Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2773

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201311419/1/R4 en 201311419/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Fluitenberg, deelplan uitbreiding woningbouw 2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311419/1/R4 en 201311419/2/R4.

Datum uitspraak: 16 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante] en anderen, allen wonend te Fluitenberg, gemeente Hoogeveen,

en

de raad van de gemeente Hoogeveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Fluitenberg, deelplan uitbreiding woningbouw 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen beroep ingesteld.

[appellante] en anderen hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [appellante] en anderen, in de personen van [appellante], [appellante A] en [appellante B], en de raad, vertegenwoordigd door R. Kranenberg, D. Doornbos en F. Berting, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De voorzitter toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan maakt de bouw van 43 woningen mogelijk en via een wijzigingsbevoegdheid kunnen nog eens 12 woningen gerealiseerd worden. Deze nieuwbouw vindt plaats op drie locaties in Fluitenberg.

4. [appellante] en anderen betogen dat er geen behoefte is aan de in het plan voorziene woningen en dat ten onrechte geen actueel woningbehoefteonderzoek is verricht. Zij wijzen erop dat op diverse plaatsen in de omgeving van Fluitenberg bouwrijpe locaties onbenut zijn gebleven. Zij voeren aan dat uit recente cijfers blijkt dat de bevolking in de gemeente Hoogeveen krimpt, terwijl de raad in het bestemmingsplan uitgaat van een bevolkingsgroei. Volgens hen kan de woningbehoefte niet gebaseerd worden op een onderzoek van Arcadis uit 2007. De gegevens in de Regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe, de Structuurvisie Hoogeveen 2.0 en de Woonvisie 2011-2020, die dateren uit 2011 en 2012 en waar de raad in de reactie op de zienswijzen naar verwijst, zijn globaler dan het onderzoek van Arcadis en maken volgens [appellante] en anderen niet inzichtelijk dat er specifiek behoefte is aan woningbouw in het dorp Fluitenberg en aan welk type woningen dan behoefte bestaat. Zij betogen dat er vanwege de negatieve migratiecijfers, de slechte financiële vooruitzichten en het hoge werkloosheidscijfer alleen behoefte is aan goedkope koop- en huurwoningen, terwijl in het plan voornamelijk de bouw van twee-onder-een kap woningen en vrijstaande woningen worden mogelijk gemaakt. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen zij naar de uitspraken van de Afdeling van 1 september 2010, in zaak nr. 200905415/1/R3 en 4 april 2012, in zaak nr. 201005764/1/R1. [appellante] en anderen voeren voorts aan dat niet vaststaat of het plan economisch uitvoerbaar is. Zij vrezen dat gedurende lange tijd een bouwput ontstaat, doordat op twee van de drie locaties tegelijkertijd woningen gebouwd kunnen gaan worden en niet vaststaat of de projectontwikkelaar financieel draagkrachtig genoeg is en alle voorziene woningen binnen de planperiode worden gerealiseerd. Zij wijzen erop dat een ander bouwproject in de omgeving is komen stil te liggen vanwege het faillissement van de projectontwikkelaar.

4.1. De raad stelt dat het plan past binnen actuele beleidsplannen, waarin Fluitenberg is aangewezen als groeilocatie. In Fluitenberg kan volgens de raad een wervend marktgericht woonmilieu worden gecreëerd en de gunstige ligging combineert de voordelen van de voorzieningen van Hoogeveen met een aantrekkelijke ligging, zoals een goede bereikbaarheid en een mooi landschap. Volgens de raad is het plan flexibel vormgegeven, zodat ingespeeld kan worden op actuele bevolkingsontwikkeling en marktvraag. Zo zijn er diverse woningtypen mogelijk, aldus de raad. De raad stelt voorts dat voor een goed ruimtelijk eindbeeld de drie in het plan te ontwikkelen woningbouwlocaties niet van elkaar afhankelijk zijn.

4.2. Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden. De gronden op de locatie aan de Vijfhoek en de locatie aan de Schuinedijk zijn voor "Wonen" bestemd. De gronden op de locatie Fluitenbergseweg-noord kunnen in een later stadium worden ontwikkeld via een in artikel 11 van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

4.3. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;

b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

met de daarbij behorende:

c. andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

d. andere werken;

e. tuinen en erven.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, aanhef en onder c tot en met f, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

c. in de bouwaanduiding sba-2 zijn vier vrijstaande woningen toegestaan;

d. in de bouwaanduiding sba-3 zijn maximaal twee vrijstaande woningen toegestaan;

e. in de bouwaanduiding sba-4 zijn maximaal vier vrijstaande woningen toegestaan; ;

f. in de bouwaanduiding sba-7 zijn maximaal tien woningen toegestaan;

g. in de bouwaanduiding sba-8 zijn zeven aaneengebouwde woningen toegestaan in een rij van drie woningen en een rij van vier woningen;

h. in de bouwaanduiding sba-9 zijn maximaal zes woningen toegestaan in rijen van maximaal vier aaneengebouwde woningen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.4, onder a, kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2, sub 1 onder b, en toestaan dat binnen de bouwaanduiding "sba-2" vijf vrijstaande woningen zijn toegestaan, mits een, door de gemeente goedgekeurd, inpassingsplan wordt opgesteld.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder c, zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemmingen "Agrarisch", "Tuin" en "Wonen" ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied 1" te wijzigen in de bestemming "Groen", "Tuin", "Verkeer" en "Wonen" met inachtneming van de regel dat in "Wro-zone-wijzigingsgebied 1" niet meer dan twaalf woningen zijn toegestaan.

4.4. Voor zover [appellante] en anderen hebben aangevoerd dat het plan ten onrechte is gebaseerd op een woningbehoefteonderzoek uit 2007, overweegt de voorzitter dat, zoals de raad ter zitting heeft bevestigd, dit onderzoek niet ten grondslag heeft gelegen aan het plan. Het betoog van [appellante] en anderen mist in zoverre feitelijke grondslag.

4.5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, in zaak nr. 200905415/1/R3 en de uitspraak van 4 april 2012 in zaak nr. 201005764/1/R4, waarnaar [appellante] en anderen verwijzen, volgt dat een krimp van de bevolking in een gemeente niet per definitie met zich hoeft te brengen dat in een gemeente geen behoefte aan nieuwe woningen is of kan ontstaan. Voorts volgt uit die uitspraken dat dit de raad evenwel niet van de verplichting ontslaat inzichtelijk te maken in hoeverre met een krimpende bevolking rekening is gehouden bij de vaststelling van het plan en in hoeverre onder ogen is gezien of het plan binnen een termijn van tien jaar kan worden uitgevoerd.

4.6. De raad heeft de behoefte aan de in het plan voorziene woningen onderbouwd aan de hand van de op 1 december 2011 door de raad vastgestelde Woonvisie 2011-2020, de op 30 oktober 2012 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde Regionale Woonvisie en de op 13 december 2012 door de raad vastgestelde Structuurvisie Hoogeveen 2.0. In de plantoelichting is ingegaan op de inhoud van deze beleidsstukken. Uit de Woonvisie volgt dat tot en met 2020 voor de gemeente Hoogeveen een groei van 1.650 huishoudens wordt verwacht. Deze prognose sluit volgens de Woonvisie aan op de groeiverwachting in de provinciale prognoses en de provinciale Omgevingsvisie. Over het dorp Fluitenberg is in de Woonvisie vermeld dat vanwege de ligging van Fluitenberg in het landschap en ten opzichte van Hoogeveen en de bereikbaarheid van het dorp de verwachting is dat Fluitenberg zal groeien. De groei van Fluitenberg richt zich volgens de Woonvisie niet alleen op eigen aanwas van het dorp, maar ook op de instroom vanuit de gemeente Hoogeveen en van daarbuiten. In de Woonvisie 2011-2020 zijn geen taakstellende aantallen opgenomen voor Fluitenberg, maar de Woonvisie biedt in Fluitenberg ruimte voor het bouwen van 60 woningen.

In de Regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe zijn de indicatieve aantallen uit de Woonvisie 2011-2020 aangescherpt en heeft regionale afstemming plaatsgevonden over het woningbouwprogramma, waarbij de in het plan voorziene uitbreiding van Fluitenberg is meegenomen. De bevolkingsprognoses van de provincie uit maart 2012 zijn het uitgangspunt geweest bij deze Regionale Woonvisie en zijn ook betrokken bij de vaststelling van de Structuurvisie Hoogeveen 2.0. Dit betreft een actualisatie van de Structuurvisie Hoogeveen 2015-2030 van 23 december 2004.

4.7. Het in het plan voorziene aantal woningen past binnen de genoemde beleidsstukken. Dit wordt niet bestreden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij de vaststelling van de Structuurvisie Hoogeveen 2.0 rekening is gehouden met de afzwakkende groei van de bevolking. Zo is volgens de raad een aantal woningbouwplannen komen te vervallen, zoals het bebouwen van het Hollandsche Veld, Nijstad en Alteveer. De contingentering die voor het dorp Fluitenberg is opgenomen in de Woonvisie is volgens de raad bij de actualisering van de structuurvisie onveranderd gebleven. Daarbij heeft de raad ter zitting toegelicht dat de Woonvisie is gebaseerd op provinciale gegevens, waarbij niet alleen gekeken is naar bevolkingsontwikkeling, maar ook naar de ontwikkeling van het aantal huishoudens. Er zijn volgens de raad meer huizen nodig voor hetzelfde aantal mensen door gezinsverdunning, voor mensen van buiten en voor natuurlijke aanwas. Gelet hierop stelt de voorzitter vast dat de raad rekening heeft gehouden met de gewijzigde economische omstandigheden en demografische ontwikkelingen. [appellante] en anderen hebben met het overleggen van meer recente gegevens over de bevolkingskrimp in Drenthe in het algemeen en Hoogeveen in het bijzonder en de samenstelling van de inwoners van Fluitenberg niet aannemelijk gemaakt dat de prognoses in genoemde beleidsstukken niet meer voldoende actueel zijn. Voor zover [appellante] en anderen hebben gewezen op krantenartikelen over bouwlocaties in de omgeving, overweegt de voorzitter dat deze dateren van na het nemen van het bestreden besluit en in zoverre niet konden worden betrokken bij de besluitvorming. Daarbij betrekt de voorzitter dat de omstandigheid dat, zoals [appellante] en anderen betogen, de voorziene woningbouw in omliggende dorpen nog niet is gerealiseerd, op zichzelf niet betekent dat er binnen de planperiode van tien jaar geen behoefte bestaat aan woningen in het plangebied.

4.8. Ingevolge artikel 7 van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding maakt het plan niet alleen de bouw van vrijstaande en twee-onder-een kap woningen mogelijk, zoals [appellante] en anderen aanvoeren, maar voorziet het plan ook in de realisatie van aaneengebouwde woningen. Niet valt in te zien waarom het plan niet zou aansluiten op de behoefte aan verschillende type woningen.

4.9. Gelet op het voorgaande biedt hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich wat de woningbehoefte betreft niet in redelijkheid kon baseren op voornoemde beleidsstukken. De raad heeft er naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid van kunnen uitgaan dat binnen de planperiode behoefte bestaat aan de realisering van de in het plan voorziene woningen.

4.10. De vrees van [appellante] en anderen dat zij gedurende lange tijd met een bouwput worden geconfronteerd, heeft geen betrekking op het plan, maar op de uitvoering daarvan. Mogelijke uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

4.11. Met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan overweegt de voorzitter dat uit de plantoelichting volgt dat een anterieure overeenkomst is gesloten met de vertegenwoordiger van de partijen die het plan gaan ontwikkelen. Volgens de plantoelichting worden de wettelijk te verhalen kosten door de gemeente Hoogeveen vanwege een positief saldo op de te voeren grondexploitatie volledig op deze partijen verhaald. Met de verwijzing naar een ander project, dat stil is komen te liggen, omdat de ontwikkelaar failliet is gegaan, hebben [appellante] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat op voorhand moet worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt in zoverre.

5. Voor zover [appellante] en anderen in het beroepschrift verzoeken de inhoud van hun zienswijzen als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de voorzitter dat in de Nota van zienswijzen behorende bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellante] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Alderlieste

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014

590.