Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201311024/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:8215, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen op het perceel [locatie 1] te Pernis (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311024/1/A1.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B], beiden wonend te Pernis (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2013 in zaak nr. 12/2811 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen op het perceel [locatie 1] te Pernis (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 januari 2013 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 oktober 2011 gehandhaafd met aanvulling van de motivering.

Bij uitspraak van 24 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J. Michielsen, advocaat te Rotterdam, en het college vertegenwoordigd door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] verschenen.

Overwegingen

1. De woning op het perceel vormt met de woning op het perceel [locatie 2] een dubbelpand. Het dubbelpand grenst aan een boerderij, die is aangewezen als rijksmonument en ligt in een gebied dat in de Koepelnota Welstand Rotterdam, vastgesteld door de raad van de gemeente Rotterdam op 29 april 2004, (hierna: de Koepelnota) is aangeduid als "Historische linten en kernen".

2. Ter zitting heeft [appellant] haar beroepsgrond dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan is strijd is met het bestemmingsplan, omdat de voorziene dakopbouw niet kan worden aangemerkt als een "theoretisch profiel van een kap", ingetrokken.

3. Ingevolge het ter plaatse op 7 januari 2013 geldende bestemmingsplan "Pernis" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

In de verbeelding is weergegeven dat de maximale bouwhoogte ter plaatse 9 m bedraagt en dat het aanbrengen van een kap is toegestaan.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hetgeen zij over het voorgaande bouwplan, dat voorzag in een dakopbouw met rechte wanden, heeft aangevoerd niet relevant is en derhalve buiten beschouwing kon worden gelaten. Daartoe voert zij aan dat het college dat bouwplan naar aanleiding van het negatieve advies van 18 februari 2011 van de Commissie voor Welstand en Monumenten Rotterdam (hierna: de welstandscommissie) in strijd met redelijke eisen van welstand heeft geacht en dat het onderhavige bouwplan, dat voorziet in een dakopbouw met schuine wanden, daarmee evenzeer in strijd is.

Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat het college aan zijn besluit van 7 januari 2013 niet het positieve advies van 29 september 2011 met de aanvulling van 7 december 2012 van de welstandscommissie ten grondslag mocht leggen, nu daaruit niet blijkt waarom dat anders luidt dan het negatieve welstandsadvies, aldus [appellant]. Bovendien heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte overwogen dat zij haar standpunt, dat uitgangspunten van de Koepelnota niet in acht zijn genomen, niet heeft onderbouwd. Zij heeft met de verwijzing naar haar eerdere aanvraag kenbaar gemaakt dat door realisering van het bouwplan het in de Koepelnota opgenomen belang van de herkenbaarheid van het historisch karakter van het lint als geheel wordt aangetast, aldus [appellant].

4.1. Volgens het positieve welstandsadvies dat het college aan zijn besluit op bezwaar van 7 januari 2013 ten grondslag heeft gelegd, voldoet de voorziene dakopbouw met schuine wanden niet alleen aan redelijke eisen van welstand, maar tevens aan de criteria die gelden in een bijzonder geval als dit waarin sprake is van een belendend monument. De architectonische kwaliteit die dat vereist met bijzondere aandacht voor materiaalgebruik en detaillering wordt naar het oordeel van de welstandscommissie voldoende recht gedaan. [appellant] heeft dit advies als zodanig niet bestreden. Aan het aangevoerde dat door realisering van het bouwplan het in de Koepelnota opgenomen belang van de herkenbaarheid van het historisch karakter van het lint als geheel wordt aangetast, alsmede aan het negatieve welstandsadvies over het voorgaande bouwplan, omdat daarmee de architectonische eenheid en de oorspronkelijke contourlijn van het dubbelpand geheel verloren gaan, komt niet de betekenis toe die [appellant] daaraan toegekend wenst te zien. Daartoe wordt overwogen dat het college zich terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010, in zaak nr. 200907830/1/H1, op het standpunt heeft gesteld dat de welstandstoets zich in beginsel heeft te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.

Nu ingevolge het geldende bestemmingsplan ter plaatse uitdrukkelijk woningen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 9 m en een kap, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze bouwmogelijkheden voor de welstandscommissie het uitgangspunt zijn geweest bij de welstandtoets van het onderhavige bouwplan. Aangezien het betoog van [appellant] er op neer komt dat deze bouwmogelijkheden uit een oogpunt van welstand onaanvaardbaar zijn, kan daarin geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op het positieve welstandsadvies.

Dat de welstandscommissie over het voorgaande bouwplan negatief heeft geadviseerd, maakt dat niet anders. Dat bouwplan was in strijd met het toentertijd geldende bestemmingsplan, zodat geen sprake was van bouwmogelijkheden die de welstandscommissie bij dat advies als uitgangspunt diende te nemen. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

407-757.