Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201401713/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401713/1/V2.

Datum uitspraak: 17 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 30 januari 2014 in zaak nr. 12/27485 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In het tweede deel van de tweede grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar stelling dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van haar deelname aan een tegen die autoriteiten gerichte demonstratie in Nederland op 9 november 2013 en zij aldus bij terugkeer in Ethiopië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, betrekking heeft op een nieuw asielmotief. Zij voert terecht aan dat zij reeds ten tijde van haar aanvraag heeft verklaard dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten vanwege haar deelname aan demonstraties in Ethiopië en Brussel. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, houdt hetgeen de vreemdeling aanvoert over de demonstratie in 2013 derhalve verband met hetgeen zij in de bestuurlijke fase aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2013 in zaak nr. 201202422/1/V2.

De klacht is terecht voorgedragen, maar kan, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.1. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de Ethiopische autoriteiten op de hoogte zijn van haar deelname aan de demonstratie in 2013, omdat een foto ervan te zien was op de Ethiopische televisie. De staatssecretaris heeft zich ter zitting bij de rechtbank evenwel terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten op de hoogte zijn van haar deelname aan de demonstratie, nu zij niet heeft toegelicht hoe de foto van de demonstratie tot haar te herleiden is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, anders dan de vreemdeling ter zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd, uit het algemeen ambtsbericht inzake Ethiopië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van mei 2013 niet blijkt dat de Ethiopische autoriteiten alle opposanten in het buitenland in de gaten houden.

3. Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift is aangevoerd, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.

w.g. Hent w.g. Yildiz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2014

594-691.