Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201310999/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:16015, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 februari 2013 (lees: 1 maart 2013) heeft het college desverzocht aan [appellant] medegedeeld dat in de verwijsindex risicojongeren (hierna: verwijsindex) geen actief signaal aanwezig is over zijn zoon.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Wet bescherming persoonsgegevens 45
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 2d
Wet op de jeugdzorg 2e
Wet op de jeugdzorg 2j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2014/72
JBP 2015/17
GZR-Updates.nl 2014-0356
Module Privacy en persoonsgegevens 2016/1115

Uitspraak

201310999/1/A3.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2013 in zaak nr. 13/4673 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van

Leidschendam-Voorburg.

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2013 (lees: 1 maart 2013) heeft het college desverzocht aan [appellant] medegedeeld dat in de verwijsindex risicojongeren (hierna: verwijsindex) geen actief signaal aanwezig is over zijn zoon.

Bij besluit van 3 juni 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door H. Görtz, C.A. van der Meer en D. Nefkens, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2d, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg (hierna: de Wjz) is er een verwijsindex risicojongeren, zijnde een landelijk elektronisch systeem, waarin persoonsgegevens in de zin van artikel 1, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) alsmede andere gegevens worden verwerkt. Ingevolge het tweede lid heeft de verwijsindex tot doel vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegden te bewerkstelligen, opdat zij jeugdigen tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te beperken of weg te nemen.

Ingevolge artikel 2e, derde lid, is voor de toepassing van de artikelen 34 tot en met 40 en 43 van de Wbp de verantwoordelijke het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die afspraken als bedoeld in artikel 2g heeft gemaakt met de instantie waarvoor de meldingsbevoegde die de jeugdige heeft gemeld werkzaam is of, indien die niet werkzaam is voor een instantie, de meldingsbevoegde.

Ingevolge artikel 2j, aanhef, kan een meldingsbevoegde zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het tweede lid bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 45 geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 35 voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Op 15 januari 2013 heeft [appellant] een verzoek ingediend om inzage in de verwijsindex met betrekking tot informatie die over zijn zoon en eventueel over hem en zijn partner als ouders is geregistreerd.

Bij het besluit van 1 maart 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in de verwijsindex geen persoonsgegevens zijn opgenomen. Dit blijkt uit de op 4 februari 2013 door het college aan [appellant] overgelegde printscreen.

In bezwaar heeft [appellant] aan de hoorcommissie een stuk overgelegd waaruit blijkt dat van 24 november 2011 tot en met 13 december 2011 een signaal over zijn zoon actief is geweest.

In het besluit van 3 juni 2013 heeft het college overwogen dat de verwijsindex niet als zoeksysteem werkt en dat er pas een match tot stand komt als twee of meer instanties over dezelfde persoon een signaal afgeven. In dat geval krijgen die instanties hiervan bericht. Een melding wordt volgens het college na een jaar automatisch verwijderd. Het college heeft in de verwijsindex niet alleen geen actueel signaal aangetroffen, maar evenmin een signaal uit het verleden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door het college te volgen in diens standpunt, heeft miskend dat er een match in de verwijsindex is geweest. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat er destijds ten onrechte en zonder zijn toestemming een melding is gedaan in de verwijsindex om hem en zijn gezin in een kwaad daglicht te stellen. Volgens hem is er destijds oneigenlijk gebruik gemaakt van dit instrument. Als gevolg van deze melding is het gezag van de ouders op grond van de Wjz overgenomen, aldus [appellant].

3.1. Gelet op de op 4 februari 2013 aan [appellant] overgelegde screenprint is de rechtbank terecht het college gevolgd in diens standpunt dat op het moment van het raadplegen van de verwijsindex geen signaal over de zoon van [appellant] in de verwijsindex is aangetroffen en daarin derhalve geen persoonsgegevens van hem worden verwerkt. Dat er volgens [appellant] in het verleden wel een melding in de verwijsindex zou hebben gestaan, laat onverlet dat deze melding op het moment van raadplegen niet in de verwijsindex was opgenomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gang van zaken omtrent die eventuele eerdere melding buiten de omvang van het geding valt.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

434-805.