Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201400938/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:8727, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400938/1/V6.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2013 in zaak nr. 13/1886 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.M. van de Sande Bakhuijzen, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E. Groenendijk, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

In de Handleiding is vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

3. Niet is in geschil dat [appellant] bij zijn verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd. Tevens is niet in geschil dat hij houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat de nationaliteit en identiteit van [appellant] niet zijn komen vast te staan en geen sprake is van bewijsnood.

4. [appellant] betoogt tevergeefs dat hij staatloos is. Daargelaten dat hij dit betoog voor het eerst in hoger beroep naar voren brengt, faalt het reeds omdat hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) van de gemeente Amsterdam is opgenomen als zijnde van Ethiopische nationaliteit.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bewijsnood, aangezien het voor hem onmogelijk is om met objectief verifieerbare stukken aan te tonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om met een geboorteakte en een geldig buitenlands reisdocument zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij contacten in Ethiopië heeft gelegd of een derde officieel heeft gemachtigd of ingeschakeld om ter plaatse de benodigde documenten te verkrijgen, aldus [appellant]. Hiertoe voert hij aan dat hij niet weet hoe hij mensen in Ethiopië kan bereiken en wie hij zou moeten inschakelen om de vereiste documenten te verkrijgen. Bovendien is het moeilijk een betrouwbare derde te vinden die begrijpt wat hij wil. Voorts heeft de staatssecretaris volgens [appellant] geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS).

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2012 in zaak nr. 201107027/1/V6) dient de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, met bewijsstukken aan te tonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bewijsnood zich niet voordoet. Dat [appellant] de ambassade van Ethiopië in Brussel (hierna: de ambassade) meermalen per e-mail heeft verzocht om afgifte van de gevraagde documenten zonder een antwoord te hebben ontvangen, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat hij niet door de Ethiopische autoriteiten in het bezit kan worden gesteld van een geboorteakte en een buitenlands reisdocument. In dit verband is van belang dat [appellant] niet met stukken heeft gestaafd dat de Ethiopische autoriteiten geen schriftelijke verklaringen afgeven. [appellant] heeft niet aangetoond dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de benodigde documenten, reeds omdat hij niet heeft aangetoond dat hij een - professionele - derde heeft gemachtigd of ingeschakeld om voor hem in Ethiopië deze documenten te verkrijgen. Dat het moeilijk is om een geschikte - professionele - derde te vinden, laat onverlet dat van [appellant] mag worden gevergd dat hij hiertoe daadwerkelijk pogingen onderneemt.

In het midden gelaten of [appellant] aan PTSS lijdt, heeft hij niet met stukken gestaafd dat daarom niet van hem kan worden gevergd dat hij aantoonbaar inspanningen verricht om in het bezit te komen van de gevraagde documenten.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat hij een laissez passer heeft aangevraagd. [appellant] heeft bij ieder bezoek aan de ambassade om een laissez passer gevraagd, hij kan dit alleen niet aantonen. Voorts heeft hij geen antwoord gekregen op zijn e-mail van 28 maart 2012 aan de ambassade, waarin hij de consul vraagt om een laissez passer en vermeldt dat hij bij een akkoordverklaring bij de ambassade in persoon een laissez passer zal aanvragen. Nu de ambassade zich in Brussel bevindt en het onzeker is of hij in het bezit wordt gesteld van een laissez passer, kan van hem niet worden verlangd dat hij de ambassade bezoekt. Bovendien zal hij bij zijn aanvraag om een laissez passer zijn identiteit en nationaliteit moeten aantonen, hetgeen voor hem niet mogelijk is, aldus [appellant].

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet met stukken heeft aangetoond dat hij een laissez passer heeft aangevraagd. De enkele, eerst in hoger beroep naar voren gebrachte, stelling dat hij bij ieder bezoek aan de ambassade om een laissez passer heeft gevraagd, is daartoe onvoldoende. De e-mail van 28 maart 2012 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze niet kan worden aangemerkt als een aanvraag om een laissez passer. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit het niet beantwoorden van deze e-mail niet de conclusie kan worden getrokken dat [appellant] niet door de Ethiopische autoriteiten in het bezit kan worden gesteld van een laissez passer. Van [appellant] kan worden gevergd dat hij zich in persoon tot de ambassade wendt met het verzoek om een laissez passer. Dat het onzeker is of dit verzoek wordt ingewilligd, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat kan worden verlangd dat hij daartoe daadwerkelijk pogingen onderneemt en de ambassade zoveel mogelijk gegevens verschaft.

Het betoog faalt.

7. Tot slot betoogt [appellant] dat hij met zijn huidige reisdocument niet naar Ethiopië kan reizen, zodat hij geen kebele-identiteitskaart kan verkrijgen om daarmee zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen.

7.1. Dit betoog faalt reeds omdat de aantekening ‘uitgezonderd Ethiopië’ in het reisdocument van [appellant] niet betekent dat hij Ethiopië niet kan inreizen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant], zoals hiervoor is overwogen in 6.1, niet heeft aangetoond dat de autoriteiten van Ethiopië hem geen tijdelijk reisdocument, zoals een laissez passer, verstrekken.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Groeneweg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

32-800.