Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201400907/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2013 heeft het college ten behoeve van het inpassingsplan "N345 rondweg Voorst" hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ten gevolge van de nieuw te realiseren rondweg om de kern van Voorst en de aan te passen Rijksstraatweg (N345) voor een aantal bestaande woningen te Voorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400907/1/R6.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Beekzicht B.V., gevestigd te Voorst,

2. [appellant sub 2], wonend te Voorst,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2013 heeft het college ten behoeve van het inpassingsplan "N345 rondweg Voorst" hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting ten gevolge van de nieuw te realiseren rondweg om de kern van Voorst en de aan te passen Rijksstraatweg (N345) voor een aantal bestaande woningen te Voorst.

Tegen dit besluit hebben Landgoed Beekzicht en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2014, waar Landgoed Beekzicht, vertegenwoordigd door W.H.J. de Beaufort en ing. F.A. Broekhof, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A. Ocelikova, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.N. Sanders en mr. J.A.M. van der Velden, beiden advocaat te Breda, en ir. I.R.P. van Es, ir. R.L.M. Westerhof en R. Hendricksen, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

Het beroep van Landgoed Beekzicht

1. Landgoed Beekzicht kan zich niet verenigen met het instellen van een maximum verkeerssnelheid van 80 km/uur voor het deel van de Rijksstraatweg ten noorden van de nieuw aan te leggen rotonde en met het vaststellen van hogere waarden voor haar woningen aan de Rijksstraatweg 32 en 49. Volgens haar wordt voorbijgegaan aan de gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen. Landgoed Beekzicht betoogt dat het desbetreffende deel van de Rijksstraatweg een functie krijgt als erftoegangsweg, welke met het oog op verkeersveiligheid een aangepaste verkeerssnelheid vereist. Zij wijst in dit verband op de twee voorziene doorsteken ten behoeve van inritten op dit deel van de Rijksstraatweg.

1.1. Het college stelt dat de N345 na de aanleg van de rondweg Voorst een gebiedsontsluitingsweg zal zijn, waarvoor een maximum verkeerssnelheid van 80 km/uur passend wordt geacht. Door de te treffen maatregelen zal de geluidbelasting op de gevels van de woningen die in eigendom zijn van Landgoed Beekzicht volgens het college afnemen, dan wel met maximaal 1 dB toenemen. Het college acht een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse dan ook gewaarborgd en wijst in dit verband naar het door Royal HaskoningDHV opgestelde akoestisch onderzoek "PIP N345 Rondweg Voorst" van 21 oktober 2013 (hierna: het akoestisch onderzoek).

1.2. In het akoestisch onderzoek is een maximum verkeerssnelheid van 80 km/uur als uitgangspunt genomen voor het desbetreffende deel van de Rijksstraatweg. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de geluidbelasting voor de woning aan de Rijksstraatweg 32 in de huidige situatie maximaal 51 dB bedraagt en in de toekomstige situatie, na het treffen van maatregelen, 52 dB zal bedragen. Voor de woning aan de Rijksstraatweg 49 zal de geluidbelasting op de voorgevel, evenals in de huidige situatie, 53 dB gaan bedragen; op de zijgevel zal de geluidbelasting, na het treffen van maatregelen, met 1 dB toenemen naar 50 dB. Bij het bestreden besluit zijn voor de woningen aan de Rijksstraatweg 32 en 49 hogere waarden van onderscheidenlijk 52 en 50 dB vastgesteld.

1.3. Voor zover Landgoed Beekzicht zich niet kan verenigen met het verhogen van de maximum verkeerssnelheid van 50 km/uur naar 80 km/uur op het desbetreffende deel van de Rijksstraatweg, is het beroep niet gericht tegen de vaststelling van hogere geluidgrenswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, doch tegen een verkeersbesluit dat deze verhoging van de maximum verkeerssnelheid mogelijk zal maken. Een dergelijk besluit ligt hier niet ter toetsing voor, zodat bezwaren die hierop zien in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

1.4. Over het betoog van Landgoed Beekzicht dat, om de geluidbelasting te verminderen, de maximum verkeerssnelheid 50 km/uur dient te blijven en ter plaatse sprake is van een erftoegangsweg, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat maatregelen om de snelheid van het verkeer te verlagen dan wel een snelheid van 50 km/uur te behouden niet mogelijk zijn omdat de N345 (Rijksstraatweg) dan verandert van de bedoelde gebiedsontsluitingsweg in een erftoegangsweg. Dit stuit op verkeerskundige bezwaren, nu de N345 (Rijksstraatweg) wat betreft verkeer een structuurdrager voor de regio is. Het college heeft in aansluiting hierop ter zitting uiteengezet dat een erftoegangsweg is bedoeld voor het verwerken van het lokale verkeer, terwijl de rondweg om Voorst (N345) juist is bedoeld voor het bestemmingsverkeer buiten Voorst. De rondweg heeft bovendien de inrichting en uitstraling van een doorgaande gebiedsontsluitingsweg, hetgeen nodig is voor een goede doorstroming van het verkeer, aldus het college.

Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen Landgoed Beekzicht heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van de kwalificatie van de N345 (Rijksstraatweg) als gebiedsontsluitingsweg. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het doel van de voorziene rondweg en reconstructie van de N345 (Rijksstraatweg) mede is om een goede verkeersafwikkeling van het bestemmingsverkeer buiten Voorst te waarborgen. De door Landgoed Beekzicht gestelde omstandigheid dat ter plaatse van het landgoed Beekzicht doorsteken naar de thans aanwezige inritten worden gerealiseerd, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat sprake zal zijn van een erftoegangsweg.

Voor zover Landgoed Beekzicht wijst op de gevolgen van de verkeerssnelheid en het vaststellen van hogere waarden voor het woon- en leefklimaat ter plaatse, wordt het volgende overwogen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van heden in zaak nr. 201400906/1/R6, bestaat, gezien de afname van de geluidbelasting op de gevels van de andere woningen die Landgoed Beekzicht ter plaatse in eigendom heeft en de toename van de geluidbelasting met maximaal 1 dB op de gevels van de woningen aan de Rijksstraatweg 32 en Rijksstraatweg 49, geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van de reconstructie van de N345 (Rijksstraatweg) dient te worden gevreesd voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen gelegen aan het desbetreffende gedeelte van de Rijksstraatweg.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen Landgoed Beekzicht heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen toepassing heeft mogen geven aan zijn bevoegdheid om hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast te stellen.

Het betoog faalt.

2. Landgoed Beekzicht heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

Landgoed Beekzicht heeft in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2]

3. [appellant sub 2] betoogt dat de gecumuleerde geluidbelasting op zijn woning aan de [locatie] te Voorst niet overeenkomstig artikel 110f van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) bij de besluitvorming is betrokken. Volgens hem is bij het bepalen van de gecumuleerde geluidbelasting geen rekening gehouden met de geluidbelasting vanwege de parallelweg en heeft het college voorts onvoldoende gemotiveerd dat de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting.

3.1. Het college stelt dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidbelasting op de gevels van de woning van [appellant sub 2], nu geen toename van de geluidbelasting op de zijgevel plaatsvindt en op de voorgevel de geluidbelasting zelfs afneemt ten opzichte van de huidige situatie.

3.2. Ingevolge artikel 110a, zesde lid, van de Wgh geeft het college slechts toepassing aan het derde en vierde lid voor zover de gecumuleerde geluidbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110f, eerste lid, dient degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek, indien een van de volgende onderdelen van deze wet of van het krachtens deze onderdelen bepaalde:

a. Afdeling 1 en afdeling 2 van hoofdstuk V,

b. Afdeling 2, 3 en 4 van hoofdstuk VI,

c. hoofdstuk VII, en

d. hoofdstuk VIII,

van toepassing is op woningen, andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidzones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of meer hiervoor genoemde geluidzones (…), ter plaatse van die woningen, andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen, overeenkomstig de door de minister gestelde regels, tevens onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

3.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat bij de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie] zowel sprake is van een reconstructie ten gevolge van de herinrichting van de bestaande N345 (Rijksstraatweg) als een overschrijding van de voorkeurswaarde ten gevolge van de aanleg van de nieuwe rondweg. Voor beide bronnen is met het bestreden besluit een hogere waarde vastgesteld; ten gevolge van de reconstructie van de N345 is 57 dB vastgesteld en ten gevolge van de nieuwe rondweg 56 dB. De toekomstige gecumuleerde geluidbelasting bedraagt volgens het akoestisch rapport, exclusief aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wgh, maximaal 61 dB.

Blijkens het akoestisch rapport is de verkeersintensiteit op de parallelweg in relatie tot de verkeersintensiteit op de N345 (Rijksstraatweg), zodanig laag dat hieraan akoestisch bezien geen betekenis toekomt, omdat de geluidbelasting als gevolg van de parallelweg wegvalt tegen de geluidbelasting als gevolg van de N345 (Rijksstraatweg). Daarom is deze parallelweg verder niet meegenomen in het akoestisch onderzoek.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op het akoestisch rapport, de geluidbelasting als gevolg van de parallelweg zodanig hoog is dat niet kon worden uitgegaan van de geluidbelasting als gevolg van de N345 (Rijksstraatweg). Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college de effecten van de samenloop van geluidbronnen onvoldoende heeft onderzocht.

3.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidbelasting heeft betrokken dat wordt voldaan aan het beleid ten aanzien van geluid van de provincie Gelderland zoals vastgelegd in het Gelders Milieuplan 4. Uit de Beleidstabel Provincie, zoals ook weergegeven in het akoestisch rapport, blijkt dat het college als maximaal te verlenen hogere grenswaarde bij wonen 63 dB, exclusief de aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wgh, aanvaardbaar acht. Het college heeft daarbij voorts betrokken dat de geluidbelasting op de voorgevel van de woning van [appellant sub 2] 2 dB lager wordt dan in de huidige situatie en de geluidbelasting op de zijgevel niet hoger is dan die op de voorgevel.

Gelet op het voorgaande heeft het college, anders dan [appellant sub 2] betoogt, zijn afweging ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, gelet ook op de afname van de geluidbelasting op de voorgevel van de desbetreffende woning ten opzichte van de huidige situatie, het college niet in redelijkheid een gecumuleerde geluidbelasting van 61 dB ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] aanvaardbaar heeft kunnen achten. De verwijzing van [appellant sub 2] naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2005 in zaak nr. 200406602/1 treft geen doel, nu het college, anders dan het geval was in de zaak die in voornoemde uitspraak aan de orde was, de gecumuleerde geluidbelasting heeft bezien en deze aanvaardbaar heeft geacht.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan zijn bevoegdheid om hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast te stellen.

Het betoog faalt.

4. [appellant sub 2] betoogt dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor zijn woning aan de maximale binnenwaarde kan worden voldaan en welke maatregelen dienen te worden getroffen als dit niet het geval is. Hij voert hiertoe aan dat de geluidwering van zijn woning niet is onderzocht en het college niet zonder meer ervan heeft mogen uitgaan dat wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit.

4.1. Het college wijst er op dat de verplichting om gevelmaatregelen te treffen, volgt uit artikel 111b van de Wgh en derhalve losstaat van het onderhavige besluit. Het college stelt voorts dat voor de woning van [appellant sub 2] in het verleden een hogere waarde is vastgesteld en destijds reeds is beoordeeld of aan de vereiste binnenwaarde werd voldaan.

4.2. Ingevolge artikel 111b, tweede lid, van de Wgh, voor zover hier van belang, treft het college, indien met betrekking tot gevels van in aanbouw zijnde of aanwezige woningen een hogere geluidsbelasting dan 48 dB vanwege een weg, als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, met betrekking tot de geluidwering van die gevels, ingeval het een weg betreft die na 1 januari 1982 is of wordt aangelegd en is opgenomen in een overeenkomstig de artikelen 76 en 77 vastgesteld inpassingsplan, maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 33 dB bedraagt.

Ingevolge het derde lid treft het college, indien met betrekking tot de gevels van woningen waarvan de geluidbelasting vanwege de weg op 1 maart 1986 hoger was dan 55 dB(A) en met toepassing van artikel 90, tweede lid, een hogere geluidsbelasting dan 48 dB, vanwege de weg als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 43 dB bedraagt.

4.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voor de woning van [appellant sub 2] al in 1999 een hogere waarde is vastgesteld van 64 dB en in het kader van dat besluit reeds is beoordeeld dat bij deze geluidbelasting aan de vereiste binnenwaarde kan worden voldaan.

Bovendien volgt uit de systematiek van de Wgh dat eerst na vaststelling van hogere waarden behoeft te worden bepaald of gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen. Het bestreden besluit gaat niet over de verplichting tot het treffen van maatregelen aan de gevel, als thans vastgelegd in artikel 111b, tweede lid, van de Wgh. De vraag of deze verplichting bestaat en hoe daaraan uitvoering wordt gegeven, staat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en is om die reden in deze beroepsprocedure niet aan de orde (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2011 in zaak nr. 200910078/1/M3).

Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Verhoeven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

690.