Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201400910/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:487, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.13
Vreemdelingenbesluit 2000 3.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/283

Uitspraak

201400910/1/V1.

Datum uitspraak: 15 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 december 2013 in zaak nr. 13/26176 in het geding tussen:

[vreemdelingen]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 4 oktober 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd door te verwijzen naar paragrafen C2/4.3 en B7/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals luidend ten tijde van het besluit, nu in eerstvermelde paragraaf niets meer is opgenomen over verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) aan kinderen die geboren zijn uit een polygame relatie en hierin niet wordt verwezen naar paragraaf B7/3.2.6. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met het per 1 april 2013 vervallen van de passage over kinderen uit polygame relaties in paragraaf C2/4.3 van de Vc 2000 geen inhoudelijke wijziging van het beleid is beoogd en dat in die paragraaf aansluiting is gezocht bij het reguliere beleid. Hij verwijst in dit verband naar de onderscheiden toelichtingen bij het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (hierna: WBV) 2012/25 en het WBV 2013/13 en naar paragraaf B7/3.2.6 van de Vc 2000. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat de norm dat polygame situaties in Nederland niet door middel van gezinshereniging moeten worden toegestaan, niet is gewijzigd. Hiertoe wijst hij op artikel 3.16 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000).

1.1. In paragraaf C2/6.1 van de Vc 2000, zoals luidend van 1 oktober 2012 tot 1 april 2013, staat: "Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie kan slechts één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd en de uit die vreemdeling geboren kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Van een polygame situatie is sprake indien de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, met een andere persoon (of meerdere andere personen) tegelijkertijd een huwelijk en/of een relatie is aangegaan (inclusief geregistreerd partnerschap). Indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon reeds met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede eventuele andere gezinsleden niet voor toelating in aanmerking."

In paragraaf C2/4.3 van de Vc 2000, zoals luidend per 8 juni 2013, staat dat de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen op dezelfde wijze wordt beoordeeld "als beschreven in het reguliere beleid als beschreven in paragraaf B2/5.4 van de Vc 2000. Dit wordt als volgt uitgelegd: […]. Er is altijd sprake van gezinsleven tussen ouders en minderjarige biologische kinderen in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Als sprake is van gezinsleven, wordt aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin. […] Het beleid voor biologische minderjarige kinderen is ook van toepassing op minderjarige kinderen uit een eerdere relatie van de hoofdpersoon (voorkinderen) waarbij de biologische afstammingsrelatie is vastgesteld. Onder 'huwelijk en partnerschap' staat: "De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de Vw 2000, als de hoofdpersoon in Nederland al duurzaam samenleeft met een andere partner."

In paragraaf B7/3.2.6 van de Vc 2000, zoals luidend per 1 juni 2013, staat dat de staatssecretaris aan een minderjarig biologisch kind van de referent geen verblijfsvergunning regulier verleent indien de referent in Nederland samenleeft met een van zijn partners en deze partner niet de biologische of juridische ouder van het kind is.

In de toelichting bij het WBV 2012/25 staat: "In dit wijzigingsbesluit zijn de delen A en C opnieuw vastgesteld, op basis van de tekst zoals deze luidt per 1 januari 2013. (…) Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht, behoudens de wijzigingen die hieronder staan vermeld." De enig vermelde inhoudelijke wijziging in deel C is thans niet relevant.

1.2. Gelet op de toelichting bij het WBV 2012/25 heeft de staatssecretaris met het vervallen van de passage over kinderen uit polygame relaties in paragraaf C2/4.3 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van het besluit, geen inhoudelijke wijziging beoogd. Nu het reguliere beleid op dit onderdeel evenmin is gewijzigd, heeft de rechtbank niet onderkend dat de norm dat polygame situaties in Nederland niet door middel van gezinshereniging moeten worden toegestaan, niet is gewijzigd. Dat deze norm niet is gewijzigd valt tevens op te maken uit artikel 3.16 van het Vb 2000, ingevolge welke bepaling de staatssecretaris een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming slechts krachtens artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 verleent aan één echtgenoot, geregistreerde partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren kinderen.

Uit paragraaf C2/4.3 van de Vc 2000, voor zover hierin staat dat de IND geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, van de Vw 2000 verleent aan een buiten Nederland verblijvende partner als de hoofdpersoon in Nederland al duurzaam samenleeft met een andere partner, volgt, mede in het licht van het voorgaande, dat de staatssecretaris voormelde verblijfsvergunning evenmin verleent aan de minderjarige kinderen van de buiten Nederland verblijvende partner. De staatssecretaris heeft het besluit dan ook deugdelijk gemotiveerd door hieraan, onder verwijzing naar voormelde paragraaf, ten grondslag te leggen dat slechts één echtgenote en de uit haar geboren kinderen voor verblijf in Nederland in aanmerking komen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Reeds hierom slaagt de grief.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. Het beroep op richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) faalt, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705142/1.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 31 december 2013 in zaak nr. 13/26176;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Hartsuiker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2014

620-716.