de directe nabijheid van het plangebied. Hun belangen bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving zijn in dit geval dermate verweven met het algemeen belang gemoeid met behoud van de ecologisch waardevolle rietkraag ter plaatse van het Amsteleiland, dat niet kan worden geoordeeld dat de door hen ingeroepen normen - die betrekking hebben op hetgeen een goede ruimtelijke ordening op dit punt vereist - kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De raad kan gelet hierop niet worden gevolgd in zijn betoog dat artikel 8:69a van de Awb aan een eventuele vernietiging op dit punt van het besluit van 24 april 2013 in de einduitspraak in de weg staat.

9. [appellant] en anderen betogen in hun zienswijze op het besluit van 24 april 2013 dat de formulering van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels een belangrijke inperking inhoudt ten opzichte van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels behorende bij het besluit van 8 februari 2012, nu hierin uitsluitend het behoud van de aldaar voorkomende ecologische en/of natuurlijke waarden is gewaarborgd en de doelstelling "herstel en ontwikkeling van de ecologische en/of natuurlijke waarden" is weggelaten. De bescherming ziet gelet hierop volgens [appellant] en anderen ten onrechte uitsluitend op de reeds aanwezige ecologische en/of natuurlijke waarden. Door de nieuwe, beperkte formulering ook toe te voegen aan artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder i, van de planregels, is de bescherming van de ecologische en natuurlijke waarden van de gronden met de bestemming "Tuin" met de aanduiding "ecologische waarden" eveneens ten onrechte slechts conserverend van aard.

9.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor het behoud van de aldaar voorkomende ecologische en/of natuurlijke waarden van de gronden, water en oevers in de vorm van een met riet begroeide plas/dras zone ter plaatse van de functieaanduiding "ecologische waarde".

Ingevolge lid 4.4.1 is het verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de functieaanduiding "ecologische waarde", op of in de in lid 4.1 bedoelde gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, binnen de belemmerde strook de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren:

a. het aanbrengen van gesloten verhardingen;

b. het met de wortel verwijderen van bodem- en oevervegetaties (rietbeplantingen);

c. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden of waterbodems, waarbij de hoogte met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

d. het bodemverlagen of afgraven van gronden, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

e. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 20 cm, waartoe ook gerekend wordt woelen en draineren;

f. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van meer dan 1 m²;

g. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem tot een grotere diepte dan 0,5 m.

Ingevolge lid 4.4.3, voor zover thans van belang, wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 niet verleend indien daardoor de natuurlijke waarden voor zover deze verband houden met de functie van dit gebied als leefgebied van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de functies onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder g, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor het behoud van de aldaar voorkomende ecologische en/of natuurlijke waarden van de gronden, water en oevers in de vorm van een met riet begroeide plas/dras zone ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ecologische waarde 1 en 2".

Ingevolge lid 6.5.1 is het verboden op of in de als "Water" bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het met de wortel verwijderen van bodem- en oevervegetaties (rietbeplantingen);

b. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden of waterbodems, waarbij de hoogte met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

c. het bodemverlagen of afgraven van gronden, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

d. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 20 cm, waartoe ook gerekend wordt woelen en draineren;

e. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van meer dan 1 m²;

f. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem tot een grotere diepte dan 0,5 m.

Ingevolge lid 6.5.3 zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ecologische waarde 1 en 2" de werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.5.1 slechts toelaatbaar indien daardoor de natuurlijke functies voor zover deze zijn toegekend vanwege het leefgebied van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels behorende bij het plan van 8 februari 2012 waren de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische en/of natuurlijke waarden van de gronden, water en oevers daaronder begrepen ter plaatse van de functieaanduiding "ecologische waarde".

9.2. Ter zitting heeft de raad zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat de woorden "herstel en ontwikkeling" ten onrechte zijn weggelaten in de artikelen 4, lid 4.1, aanhef en onder i, en 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels en dat er geen bezwaar tegen bestaat de desbetreffende woorden in voormelde planregels op te nemen.

De Afdeling ziet gelet hierop in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd grond voor het oordeel dat het besluit van 24 april 2013, voor zover daarbij in de artikelen 4, lid 4.1, aanhef en onder i, en 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels na "behoud" de woorden "herstel en ontwikkeling" zijn weggelaten, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit van 24 april 2013 dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

10. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat het begrip plas/dras zone dat nu in de planregels is opgenomen ten onrechte niet nader is gedefinieerd. Bovendien is in de plantoelichting vermeld dat de plas/dras zone wordt aangelegd op de grens met de tuinen, terwijl de plas/dras zone op de verbeelding en in de planregels is voorzien ter plaatse van zowel de gronden met de bestemming "Tuin" als de gronden met de bestemming "Water". Uit de artikelen 4, lid 4.1, aanhef en onder i, en 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels volgt dat de ecologische waarde is beperkt tot delen van de plas/dras zone waar riet groeit. Volgens [appellant] en anderen ontstaat rechtsonzekerheid door de onduidelijkheid ten aanzien van de vraag wat als plas/dras zone kan worden aangemerkt.

10.1. Ter zitting is door de raad toegelicht dat de plas/dras zone is voorzien ter plaatse van de gronden waaraan op de verbeelding de bestemmingen "Tuin" en "Water" zijn toegekend en waaraan tevens de aanduiding "ecologische waarde" onderscheidenlijk "specifieke vorm van water - ecologische waarde 1 en 2" is toegekend. Voorts is ter zitting verduidelijkt dat het vanwege de fluctuerende waterstand niet wenselijk is de ligging van de plas/dras zone nader te preciseren anders dan de wijze waarop dit is geschied met de vlakken op de verbeelding waaraan de aanduidingen "ecologische waarde" onderscheidenlijk "specifieke vorm van water - ecologische waarde 1 en 2" zijn toegekend. De desbetreffende zone is blijkens de verbeelding overal minimaal 5 m breed. Voorts is in 4, lid 4.1, aanhef en onder i, en 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels uitdrukkelijk voorzien in de bescherming van de plas/dras zone.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van rechtsonzekerheid ten aanzien van de vraag wat de plas/dras zone inhoudt dan wel waar deze is voorzien. De raad heeft geen aanleiding hoeven zien voor het opnemen van een definitiebepaling van het begrip plas/dras zone. Van een discrepantie met de plantoelichting is geen sprake, nu de aanleg van een zone met een breedte van 5 - 10 m op de grens met de tuinen impliceert dat de aanleg in de bestemmingen "Tuin" en "Water" plaatsvindt.

Het betoog faalt.

11. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat de eigenaar van het Amsteleiland een bodemsaneringsplan heeft ingediend waarbij de moeraszone inclusief de zachte oevers in de afgesneden Amstelarm niet in tact zullen blijven. In het bestemmingsplan is een aanbeveling uit een ecologisch onderzoek overgenomen inhoudende dat nader ecologisch onderzoek moet plaatsvinden indien de moeraszone inclusief de zachte oevers in de afgesneden Amstelarm niet in tact blijven. Gelet hierop is volgens [appellant] en anderen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Door dit onderzoek achterwege te laten, is het plan volgens [appellant] en anderen niet zorgvuldig voorbereid.

11.1. Ingevolge lid 4.4.4, onder a, vraagt het college van burgemeester en wethouders, alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, de ecoloog of hiermee gelijk te stellen ecologisch deskundige en, indien van toepassing, een waterbeheerder om advies omtrent de vraag of wordt voldaan aan het bepaalde in lid 4.4.3.

Ingevolge lid 4.4.4, onder b, kan het college van burgemeester en wethouders op basis van het hiervoor onder a bedoelde advies voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning bedoeld in lid 4.4.1 ter bescherming van de in lid 4.1, onder i, bedoelde waarden.

Ingevolge lid 6.5.4:

a. vraagt het college van burgemeester de waterbeheerder om advies alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 6.5.1;

b. vraagt het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - ecologische waarde 1 en 2" alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in lid 6.5.1 een ecoloog of hiermee gelijk te stellen ecologisch deskundige om advies omtrent de vraag of wordt voldaan aan het bepaalde in lid 6.5.3;

c. kan het college van burgemeester en wethouders op basis van het onder b bedoelde advies voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 ter bescherming van de in lid 6.1, onder g, bedoelde waarden;

d. kan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 niet worden verleend indien een negatief advies wordt uitgebracht.

11.2. In het kader van het opstellen van het bestemmingsplan "Amsteleiland" is in december 2008 een flora- en faunaonderzoek verricht door b&d natuuradvies. Hieruit volgt dat, mits de aanbevelingen uit het onderzoek worden opgevolgd, het plan niet in strijd is met de bepalingen van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw). Voorts is het bestemmingsplan "Amsteleiland" in 2011 getoetst aan de Ffw. In de plantoelichting behorende bij het bestemmingsplan van 24 april 2013, is vermeld dat in de realisatie van het plan rekening zal worden gehouden met de in het rapport van b&d natuuradvies gedane aanbevelingen.

Uit de planregels volgt dat het college van burgemeester en wethouders, alvorens sanering van de bodem van het Amsteleiland kan plaatsvinden, een omgevingsvergunning moet verlenen in welk verband de ecoloog of hiermee gelijk te stellen ecologisch deskundige dan wel de waterbeheerder om advies wordt gevraagd. Hiermee wordt naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan de in het onderzoek van b&d natuuradvies gedane aanbeveling dat nader ecologisch onderzoek dient plaats te vinden indien de moeraszone inclusief de zachte oevers in de afgesneden Amstelarm niet in tact blijven als gevolg van de bodemsanering van het Amsteleiland. Het ecologisch advies kan leiden tot het verbinden van voorwaarden aan de omgevingsvergunning dan wel, ingeval van een negatief advies, het niet verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6, lid 6.5.1, van de planregels. Aldus kan de wijze van uitvoering van de sanering worden beïnvloed.

[appellant] en anderen kunnen gelet op het voorgaande niet worden gevolgd in de strekking van hun betoog dat het achterwege laten van aanvullend ecologisch meebrengt dat het plan niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en zo niet mocht worden vastgesteld.

12. Voorts betogen [appellant] en anderen dat het ondoelmatig is dat de artikelen 4, lid 4.3.1, en 6, lid 6.5.1, van de planregels geen verbod inhouden op het verhogen van de bodem op het land of de waterbodem met 20 cm. Een ophoging van 20 cm kan volgens [appellant] en anderen voldoende zijn om een drassige situatie droog te leggen en op die manier de plas/dras zone in te perken of op te heffen.

Volgens [appellant] en anderen is het voorts ten onrechte toegestaan scherpe voorwerpen tot een diepte van 0,5 m in de bodem te brengen. Met behulp van deze bepaling is het mogelijk een lichte oeverbeschoeiing te maken die een barrière vormt in de geleidelijke overgang van water naar land. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat ten onrechte geen bepaling is opgenomen omtrent het maaien van riet. Bewoners van het Amsteleiland kunnen zodoende het riet wegmaaien op een ecologisch niet verantwoorde wijze, zodat de rietzone in de loop van de tijd zal verdwijnen.

Gelet op het vorenstaande zijn de planregels volgens [appellant] en anderen niet toereikend om de bestaande ecologische en natuurlijke waarden te beschermen.

12.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming "Tuin".

Ingevolge lid 4.3.2 wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming zoals bedoeld in lid 4.3.1 in ieder geval gerekend:

a. het gebruik van deze gronden voor opslag voor goederen;

b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

c. het bedrijfsmatig (commercieel) houden van paarden, zoals het stallen en africhten van paarden en de verhuur van paarden aan derden.

Ingevolge lid 4.4.1. is het verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de functieaanduiding "ecologische waarde", op of in de in 4.1. bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, binnen de belemmerde strook de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (laten) voeren:

a. het aanbrengen van gesloten verhardingen;

b. het met de wortel verwijderen van bodem- en oevervegetaties (rietbeplantingen);

c. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden of waterbodems waarbij de hoogte met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

d. het bodemverlagen of afgraven van gronden, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

e. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 20 cm, waartoe ook gerekend wordt het woelen en draineren;

f. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van meer dan 1 m2;

g. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem tot een grotere diepte dan 0,5 m.

Ingevolge artikel 6, lid 6.5.1, is het verboden op of in de als "Water" bestemde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het met de wortel verwijderen van bodem- en oevervegetaties (rietbeplantingen);

b. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden of waterbodems waarbij de hoogte met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

c. het bodemverlagen of afgraven van gronden, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 20 cm wordt gewijzigd;

d. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 20 cm, waartoe ook gerekend wordt het woelen en draineren;

e. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van meer dan 1 m2;

f. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem tot een grotere diepte dan 0,5 m.

Ingevolge lid 6.5.2, aanhef en onder a, is het in lid 6.5.1 bedoelde verbod niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen.

12.2. Ter zitting is door de raad uiteengezet dat bij het opstellen van de planregels omtrent de vergunningplichtige werkzaamheden aansluiting is gezocht bij de beleidsregels van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, die mede zijn gericht op het beschermen en verbeteren van de ecologische kwaliteit van het water. De raad heeft voorts benadrukt dat voor het gemeentebestuur voorop staat dat binnen de bestemmingen "Tuin" en "Water" de ecologische en/of natuurlijke waarden behouden moeten blijven. De lijst met werkzaamheden die niet zijn toegestaan zonder vergunning is hierop afgestemd. Voorts is ter zitting toegelicht dat een ophoging van gronden of waterbodems tot 20 cm vanwege de fluctuerende waterstand zal wegspoelen. Bovendien is in de planregels uitdrukkelijk bepaald dat het met de wortel verwijderen van bodem- en oevervegetaties in de vorm van rietbeplantingen niet is toegestaan zonder vergunning. De vrees dat de rietzone zal verdwijnen is gelet hierop ongegrond.

Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de plas/dras zone met voormelde planregels op ontoereikende wijze wordt beschermd.

Het betoog faalt.

13. In hetgeen [appellant] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep tegen het besluit van 24 april 2013 is voor het overige ongegrond.

14. De Afdeling ziet aanleiding om zelf voorziend de planregels aan te vullen met de zinsnede "herstel en ontwikkeling" na het woord "behoud" in de artikelen 4, lid 4.1, aanhef en onder i, en 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels. De Afdeling acht uitgesloten dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen worden geschaad. Hierbij betrekt de Afdeling dat ter zitting door Eiland in de Amstel B.V. en Qlincker Vastgoed Ontwikkeling B.V. is verklaard dat tegen het opnemen van deze zinsnede in de desbetreffende planregels geen bezwaar bestaat.

15. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

16. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 8 februari 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Amsteleiland" gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 8 februari 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Amsteleiland", voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Tuin" alsmede de artikelen 4 en 6 van de planregels behorende bij dat besluit;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 8 februari 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Amsteleiland" voor het overige ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 24 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Amsteleiland" gedeeltelijk gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 24 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Amsteleiland", voor zover daarbij in de artikelen 4, lid 4.1, aanhef en onder i, en 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels na het woord "behoud" de zinsnede "herstel en ontwikkeling" ontbreekt;

VI. bepaalt dat de zinsnede "herstel en ontwikkeling" na het woord "behoud" in de artikelen 4, lid 4.1, aanhef en onder i, en 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels wordt opgenomen;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 24 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Amsteleiland", voor zover dat is vernietigd;

VIII. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 24 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Amsteleiland" voor het overige ongegrond;

IX. draagt de raad van de gemeente Amstelveen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel VI wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Amstelveen tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.912,88 (zegge: negentienhonderdtwaalf euro en achtentachtig cent), waarvan € 1.888,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XI. gelast dat raad van de gemeente Amstelveen aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Driessen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

634-490.