Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201307572/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[partij] - Tabaksveld, 2e fase" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307572/1/R2.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna: tezamen en in enkelvoud [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna: tezamen en in enkelvoud [appellant sub 2]), allen wonend te Puiflijk, gemeente Druten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Druten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[partij] - Tabaksveld, 2e fase" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2014, waar [appellant sub 1B], vertegenwoordigd door mr. S. Oord, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], vertegenwoordigd door mr. T. van Steenis, werkzaam bij Klaverblad Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. ing. M.W.H.P. Jansen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 34 nieuwe woningen, waaronder vrijstaande, twee-onder-een-kapwoningen en aaneengesloten woningen, aan de Meerstraat 9 aan de zuidwestzijde van het kerkdorp Puiflijk, op de plaats waar thans nog een tuincentrum is gevestigd. Ontvankelijkheid

3. De raad en [partij] betogen dat [appellant sub 2] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van de bijlage van de Awb, kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

3.2. De woning van [appellant sub 2] aan de Slink 11A is gelegen op een afstand van ongeveer 200 meter van de dichtstbijzijnde grens van het plangebied. [appellant sub 2] heeft vanuit zijn woning geen zicht op het plangebied. Gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, is een afstand van ongeveer 200 meter bij de afwezigheid van zicht op het plangebied naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 2] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt. Weliswaar is ten zuiden van de Slink een waterberging ten behoeve van het plan voorzien, maar die berging maakt geen deel uit van het plan en de afwatering van het plangebied loopt niet via het perceel van [appellant sub 2]. De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, zodat zijn beroep niet-ontvankelijk is. Ingetrokken beroepsgronden

4. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgronden met betrekking tot zijn woon- en leefklimaat, het parkeren, de berekening van het verhard oppervlak van het plangebied en het onzorgvuldig beantwoorden van zijn zienswijze ingetrokken. Waterberging

5. [appellant sub 1] vreest dat hij op zijn perceel aan de [locatie] wateroverlast zal ondervinden vanwege de waterberging die ten behoeve van het plan buiten het plangebied ten zuiden van de percelen aan de Slink is voorzien. Hij betoogt dat de waterberging ten onrechte niet binnen het plangebied is voorzien. [appellant sub 1] stelt dat hij in de huidige situatie al veel wateroverlast ondervindt op zijn perceel. Het plan brengt mee dat de afwateringsproblemen op zijn perceel, mede gelet op de lagere ligging ten opzichte van het plangebied, zal toenemen. Verder betoogt [appellant sub 1] dat bij de berekeningen van het waterpeil en de capaciteit van de waterberging onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de waterberging niet zonder grote aantasting van de stedenbouwkundige en ruimtelijke opzet in het plangebied kan worden gerealiseerd. Verder zou een groot deel van de voorziene woningen niet kunnen worden gebouwd. In overleg met het waterschap is gekozen voor een waterberging in het oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied als het plangebied. Door de aanleg van de waterberging wordt ruim voorzien in de wateropgave van het plangebied.

5.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van een waterberging in het plangebied een aantasting zou betekenen van de stedenbouwkundige en ruimtelijke opzet van het plangebied. De raad heeft daarbij mede in aanmerking mogen nemen dat de aanleg van een waterberging, gelet op de omvang daarvan, in het plangebied ertoe zou leiden dat een groot aantal voorziene woningen niet zou kunnen worden gebouwd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de totstandkoming van de waterberging op de thans voorziene locatie ten zuiden van de Slink in hetzelfde peilgebied als het plangebied niet voldoende is gewaarborgd. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan zich niet verzet tegen de aanleg van de berging. Overigens heeft het waterschap op 29 augustus 2013 vergunning verleend voor de waterberging. Het betoog faalt.

5.3. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de berekening van de noodzakelijke capaciteit van de waterberging onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd. In de berekeningen die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, wordt een peilstijging van enkele centimeters aangenomen. Blijkens het verweerschrift is in het ontwerpbestemmingsplan abusievelijk een verkeerd waterpeil, te weten 5.25 meter+NAP voor het gebied opgenomen. In het plan is dit hersteld en aangepast naar 5.10 meter+NAP, overeenkomstig het waterpeil waartoe het waterschap op 28 oktober 2005 heeft besloten. Ter zitting is gebleken dat over die aanpassing naar 5.10 meter+NAP tussen partijen inmiddels geen verschil van mening meer bestaat. Uit de berekeningen van de hydroloog van het waterschap is gebleken dat bij een maatgevende bui ten gevolge van de ontwikkeling in de A-watergang ten zuiden van de Meerstraat een peilstijging optreedt van ongeveer 2 centimeter. De peilstijging vlakt in het watersysteem af en valt ruim binnen de marges van 30 centimeter die het waterschap hanteert. Daarnaast is er ruimte voor dit water in het watersysteem gerealiseerd. In de in opdracht van de raad opgestelde notitie van bureau Kragten van 14 oktober 2013 (hierna: notitie) is vermeld dat genoemde peilstijging van ongeveer 2 centimeter geen gevolgen heeft voor de C-watergang voor het perceel van [appellant sub 1]. Wat betreft de lagere ligging van het perceel van [appellant sub 1] ten opzichte van het plangebied, is gebleken dat in de huidige situatie het merendeel van het hemelwater dat valt op het verhard oppervlak van het tuincentrum, wordt afgevoerd naar de C-watergang ten noorden van de Meerstraat, voor het perceel van [appellant sub 1]. In de nieuwe situatie wordt al het hemelwater direct onder de Meerstraat door in de A-watergang ten zuiden van de Meerstraat gebracht. Hierdoor komt er minder water in de C-gang voor het perceel van [appellant sub 1], hetgeen bevestigd wordt door de notitie. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het plan de afwateringsproblemen, die hij op zijn perceel stelt te ondervinden, zullen toenemen. Het betoog faalt.

Ontwikkeling perceel [locatie]

6. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte niet de ontwikkeling van zijn perceel aan de [locatie] heeft meegenomen in het plan, overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij is in aanmerking genomen dat de raad, blijkens het verweerschrift en het daarbij gevoegde in gemeentelijke opdracht opgestelde rapport Companen van 8 maart 2011, volgens zijn op 24 maart 2011 en 7 juli 2011 vastgestelde beleid alle woningbouwlocaties in de gemeente zijn gewogen en voor een aantal is aangegeven dat die tot 2020 kunnen worden gerealiseerd. De andere locaties, waaronder die van [appellant sub 1], behoren daar niet toe. Dit beleid is ook opgenomen in de structuurvisie die de raad op 16 februari 2012 heeft vastgesteld. Ook anderszins heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige ruimtelijke samenhang tussen zijn perceel en de gronden in het plangebied dat zijn perceel in het plan had moeten worden opgenomen. Het betoog faalt.

7. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 1B] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

12.