Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201311579/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:10332, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2012 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld en het betaalde voorschot van € 9.981,00 van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311579/1/A2.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 november 2013 in zaak nr. 13/1910 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2012 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld en het betaalde voorschot van € 9.981,00 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 maart 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2014, waar [appellante], vergezeld van haar [echtgenoot], [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht; en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2. Bij besluit van 6 november 2012, gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2013, heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld en het betaalde voorschot van [appellante] teruggevorderd, omdat [appellante] niet met betalingsbewijzen heeft aangetoond dat zij de gastouder giraal heeft betaald voor kinderopvang in 2009.

De rechtbank heeft geoordeeld dat dit besluit is gebaseerd op een onjuiste grondslag, omdat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, niet moet aantonen dat hij de gastouder giraal heeft betaald, maar moet aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte daarvan is. De rechtbank heeft om die reden het besluit van 18 maart 2013 vernietigd, maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten, omdat [appellante] de gestelde contante betaling aan de gastouder niet met bewijsstukken heeft aangetoond en om die reden geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 18 maart 2013 in stand heeft gelaten. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat zij over 2009 kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en om die reden voor dat jaar geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft. Zij verwijst naar de door haar in hoger beroep overgelegde verklaring van de gastouder dat zij in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 december 2009 op de minderjarige kinderen van [appellante] heeft gepast. [appellante] stelt dat zij de gastouder contant heeft betaald en verwijst naar de kwitanties en de in hoger beroep overgelegde bankafschriften. Tot slot voert [appellante] aan dat zij de bemiddelingskosten aan het gastouderbureau heeft betaald en dat de bewijsstukken daarvan zijn overgelegd.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft betaald en wat de hoogte is van deze kosten.

3.2. Uit de door [appellante] overgelegde jaaropgaven 2009 volgt dat zij in dat jaar voor twee kinderen in totaal € 2.001,59 aan bemiddelingskosten en € 10.618,75 aan opvangkosten heeft gehad. Het voorschot kinderopvangtoeslag voor dat jaar van totaal € 9.981,00 is door de Belastingdienst in maandelijkse termijnen rechtstreeks gestort op de bankrekening van het gastouderbureau. Vervolgens boekte het bureau de maandelijkse termijn van het voorschot iedere maand, verminderd met een bedrag, over naar de girorekening van [appellante]. [appellante] stelt, onder verwijzing naar kwitanties, dat zij de gastouder contant heeft betaald voor de opvang. Aan deze kwitanties kan echter niet het gewicht worden gehecht dat zij daaraan gehecht wenst te zien, omdat deze kwitanties niet worden gestaafd met enig ander bewijs. De door [appellante] in hoger beroep overgelegde bankafschriften bieden geen bewijs voor de contante betalingen aan de gastouder, omdat die afschriften van de bankrekening van het gastouderbureau zijn en de maandelijkse overboeking van de termijnen van het voorschot kinderopvangtoeslag van de bankrekening van het gastouderbureau naar de bankrekening van [appellante] tonen. Ook indien geen nader bewijs zou worden verlangd, zouden de kwitanties het bewijs van de contante betaling niet kunnen leveren, omdat het daaruit af te leiden totaal bedrag aan contante betalingen van € 4.883,00 aanzienlijk lager ligt dan de gestelde kosten. Tot slot is de enkele verklaring van de gastouder dat zij iedere maand de vergoeding voor de opvang contant van [appellante] heeft ontvangen, zonder nadere ondersteunende gegevens evenmin voldoende bewijs voor de aan te tonen contante betaling. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [appellante] de contante betalingen aan de gastouder niet heeft aangetoond. Nu [appellante] niet heeft aangetoond dat zij kosten van kinderopvang heeft gemaakt, heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2009 terecht herzien en op nihil gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 18 maart 2013 in stand te laten.

Het betoog faalt.

4. [appellante] wordt evenmin gevolgd in haar betoog dat de Belastingdienst in strijd met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, alsmede met het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel heeft gehandeld doordat hij niet duidelijk heeft gemeld welke stukken hij van haar wilde ontvangen. Voor een aanspraak op kinderopvangtoeslag moet aan een aantal, in de Wko neergelegde, vereisten worden voldaan. Een vereiste is dat kosten van opvang zijn gemaakt. Zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, dient [appellante] als degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, aan te tonen dat zij die kosten heeft gemaakt. De Belastingdienst heeft voorafgaand aan het besluit van 6 november 2012 [appellante] gevraagd om gegevens van de daadwerkelijk gemaakte opvangkosten te overleggen, te weten de jaaropgaven van het gastouderbureau voor beide kinderen. Omdat zij alleen de jaaropgaven van de bemiddelingskosten heeft overgelegd, heeft de dienst om de jaaropgaven dan wel maandoverzichten van de opvangkosten gevraagd. [appellante] heeft die stukken eerst bij haar bezwaarschrift tegen voormeld besluit gevoegd. Vervolgens heeft de Belastingdienst in de bezwaarprocedure [appellante] gevraagd om de overeenkomsten met het gastouderbureau en bankafschriften waaruit betaling van opvangkosten blijkt. Niet valt in te zien dat de Belastingdienst met zijn handelwijze voormelde beginselen heeft geschonden. De Belastingdienst heeft voorafgaand aan het besluit van 18 maart 2013 [appellante] een aantal keren de mogelijkheid gegeven om nadere informatie te verstrekken en benoemd welke stukken hij wilde ontvangen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

609.