Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2776

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201311491/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "St. Jacobskerk e.o." vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311491/1/R4.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De vereniging Bewonersvereniging Hofkwartier, de vereniging Vereniging BIZ Winkelgebied Paleis Noordeinde, [appellant A] en andere (hierna: tezamen en in enkelvoud: de bewonersvereniging), gevestigd, onderscheidenlijk wonend te Den Haag,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "St. Jacobskerk e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de bewonersvereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De bewonersvereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2014, waar [appellant A], en de vereniging Bewonersvereniging Hofkwartier, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [penningmeester] bijgestaan door mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H. Potter, mr. J.F.M. Doove en mr. R. Sakkee, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan bevat een juridisch-planologische regeling voor het plangebied dat wordt begrensd door Hogewal, Scheveningseveer, Mauritskade, Parkstraat, Kneuterdijk, Hofweg, Spui, Grote Marktstraat, Prinsegracht, Jan Hendrikstraat, Torenstraat, Noordwal en Prinsessewal in Den Haag.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

3. De raad betoogt dat de vereniging Vereniging BIZ Winkelgebied Paleis Noordeinde (hierna: BIZ) niet tijdig een zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

3.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 21 juni 2013 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde op 1 augustus 2013.

3.2. BIZ heeft bij brief van 31 juli 2013 schriftelijk een zienswijze naar voren gebracht, die blijkens het stempel op 1 augustus 2013 is binnengekomen. In de zienswijze wordt verwezen naar de zienswijze die de vereniging Bewonersvereniging Hofkwartier over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

Blijkens de nota over de ingekomen zienswijzen heeft de raad de zienswijze van BIZ niet bij zijn besluitvorming betrokken omdat geen machtiging was overgelegd en bovendien in de zienswijze is volstaan met een verwijzing naar de zienswijze van de vereniging Bewonersvereniging Hofkwartier.

3.3. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt met zich dat indien bij het naar voren brengen van een zienswijze een machtiging ontbreekt, de zienswijze niet om die reden buiten behandeling kan worden gelaten dan nadat de indiener in de gelegenheid is gesteld dat verzuim te herstellen.

Ter zitting is komen vast te staan dat de raad BIZ niet in de gelegenheid heeft gesteld alsnog een machtiging over te leggen. Er is dan ook geen aanleiding om het beroep van BIZ om die reden niet-ontvankelijk te achten.

Voorts staat er geen rechtsregel aan in de weg om voor de onderbouwing van de zienswijze te verwijzen naar een door een ander over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze. In zoverre is er evenmin aanleiding om het beroep van BIZ niet-ontvankelijk te verklaren.

Het betoog van de raad faalt.

4. De raad heeft zijn betoog dat het beroep van de bewonersvereniging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover het het betoog over horeca betreft ter zitting ingetrokken.

Bestemmingen "Gemengd-1", "Gemengd-2", "Gemengd-3" en "Gemengd-4"

5. De bewonersvereniging kan zich niet verenigen met het plan voor zover het in het Hofkwartier, het gedeelte van het plangebied dat is gesitueerd ten noorden van de Groenmarkt en het Kerkplein, meer gebruiksmogelijkheden biedt ten opzichte van het voorheen geldende plan. Zij voeren daartoe aan dat de artikelen 6 tot en met 9 van de planregels, die zien op de bestemmingen "Gemengd-1", "Gemengd-2", "Gemengd-3" en "Gemengd-4", het gebruik voor detailhandel van de opstallen niet beperken tot de begane grond, hetgeen ten koste gaat van het bestaande gebruik voor wonen, terwijl het gemeentelijk beleid is gericht op het behoud en de versterking van de woonfunctie. Zij brengt verder naar voren dat het plan aan het gebruik voor horeca vrijwel geen beperkingen verbindt. Volgens de bewonersvereniging is het plan daarom in strijd met het gemeentelijk beleid dat ziet op het behoud op een evenwichtige wijze van de verschillende functies in het Hofkwartier.

6. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd-1" aangewezen gronden bestemd voor onder meer detailhandel, horeca "licht" en wonen.

Lid 6.5 bepaalt onder meer dat:

a. In maximaal 20% van het aantal panden binnen een aaneengesloten bestemmingsvlak binnen deze bestemming mag op de begane grond een horeca-inrichting in de categorie "licht" gevestigd worden;

b. horeca-inrichtingen in de categorie "middelzwaar" en "zwaar" aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, blijven toegestaan, waarbij de categorie-indeling van een vestiging niet verzwaard mag worden;

c. ter plaatse van de functie-aanduiding "horeca middelzwaar" [h≥2] is horeca in de categorie "middelzwaar" toegestaan;

d. ter plaatse van de functie-aanduiding "horeca zwaar" [h≥3] is horeca in de categorie "zwaar" toegestaan;

e. de functies wonen, hotel, sport, maatschappelijk en kantoren zijn uitsluitend toegestaan op de verdiepingen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Gemengd-2" aangewezen gronden bestemd voor onder meer detailhandel, horeca "licht" en "middelzwaar" en wonen.

Lid 7.5 bepaalt onder meer dat:

a. Ter plaatse van de functie-aanduiding "horeca zwaar" [h≥3] is horeca in de categorie "zwaar" toegestaan;

b. horeca-inrichtingen in de categorie "zwaar" aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, blijven toegestaan;

c. de functies wonen, sport en kantoren zijn alleen toegestaan op de verdiepingen.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Gemengd-3" aangewezen gronden bestemd voor onder meer wonen.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, zijn de voor "Gemengd-4" aangewezen gronden bestemd voor onder meer detailhandel, horeca "licht", "middelzwaar" en "zwaar" en wonen.

Lid 9.5, onder a, bepaalt dat wonen alleen is toegestaan op de verdiepingen.

Ingevolge artikel 31, onder l, moeten bij hoofdgebouwen bestaande opgangen op straatniveau naar hoger gelegen verdiepingen gehandhaafd blijven.

Ingevolge artikel 34, lid 34.3, aanhef en onder g, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bepalingen van het plan ten behoeve van buitentrappen, liftschachten, loopbruggen en andere voor de toegankelijkheid van gebouwen noodzakelijke constructies.

7. In de plantoelichting staat dat het plangebied zich laat kenmerken door een grote menging van functies op zowel de begane grond als op de verdiepingen van panden met de nadruk op detailhandel en horeca. De meest voorkomende functie is volgens de plantoelichting de functie detailhandel, die op een aantal locaties wordt afgewisseld door de functie horeca. De raad heeft onder verwijzing naar het in de plantoelichting genoemde "Binnenstadsplan 2010-2020", dat op 4 februari 2010 door de raad is vastgesteld, naar voren gebracht dat met het beleid voor de binnenstad van Den Haag, waar het Hofkwartier deel van uitmaakt, wordt gestreefd naar een mix van winkels, horeca, cultuur, uitgaan en wonen. In het in de plantoelichting genoemde "Plan van Aanpak Hofkwartier", vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 23 juni 2009, staat dat het winkel- en horeca-aanbod in het Hofkwartier, dient te worden uitgebreid en versterkt als onderdeel van het bijzondere profiel van de mix van onder meer winkels, horeca, dienstverlening en wonen. Voor een groot deel van de gronden in het Hofkwartier heeft de raad daarom gekozen voor het toekennen van bestemmingen waarbinnen, mede vanuit het een oogpunt van flexibiliteit, meerdere functies zijn toegelaten die ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Daarbij is aangesloten bij een systematiek die reeds in andere voor de omgeving van het plangebied vastgestelde plannen is neergelegd.

Volgens de plantoelichting is de functie wonen van belang voor de levendigheid en het toezicht op het moment dat de winkels zijn gesloten. Het doel van het in dit verband in de plantoelichting genoemde Binnenstadsplan is om de woonfunctie in de binnenstad van Den Haag te versterken door verdichting, het toepassen van opbouwunits, transformatie van leegstaande of leegkomende kantoren naar wooneenheden en door het aantal woningen boven winkels te vergroten in overleg met eigenaren of institutionele beleggers. Daarbij geldt volgens de plantoelichting als principe "behouden waar het zit, versterken waar het kan". Onder verwijzing naar de in 2002 door de raad vastgestelde beleidsnotitie "Notitie Wonen boven winkels in Den Haag" heeft de raad toegelicht dat het beleid wat betreft het wonen boven winkels wordt vormgegeven door middel van het faciliteren en accommoderen van de markt. De raad heeft daaraan uitdrukking gegeven in het plan door het wonen op de verdieping ingevolge de bij de bestemmingen "Gemengd-1", "Gemengd-2", "Gemengd-3" en "Gemengd-4" behorende planregels toe te staan en in artikel 31, onder l, en artikel 34, lid 34.3, aanhef en onder g, van de planregels te bepalen dat bij hoofdgebouwen bestaande opgangen op straatniveau naar hoger gelegen verdiepingen gehandhaafd moeten blijven onderscheidenlijk dat met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bepalingen van het plan ten behoeve van voor de toegankelijkheid van gebouwen noodzakelijke constructies.

7.1. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog van de bewonersvereniging geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemmingen "Gemengd-1", "Gemengd-2", "Gemengd-3" en "Gemengd-4" aan gronden in het Hofkwartier heeft kunnen toekennen, welke bestemmingen immers allemaal voorzien in de functie wonen op de verdiepingen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er geen aanleiding is voor de conclusie dat de gekozen wijze van bestemmen ten koste gaat van de bestaande woningen. De raad heeft overeenkomstig het daarvoor vastgestelde beleid in het plan voorzien in de mogelijkheid de functie wonen te faciliteren en te accommoderen. De raad heeft ter zitting voorts toegelicht dat het plan in vergelijking tot het voorheen geldende plan op meer locaties het gebruik voor wonen op de verdiepingen toelaat.

Strijd met het gemeentelijk beleid doet zich daarom in zoverre niet voor.

8. In de in de plantoelichting genoemde "Toekomstvisie Horeca 2010-2015", die op 4 februari 2010 door de raad is vastgesteld (hierna: Toekomstvisie), staat dat uitbreiding van horeca in het uitgaanscentrum aan de Grote Markt mogelijk en zelfs gewenst is. Voor het Buitenhof wordt ingezet op een combinatie van dag- en nachthoreca. Voorts staat in de Toekomstvisie dat op locaties waar horeca het winkelaanbod kan ondersteunen uitbreiding van lichte horeca mogelijk is, zoals in het Hofkwartier. Gezien de combinatie van winkels en de woonfunctie biedt het Hofkwartier volgens de Toekomstvisie kansen voor de toevoeging van daghoreca, in de lichte categorie, en het faciliteren van mengfuncties.

8.1. Aan gronden aan het Buitenhof en de Grote Markt is de bestemming "Gemengd-4" toegekend. Enkel daar, en derhalve niet in het Hofkwartier, is overeenkomstig het gemeentelijk beleid, ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels, horeca in de categorieën "licht", "middelzwaar" en "zwaar" toegelaten. De bestemming "Gemengd-2" is toegekend aan gronden aan de Torenstraat, Halstraat en de Papestraat, die in verhouding een gering gedeelte van de gronden in het Hofkwartier betreffen. Daar is ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels het gebruik voor horeca toegelaten in de categorieën "licht" en "middelzwaar". Het gebruik voor horeca in de categorie "zwaar" is ingevolge lid 7.5, onder a en b, van de planregels beperkt tot bestaand gebruik en op gronden waar een dienovereenkomstige functie-aanduiding is toegekend. Op gronden waaraan de bestemming "Gemengd-1" is toegekend, die een groot gedeelte van het plangebied betreffen, is ingevolge artikel 6, lid 6.1, het gebruik voor horeca in de categorie "licht" toegelaten. Ingevolge lid 6.5, onder a, is het gebruik voor horeca in de categorie "licht" beperkt tot de begane grond tot maximaal 20% van het aantal panden binnen een aaneengesloten bestemmingsvlak en is het gebruik voor horeca in de categorieën "middelzwaar" en "zwaar" beperkt tot het bestaande gebruik en daar waar dienovereenkomstig een functie-aanduiding aan is toegekend. Die functie-aanduidingen zijn toegekend aan een beperkt aantal locaties aan de Nobelstraat, Prinsestraat, Oude Molstraat en Heulstraat. Op de gronden met de bestemming "Gemengd-3" is gebruik voor horeca niet toegelaten.

8.2. De raad heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat het plan, voor zover het het gebruik voor horeca betreft, niet in strijd is met het gemeentelijk beleid. Voor zover de bewonersvereniging betoogt dat het plan geen beperkingen verbindt aan het gebruik voor horeca, mist het feitelijke grondslag.

Cultuurhistorische waarden

9. De bewonersvereniging betoogt dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, vierde lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Zij voert daartoe aan dat onvoldoende inzicht is verkregen in de cultuurhistorische waarden van het plangebied mede in relatie tot de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. De bewonersvereniging brengt verder naar voren dat de regels van het plan niet op de cultuurhistorische waarden zijn toegesneden. Zij betoogt in dit verband dat de schoonheid van het gebied niet in de regels is beschermd. Voorts betoogt zij dat de in artikel 29, lid 29.2, onder a, van de planregels genoemde monumentencommissie niet bevoegd is advies te geven over ontwikkelingen in het beschermd stadsgezicht en bovendien een toetsingskader voor dat advies ontbreekt. Daarnaast is volgens haar in lid 29.2, onder c, ten onrechte bepaald dat over bouwplannen die (mede) het herstel van de oorspronkelijke waarden van de betreffende bouwwerken ten doel hebben geen advies van de monumentencommissie behoeft te worden ingewonnen. Verder meent zij dat lid 29.2, onder e, ertoe kan leiden dat een dakopbouw wordt gerealiseerd, die het beschermd stadsgezicht aantast. Tenslotte geeft volgens haar lid 19.2, onder f, niet duidelijk weer welke waarden wat betreft de gevelindeling dienen te worden beschermd.

10. Ingevolge artikel 3.1.6, vierde lid, aanhef en onder a, van het Bro wordt in de plantoelichting neergelegd een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

11. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bij besluit van 28 juni 1994 door de voormalige ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen beschermd stadsgezicht in de zin van artikel 1, onder g, van de Monumentenwet 1988 "’s-Gravenhage Centrum" (hierna: aanwijzingsbesluit).

12. In de plantoelichting is aandacht besteed aan de cultuurhistorische waarden van het gebied. Daarin is toegelicht dat de in het aanwijzingsbesluit benoemde waarden zijn vertaald in het plan. Volgens de plantoelichting is rekening gehouden met het bestaande historische patroon van straten, stegen, open ruimtes en waterlopen, de vormgeving van karakteristieke panden en ensembles, waaronder de kappen en gevels, de schaal, hoogte en omvang van de bebouwing en de verkavelings- en bebouwingsstructuur. Uit de plantoelichting volgt verder dat ten behoeve van het plan een actualisatie van karakteristieke panden en ensembles heeft plaatsgevonden die in bijlage 2 van de plantoelichting en in bijlage 7 van de planregels is opgenomen.

Gelet daarop ziet de Afdeling in het betoog van de bewonersvereniging geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met artikel 3.1.6, vierde lid, aanhef en onder a, van het Bro heeft vastgesteld.

13. Aan de gronden in het plangebied is de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels zijn de voor "Waarde-Cultuurhistorie" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen als bedoeld in artikelen 3 tot en met 29, mede bestemd voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht Centrum Den Haag, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit Rijksbeschermd stadsgezicht 's-Gravenhage uitbreiding van 28 juni 1994 met de bijbehorende toelichtingen opgenomen in bijlagen 2, 3, 4, 5 en 6 van het plan.

Ingevolge lid 29.2, gelden voor het bouwen binnen de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" de volgende regels:

a. het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in lid 29.1, die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan aanwezig waren, en nadat hierover advies is ingewonnen van de Commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9, van de Monumentenverordening Den Haag (hierna: monumentencommissie);

b. het bepaalde onder a. heeft, bij strijdigheid daarmee, voorrang op de bouwregels van de andere voorkomende bestemmingen als bedoeld in lid 29.1 en op de algemene bouw- en afwijkingsregels;

c. het bepaalde onder a. geldt niet voor bouwplannen die (mede) het herstel van de oorspronkelijke waarden van de betreffende bouwwerken ten doel hebben;

d. het bepaalde onder a. geldt niet indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden en bouwwerken;

e. daar waar op de plankaart een goothoogte is aangegeven, dient een kap in stand gehouden te worden;

f. bij ver- of herbouw van de in bijlage 7 van de regels opgenomen karakteristieke panden of ensembles, dient de gevelindeling zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, gehandhaafd te worden.

13.1. Ingevolge lid 29.2, onder a, dient het bouwen plaats te vinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in lid 29.1. In lid 29.1 wordt voor de cultuurhistorische waarden verwezen naar het aanwijzingsbesluit. Voor zover daarin over de schoonheid van het gebied wordt gerept, is de bescherming daarvan aldus gewaarborgd. Het betoog faalt in zoverre.

In lid 29.1 is een toetsingskader gegeven voor de monumentencommissie, die in lid 29.2, onder a, is aangewezen als orgaan waaraan advies dient te worden gevraagd over het bouwen. De betogen dat een toetsingskader ontbreekt en de monumentencommissie niet bevoegd is om advies uit te brengen, falen daarom.

13.2. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat, anders dan in lid 29.2, onder c, is bepaald, bouwplannen die (mede) het herstel van de oorspronkelijke waarden ten doel hebben, niet van advies van de monumentencommissie hadden moeten worden uitgezonderd.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat lid 29.2, onder c, betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en derhalve in zoverre in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt in zoverre.

13.3. Voor zover de bewonerscommissie vreest dat het beschermd stadsgezicht door het plaatsen van een dakopbouw, waar volgens haar lid 29.2, onder e, de mogelijkheid toe biedt, zal worden aangetast, overweegt de Afdeling dat het plaatsen van een dakopbouw bouwen is als bedoeld in lid 29.2, onder a. Ingevolge die bepaling dienen daarbij de cultuurhistorische waarden als bedoeld in lid 29.1 in acht genomen te worden. De bescherming van de cultuurhistorische waarden is aldus ook in zoverre gewaarborgd. Het betoog faalt in zoverre.

13.4. In lid 29.2, onder f, wordt voor de gevelindeling van de in bijlage 7 van de regels opgenomen karakteristieke panden of ensembles verwezen naar de situatie zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan. In de plantoelichting staat dat daarvoor de luchtfoto’s en panoramafoto’s van de gemeente als uitgangspunt worden genomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat al deze foto’s van een datum zijn voorzien, zodat aan de hand van de aldus gedateerde foto’s de gevelindeling ten tijde van de terinzagelegging van het plan kan worden vastgesteld. De raad heeft zich aldus op het standpunt mogen stellen dat de bescherming van de gevelindeling van de karakteristieke panden en ensembles daarmee voldoende is gewaarborgd. Het betoog faalt in zoverre.

Conclusie

14. Het beroep is gegrond. Het besluit tot vaststelling van het plan dient te worden vernietigd, voor zover het artikel 29, lid 29.2, onder c, van de planregels betreft.

Proceskosten

15. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Opdracht

16. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "St. Jacobskerk e.o." voor zover het artikel 29, lid 29.2, onder c, van de planregels betreft;

III. draagt de raad van de gemeente Den Haag op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder II. genoemde onderdeel wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Den Haag tot vergoeding van bij de vereniging Bewonersvereniging Hofkwartier, de vereniging Vereniging BIZ Winkelgebied Paleis Noordeinde, [appellant A] en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Den Haag aan de vereniging Bewonersvereniging Hofkwartier, de vereniging Vereniging BIZ Winkelgebied Paleis Noordeinde, [appellant A] en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

218.