Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201311484/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "2e herziening bedrijventerrein [locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311484/1/R3.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Bergeijk,

en

de raad van de gemeente Bergeijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "2e herziening bedrijventerrein [locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.G. Grijpstra, advocaat te Deurne, en de raad, vertegenwoordigd door B. van Dorsten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], handelend onder de naam [timmerbedrijf].

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerrein [locatie 1]", dat de raad heeft vastgesteld op 29 september 2005 en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft goedgekeurd op 21 maart 2006, voorziet in bedrijfskavels waar bedrijven in maximaal milieucategorie 2 zijn toegestaan in de zones rond woonbestemmingen. Op een aantal van deze bedrijfskavels zijn aannemersbedrijven met een werkplaats gevestigd. Ingevolge de Staat van bedrijfsactiviteiten bij dat plan, die is gebaseerd op de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2001, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, behoren deze bedrijven echter tot milieucategorie 3. Deze aannemersbedrijven zijn daarom ter plaatse gevestigd in strijd met de voorschriften van dat plan.

In verband met een verzoek om hiertegen handhavend op te treden, heeft het college van burgemeester en wethouders in eerste instantie gepoogd de kleine aannemersbedrijven met een werkplaats met een bedrijfsoppervlak van minder dan 1.000 m2 te legaliseren door toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid in dat plan. Bij uitspraak van 3 september 2012 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het hiertegen ingestelde beroep evenwel gegrond verklaard en bedoeld besluit, voor zover hier relevant, vernietigd.

In verband hiermee heeft de raad besloten de bedrijven die in strijd met de voorschriften van het vorige plan ter plaatse zijn gevestigd, in het voorliggende plan te legaliseren door de Staat van bedrijfsactiviteiten, behorende bij het vorige plan aan te passen aan de Staat van bedrijfsactiviteiten in de geactualiseerde versie (2009) van de brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure 2009). Hierin wordt een onderscheid gemaakt tussen aannemersbedrijven met een werkplaats met een bedrijfsoppervlak van meer dan 1.000 m2, die behoren tot milieucategorie 3.1, en aannemersbedrijven met een werkplaats met een bedrijfsoppervlak van minder dan 1.000 m2, die behoren tot milieucategorie 2. Voorts heeft de raad in het voorliggende plan bedoelde afwijkingsbevoegdheid in de planregels aangepast.

3. Het beroep van [appellant], die woont aan de [locatie 2], is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" voor de gronden van de bedrijven in de omgeving van zijn woning. [appellant] betoogt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, nu voor zijn perceel, dat voor woondoeleinden is bestemd, geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. [appellant] vreest voor geluid-, licht- en trillinghinder en voor de gevolgen voor de luchtkwaliteit, waarnaar de raad volgens hem onvoldoende onderzoek heeft verricht. Hiertoe voert hij aan dat de raad ten onrechte niet is uitgegaan van een rustige woonwijk en de hierbij behorende richtafstand van 30 m, zoals bedoeld in de VNG-brochure 2009, tussen zijn woning en de omringende bedrijven. Voorts voert hij aan dat indien al sprake zou zijn van een gemengd gebied, evenmin aan de daarbij behorende richtafstand van 10 m wordt voldaan. Hij stelt dat de afstand tussen de gevel van de bebouwing die reeds is opgericht buiten het bouwvlak op zijn perceel, en de grens van de bestemming "Bedrijventerrein" 7 m bedraagt. Voorts wijst hij op de mogelijkheid om op zijn perceel vergunningvrij bouwwerken op te richten.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure 2009. Deze is zoveel mogelijk analoog toegepast, ook al is de brochure niet bedoeld om bestaande situaties zoals onderhavige te beoordelen. Voorts stelt de raad dat hij op basis van de VNG-brochure 2009 een richtafstand van 10 m hanteert, omdat de woning van [appellant] is gelegen in het omgevingstype gemengd gebied.

3.2. De gronden in de omgeving van het perceel van [appellant] zijn in het plan bestemd tot "Bedrijventerrein" en zijn voorzien van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2". Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor bedrijven met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichten, risicovolle inrichtingen en zelfstandige kantoren, die zijn genoemd in de bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 2 uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" op de verbeelding.

3.3. De Afdeling overweegt dat de VNG-brochure 2009 een indicatief en globaal karakter heeft en als hulpmiddel dient bij het ontwerpen van een bestemmingsplan. De VNG-brochure 2009 is bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. In bestaande situaties kan de VNG-brochure 2009 evenwel een indicatie geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties.

Vast staat dat de raad bij de vaststelling van het plan aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure 2009 en deze als gemeentelijk beleid heeft toegepast. Voorts is grotendeels sprake van een reeds bestaande situatie.

3.4. De raad is terecht uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure 2009. In en rond het plangebied zijn immers verschillende functies aanwezig, te weten bedrijvigheid in milieucategorie 2 en 3, wonen, groen, agrarische bedrijfsactiviteiten, (gebieds)ontsluitingswegen en natuur. Gelet hierop en op de toegelaten bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 op de percelen in de omgeving van de woning van [appellant], is de raad, anders dan [appellant] betoogt, terecht uitgegaan van de indicatieve richtafstand van 10 m. De stelling van [appellant] dat zijn woning is gelegen in het omgevingstype rustige woonwijk omdat deze omgeving door de raad in de toelichting op het vorige bestemmingsplan ook als zodanig zou zijn getypeerd, mist feitelijke grondslag. De door [appellant] bedoelde omgeving die in die toelichting als rustige woonwijk is getypeerd, ligt ten zuiden van het plangebied van het voorliggende plan.

3.5. De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure 2009 tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.

De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het bouwblok op het perceel van [appellant] en het plandeel ten zuiden hiervan dat voor bedrijfsdoeleinden is bestemd, ongeveer 20 m bedraagt. De afstand tussen dit bouwblok en het plandeel ten noorden van de woning dat voor bedrijfsdoeleinden is bestemd, bedraagt 16 m. Tussen het perceel van [appellant] en het noordelijke bedrijfsperceel ligt een strook grond van 5 m breed die in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein [locatie 1]" is bestemd voor groenvoorzieningen. Weliswaar bevindt zich op het perceel van [appellant] binnen een afstand van 10 m tot dit bedrijfsperceel een bijgebouw, dat wordt gebruikt als garage en als zodanig is ingericht, en heeft [appellant] de mogelijkheid binnen een afstand van 10 m van de beide bedrijfspercelen een bij het hoofdgebouw behorend bouwwerk op te richten zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is vereist, doch hierin vindt de Afdeling geen aanleiding het plan in zoverre te vernietigen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de woning en garage van [appellant] en bedoelde bedrijfsbebouwing reeds aanwezig zijn en dat het in zoverre gaat om een reeds bestaande situatie. Voorts hebben de in de VNG-brochure 2009 opgenomen afstanden indicatieve betekenis. Verder mag, gelet op de oppervlakte van de garage van ongeveer 90 m², ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder c, sub 4, van de planregels nog slechts in zeer beperkte mate buiten het bouwvlak worden bijgebouwd.

3.6. Over de mogelijke geluidhinder van de omliggende bedrijven overweegt de Afdeling dat het college een akoestisch onderzoek heeft laten verrichten naar de geluidbelasting op de woning van [appellant]. Uit het hiervan opgemaakte rapport "Beoordeling geluidsbelasting [locatie 2] Bergeijk" van 24 juni 2013 van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, waarin wordt uitgegaan van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, blijkt dat de geluidbelasting vanwege de individuele bedrijven op de gevel van de woning van [appellant] de richtwaarde van 55 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de grenswaarde van 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau niet overschrijdt. Ook het cumulatieve geluidniveau voldoet aan deze geluidwaarden. [appellant] heeft deze resultaten in dit akoestische rapport niet weersproken.

3.7. Over de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit overweegt de Afdeling dat nu het plan slechts in beperkte mate en op een afstand van ten minste 54 m van het perceel van [appellant] nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk maakt in milieucategorie 3 en de hoeveelheid verkeer als gevolg hiervan niet zal toenemen, de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de luchtverontreiniging niet in betekenende mate zal toenemen.

3.8. Over het betoog ter zitting van [appellant] dat zich in de omgeving van zijn woning inmiddels twee bedrijven hebben gevestigd die behoren tot milieucategorie 3.1 en dat deze nieuwe bedrijven in strijd zijn met het plan, overweegt de Afdeling dat, wat daar verder ook van zij, dit een kwestie van handhaving betreft die in deze procedure geen rol speelt.

3.9. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat betreft de woonbebouwing van [appellant] sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

177-813.