Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201311301/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2013, kenmerk Nr. 2013/10-15 13INT585, heeft de raad het bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Oosterhoeve" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311301/1/R2.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen (hierna in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te Beneden-Leeuwen, gemeente West Maas en Waal,

en

de raad van de gemeente West Maas en Waal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2013, kenmerk Nr. 2013/10-15 13INT585, heeft de raad het bestemmingsplan "Beneden-Leeuwen, Oosterhoeve" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant] en bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door M.G.M. Megens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een woongebouw voor vijf wooneenheden aan de Oosterpas (ongenummerd) tussen de nummers 19 en 23 te Beneden-Leeuwen.

Formele beroepsgronden

3. [appellant] heeft ter zitting zijn beroepsgrond met betrekking tot het niet opnemen van een aanduiding "sw-ber" in de verbeelding die is te raadplegen op www.ruimtelijkeplannen.nl, ingetrokken.

4. Voor zover [appellant] betoogt dat door de publicatie van het vaststellingsbesluit onduidelijkheid bestaat over de inhoud van het besluit, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoogt faalt.

5. Voor zover [appellant] betoogt dat onduidelijk is welke van de in de plantoelichting en de bijlage daarbij opgenomen ontwerpen van toepassing is, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening volgt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een plantoelichting. Deze plantoelichting maakt geen deel uit van het plan. Dit betekent dat geen bindende betekenis toekomt aan de plantoelichting en het daarin opgenomen ontwerp. Dit betoog kan derhalve niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant] betoogt dat onduidelijk is wie de initiatiefnemer van het plan is, nu een andere vennootschap is genoemd als opdrachtgever voor enkele als bijlage bij de toelichting gevoegde rapporten, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, dit niet kan leiden tot het oordeel dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de stedenbouwkundige adviezen die aan het ontwerpplan ten grondslag zijn gelegd, ten onrechte niet ter inzage hebben gelegen. Hij stelt tijdens de inzagetermijn van het ontwerpplan te hebben verzocht om de stedenbouwkundige adviezen in te zien, waarna hij het stedenbouwkundige advies mocht inzien dat in 2009 door SAB is uitgebracht. [appellant] stelt verder dat hem pas in september 2013 is gebleken dat Buro van der Goes in 2009 voorafgaand aan het advies van SAB een advies heeft uitgebracht.

7.1. De raad stelt dat het stedenbouwkundige advies dat in 2009 door Buro van der Goes is uitgebracht en het stedenbouwkundige advies dat in 2009 door SAB is uitgebracht richtinggevend zijn geweest voor de voorbereiding van het plan. Verder heeft [appellant] voorafgaand aan de vaststelling van het plan van deze adviezen kennis kunnen nemen, aldus de raad.

7.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

7.3. Volgens de raad zijn de stedenbouwkundige adviezen die in 2009 door Buro van der Goes en SAB zijn uitgebracht onmiddellijk na een daartoe strekkend verzoek aan [appellant] overgelegd. Derhalve is niet in geschil dat deze documenten niet met het ontwerp ter inzage hebben gelegen. Nu de raad zich in het verweerschrift voorts op het standpunt heeft gesteld dat deze adviezen richtinggevend zijn geweest voor de voorbereiding van het plan en mede gelet op de inhoud van deze adviezen, merkt de Afdeling deze adviezen aan als stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpplan. Ten onrechte is de ter inzagelegging daarvan achterwege gebleven.

7.4. Niet in geschil is dat [appellant] voor de vaststelling van het plan de stedenbouwkundige adviezen heeft ontvangen. [appellant] heeft de gelegenheid gehad hierop voorafgaand aan de vaststelling van het plan te reageren. Hij heeft bij zijn zienswijze een stedenbouwkundig advies overgelegd dat is betrokken bij de voorbereiding en hij heeft ook anderszins mogen inspreken. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het niet aannemelijk dat [appellant] door dit gebrek is benadeeld. Evenmin is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat onbekende belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld, aangezien uit de wel ter inzage gelegde stukken, waaronder de toelichting op het ontwerpplan, duidelijk was welke ontwikkeling de raad voornemens was in het plan te voorzien. Indien iemand op basis van die ter inzage gelegde stukken geen bezwaar had tegen de in het ontwerpplan voorziene bouw van het woongebouw, dan is niet aannemelijk dat diegene dat bezwaar wel zou hebben na kennisneming van twee stedenbouwkundige adviezen die in het kader van een huisvestingstoets zijn opgesteld. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De in dit verband aangevoerde bezwaren van [appellant] treffen dan ook geen doel.

Aanpassingen plan

8. [appellant] betoogt dat sprake is van een wezenlijk ander plan dan het ontwerpplan, waardoor de planprocedure opnieuw had moeten worden doorlopen. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan dat de aanleiding voor het bestemmingsplan vormt in overwegende mate is gewijzigd, terwijl de uiteindelijke versie voor hem niet kenbaar is. Hij stelt daarnaast dat uit de benodigde nieuwe toetsing van het gewijzigde bouwplan door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit volgt dat het plan wezenlijk verschilt van het ontwerpplan. Hij voert voorts aan dat in de toelichting van het vastgestelde plan een ander type woningen is vermeld dan in de toelichting van het ontwerpplan stond.

8.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. De veranderingen in de omvang van het bouwvlak en de verlaging van de maximale bouw- en goothoogtes van het hoofdgebouw zijn van ondergeschikte aard. Ten aanzien van de toelichting wordt voorts overwogen dat de toelichting geen juridisch bindend onderdeel van het plan is, zodat de wijzigingen in de toelichting niet tot een verandering van het ter plaatse geldend planologisch regime leiden.

Het betoog faalt.

9. Voor zover [appellant] betoogt dat het toekennen van de bouwaanduiding "aaneengebouwd" aan het bouwvlak voor de voorziene woningen in strijd is met het door de gemeente gehanteerde "Handboek bestemmingsplannen", overweegt de Afdeling het volgende. Nog daargelaten wat de status van het Handboek bestemmingsplannen is, of het daarin bepaalde de raad bindt en of het plan in overeenstemming is met hetgeen in het handboek is bepaald, kan een eventuele afwijking van het bepaalde in het Handboek bestemmingsplannen reeds niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit, nu in paragraaf 2.1 van het Handboek bestemmingsplannen is vermeld dat van het handboek mag worden afgeweken.

Het betoog faalt.

Stedenbouwkunde

10. [appellant] betoogt dat de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing te kolossaal is, zowel wat betreft volume als hoogte. Hij verwijst daartoe naar het door hem in aanvulling op zijn zienswijze overgelegde stedenbouwkundige advies dat op 21 september 2009 door ir. J. Metz is uitgebracht en naar de twee stedenbouwkundige adviezen die aan het ontwerpplan ten grondslag zijn gelegd.

10.1. De raad stelt dat de twee bedoelde adviezen zijn uitgebracht in het kader van de door de raad op 13 september 2007 vastgestelde beleidsnota Kleinschalige Woningbouwplannen 2007 (hierna: BKW 2007). De BKW 2007 ziet volgens de raad op de volkshuisvesting binnen de gemeente. Het uiteindelijke planontwerp is vervolgens door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stedenbouwkundig beoordeeld en akkoord bevonden, aldus de raad.

10.2. In het stedenbouwkundig advies dat op 20 maart 2009 door Buro van der Goes is uitgebracht is over het volume en de hoogte van de bebouwing vermeld dat het zeer grote bouwvolume onder kanttekeningen door de vorm van de bebouwing acceptabel is. Het stedenbouwkundig advies dat SAB daarna op 20 mei 2009 heeft uitgebracht, vermeldt dat het bouwplan tijdens de eerste beoordeling onder voorwaarden akkoord was, en dat het plan inmiddels aan die voorwaarden voldoet, behoudens ten aanzien van de parkeerplaatsen. De raad stelt zich in zijn reactie op de zienswijzen onder verwijzing naar de stedenbouwkundige beoordeling op het standpunt dat de bouwhoogtes en de bebouwing, ondanks het grote bouwvolume, stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn. Het advies van ir. J. Metz dat door [appellant] is overgelegd, is op 11 mei 2012 stedenbouwkundig beoordeeld door Pouderoyen. Onder verwijzing naar die beoordeling door Pouderoyen stelt de raad dat het advies van ir. J. Metz niet bij de besluitvorming hoefde te worden betrokken, omdat dat advies voorbij gaat aan de gemeentelijke ontwikkelingsvisie en voorts niet blijkt dat dat advies is opgesteld door iemand die bekend is met de lokale situatie. Verder heeft de raad bij de vaststelling van het plan betrokken dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit het uiteindelijke planontwerp op 5 september 2013 heeft beoordeeld en akkoord heeft bevonden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door het plan mogelijk gemaakte bebouwing stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

Het betoog faalt.

Parkeren

11. [appellant] betoogt dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Hij stelt daartoe dat op de gronden waaraan de bestemming "Wonen - 1" en de functieaanduiding "tuin" is toegekend geen parkeerplaatsen zijn toegestaan, zodat geen parkeerplaatsen op het terrein kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast stelt hij dat de raad ten onrechte het parkeerbeleid uit de Nota Parkeren 2010 heeft toegepast in plaats van de Nota Parkeren 2012. De Nota Parkeren 2012 is volgens [appellant] in strijd met de rechtszekerheid nu daarin is bepaald dat de Nota Parkeren 2012 niet van toepassing is op bestemmingsplannen waarvan de voorbereiding al zo ver is gevorderd dat redelijkerwijs toetsing aan de normen van deze nota niet meer te rechtvaardigen valt. Daarnaast was het plan volgens [appellant] niet dusdanig ver gevorderd dat toetsing aan de Nota Parkeren 2012 niet te rechtvaardigen was.

11.1. De raad stelt dat op het plan de Nota Parkeren 2010 van toepassing is, omdat de voorbereiding van het plan al zo ver was gevorderd dat toetsing aan de Nota Parkeren 2012 niet meer redelijkerwijs te rechtvaardigen was.

11.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor wonen met de daarbij behorende tuinen, erven en parkeervoorzieningen.

Ingevolge lid 3.1.2 dient bij de bouw van woningen op eigen terrein te worden voldaan aan de parkeernorm van 1,55 parkeerplaats per starters- of seniorenwoning.

Blijkens een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding mogen binnen het bouwvlak ten hoogste vijf wooneenheden worden gerealiseerd.

11.3. Op de gronden waaraan de bestemming "Wonen - 1" is toegekend zijn ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels parkeervoorzieningen toegestaan. De regels die in artikel 3, lid 3.2.3, van de planregels worden gesteld voor het bouwen van gebouwen op gronden waaraan de functieaanduiding "tuin" is toegekend, houden geen beperking ten aanzien van parkeervoorzieningen in. Het betoog dat op het terrein geen parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd, mist derhalve feitelijke grondslag.

Het plan maakt ten hoogste vijf wooneenheden mogelijk. Volgens de parkeernorm van 1,9 parkeerplaats per woning die is opgenomen in de op 21 juni 2012 door de raad vastgestelde Nota Parkeren 2012, moeten in dit geval 10 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In de Nota Parkeren 2012 is vermeld dat de normen uit die nota niet gelden voor bestemmingsplannen waarvan de voorbereiding al dusdanig ver is gevorderd dat redelijkerwijs toetsing aan de normen van die nota niet meer valt te rechtvaardigen. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling voldoende nauwkeurig bepaald op welke bestemmingsplannen de nota van toepassing is. Nu het ontwerpplan op 28 juli 2011 ter inzage is gelegd en de Nota Parkeren 2012 pas op 1 juli 2012 in werking is getreden, heeft de raad in redelijkheid de parkeernorm van 1,55 parkeerplaats per starters- of seniorenwoning overeenkomstig de Nota Parkeren 2010 in de planregels kunnen opnemen.

Ingeval de in het plan mogelijk gemaakte woningen vijf starters- of seniorenwoningen zijn, dienen ingevolge artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels, op eigen terrein acht parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Uit het uiteindelijke planontwerp dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op 5 september 2013 heeft beoordeeld en akkoord heeft bevonden, blijkt dat op eigen terrein kan worden voorzien in acht parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van het bouwvlak waarbinnen de in het plan voorziene woningen dienen te worden gebouwd en het maximumaantal van vijf wooneenheden binnen het bouwvlak, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat met de acht mogelijke parkeerplaatsen niet kan worden voldaan aan de parkeernorm die in de planregels is neergelegd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen bouwplan mogelijk is dat voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

Het betoog faalt.

Woningbouwbeleid

12. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met de op 15 december 2010 door provinciale staten van Gelderland vastgestelde Ruimtelijke Verordening Gelderland (hierna: RVG), omdat daaruit volgens hem volgt dat de vijf woningen niet mogen worden gebouwd.

12.1. De raad stelt dat het plan niet in strijd is met de RVG. Het plangebied ligt binnen het in de RVG aangewezen bestaand bebouwd gebied en de in het plan voorziene woningbouw is in overeenstemming met het door het college van gedeputeerde staten van Gelderland vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma (hierna: KWP) voor de regio Rivierenland, aldus de raad.

12.2. Ingevolge artikel 2, lid 2.2, aanhef en onder a, van de RVG is in een bestemmingsplan nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken slechts toegestaan binnen bestaand bebouwd gebied.

Ingevolge artikel 3 dienen de in een bestemmingsplan op te nemen nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen te passen in het vigerende, door het college van gedeputeerde staten van Gelderland vastgestelde KWP voor de betreffende regio en het daarin opgenomen regiototaal aan woningen.

12.3. Vaststaat dat het plangebied valt binnen het bestaand gebouwd gebied, zoals dat in de RVG is aangewezen. In het KWP voor de regio Rivierenland is vermeld dat in de periode 2010-2019 in de regio Rivierenland 9.800 woningen netto worden toegevoegd. Gelet hierop heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de raad het plan wat de hierin voorziene woningen betreft in strijd met de RVG heeft vastgesteld.

Het betoog faalt.

13. [appellant] betoogt voorts dat het plan ten onrechte is getoetst aan de BKW 2007 en dat het plan aan de beleidsnota Kleinschalige Woningbouwplannen 2009 (hierna: BKW 2009) had moeten worden getoetst.

13.1. De raad heeft in de raadsvergadering van 24 september 2009, waarin de BKW 2009 is vastgesteld, besloten dat het nieuwe woningbouwbeleid niet geldt voor bouwprojecten die op dat moment reeds in ontwikkeling zijn of zijn voorzien. In de plantoelichting is vermeld dat het verzoek voor het plan is ingediend in februari 2009 en dat is getoetst aan het op dat moment geldende beleidskader, zoals dit was neergelegd in de BKW 2007. Gelet hierop heeft de raad het plan dan ook terecht aan de BKW 2007 getoetst.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

14. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

159-803.