Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201310718/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 11 april 2012 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] tot handhavend optreden tegen ArkeFly, onderdeel van de naamloze vennootschap TUI Nederland N.V., buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/175

Uitspraak

201310718/1/A3.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 oktober 2013 in zaak nr. 12/4247 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij brief van 11 april 2012 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] tot handhavend optreden tegen ArkeFly, onderdeel van de naamloze vennootschap TUI Nederland N.V., buiten behandeling gesteld.

Op 20 augustus 2012 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door drs. M.S.J. Hoorntje, rechtsbijstandverlener te Oosterhout, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. Mearadji en J. van Egmond, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder g, van Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004 L 46; hierna: de Verordening) wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan onder "boeking": het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is deze verordening van toepassing

a) op passagiers die vertrekken van een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;

b) op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid van toepassing op voorwaarde dat de passagiers

a) een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hebben en zich - behalve in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 - bij de incheckbalie melden,

- zoals bepaald en op de tijd die van tevoren door de luchtvaartmaatschappij, de touroperator of een erkend reisbureau schriftelijk (waaronder via elektronische weg) te kennen is gegeven,

of, indien er geen tijd wordt aangegeven,

- uiterlijk 45 minuten voor de gepubliceerde vertrektijd, of

b) door een luchtvaartmaatschappij of touroperator van de vlucht waarvoor zij een boeking hadden, zijn overgeplaatst naar een andere vlucht, ongeacht de reden.

Ingevolge 5, eerste lid, aanhef en onder c, hebben passagiers in geval van annulering van een vlucht recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij zich een van de nader aangeduide gevallen voordoet.

Ingevolge het derde lid is een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7, indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, krijgen passagiers, wanneer naar dit artikel wordt verwezen, compensatie ten belope van:

a) 250 EUR voor alle vluchten tot en met 1 500 km;

b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1 500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km;

c) 600 EUR voor alle niet onder a) of b) vallende vluchten.

Bij de bepaling van de afstand wordt gekeken naar de laatste bestemming waar de passagier als gevolg van de instapweigering of annulering na de geplande tijd zal aankomen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, wijst iedere lidstaat een instantie aan die verantwoordelijk is voor de handhaving van de verordening met betrekking tot de vluchten vanuit de zich op het grondgebied van de lidstaat bevindende luchthavens en met betrekking tot de vluchten vanuit een derde land naar deze luchthavens. In voorkomend geval neemt deze instantie de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de rechten van de passagiers worden geëerbiedigd. De lidstaten delen de Commissie mee welke instantie overeenkomstig dit lid is aangewezen.

Ingevolge het tweede lid kan een passagier een klacht indienen bij elke overeenkomstig lid 1 aangewezen instantie of iedere andere door een lidstaat aangewezen bevoegde instantie over een vermeende overtreding van deze verordening op een op het grondgebied van een lidstaat gelegen luchthaven of betreffende een vlucht vanuit een derde land naar een op dat grondgebied gelegen luchthaven.

Ingevolge artikel 11.15, aanhef en onder b onder 1˚, van de Wet luchtvaart is de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu) bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Verordening.

2. Bij de brief van 11 april 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] van 28 februari 2012 tot handhavend optreden tegen ArkeFly buiten behandeling gesteld ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende waren om de aanvraag te beoordelen. Daartoe is redengevend dat [appellant] niet heeft voldaan aan het verzoek van de staatssecretaris van 1 maart 2012 om correspondentie met ArkeFly en tickets dan wel boardingpasses over te leggen. De staatssecretaris stelt zich, met verwijzing naar artikel 4:2, tweede lid, van de Awb op het standpunt dat hij [appellant] om deze bescheiden mocht verzoeken.

3. De rechtbank heeft overwogen dat om te bepalen of de Verordening van toepassing is onder meer van belang is of [appellant] een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie had. Onder boeking wordt blijkens artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening verstaan een ticket of ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris op goede gronden van [appellant] verlangd dat hij zijn ticket of boardingpass overlegde. De vertragingsverklaring volstaat niet, omdat deze niet op naam van [appellant] is gesteld en hieruit niet kan worden opgemaakt dat [appellant] een bevestigde boeking had voor de vertraagde vlucht. Verder zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de staatssecretaris bescheiden heeft verzocht waarover [appellant] redelijkerwijs niet de beschikking kon krijgen. Derhalve mocht de staatssecretaris het verzoek buiten behandeling stellen, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank met dit oordeel heeft miskend dat een verzoek om handhaving geen reguliere aanvraag is, aangezien handhaving ook het algemeen belang dient. De staatssecretaris mocht volgens hem derhalve niet verzoeken om tickets of andere bewijzen van de boeking over te leggen, maar diende reeds op basis van de verstrekte gegevens te onderzoeken of de Verordening was overtreden. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de vertragingsverklaring niet volstaat. Hij voert aan dat hem niet is aan te rekenen dat ArkeFly de vertragingsverklaring niet op naam heeft gesteld. De staatssecretaris had de door hem overgelegde gegevens eenvoudig kunnen controleren aan de hand van eigen gegevens. Bovendien is volgens [appellant] het gelijkheidsbeginsel geschonden, aangezien de staatssecretaris de eis om correspondentie met de luchtvaartmaatschappij en een ticket of boardingpass over te leggen in een gelijk geval niet heeft gesteld. Dat in dit geval die eis wel is gesteld is een vorm van willekeur. [appellant] betoogt dat de staatssecretaris al jarenlang aantoonbaar in het geheel niet wil handhaven.

4.1. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat bij de beoordeling van het door hem ingediende verzoek om handhaving geen toepassing kon worden gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft de minister ter beoordeling of ArkeFly jegens [appellant] in gebreke is gebleven te voldoen aan artikel 7, eerste lid, van de Verordening, gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening, ten minste het ticket van [appellant] of enig ander bewijs dat diens boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij nodig. Indien [appellant] gelijk heeft, is hij in het bezit gesteld van deze bewijsstukken en is hij bij uitstek degene die de bewijsstukken kan produceren om de staatssecretaris in staat te stellen te beoordelen of aanleiding bestaat tot handhavend optreden. Dat het bestuur in het algemeen ambtshalve tot handhaving dient over te gaan en in beginsel gehouden is het daartoe noodzakelijke onderzoek te verrichten, doet er niet aan af dat in de voorliggende situatie het aandragen van het essentiële bewijs voor de toepasselijkheid van de Verordening op de weg van [appellant] ligt. De staatssecretaris heeft dan ook van [appellant] mogen verlangen dat hij deze gegevens overlegt. Nu [appellant] dit niet heeft gedaan, heeft de staatssecretaris, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, zijn verzoek om handhaving in redelijkheid buiten behandeling kunnen stellen. Voorts overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris de door [appellant] verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende heeft mogen achten om te beoordelen of de Verordening van toepassing is en of een overtreding daarvan heeft plaatsgevonden.

Niet is gebleken dat in het geval waarop [appellant] wijst en waarin wel een last onder dwangsom is opgelegd, bij het verzoek om handhaving geen tickets of andere bewijzen van de boeking waren overgelegd noch dat de staatssecretaris in dat geval niet heeft verzocht dergelijke bescheiden alsnog over te leggen, bij gebreke hiervan bij de aanvraag. Derhalve is niet gebleken dat dit een gelijk geval is aan dat van [appellant] en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Het betoog faalt.

5. Voor zover [appellant] betoogt dat de staatssecretaris uit wantrouwen om reisbescheiden heeft verzocht en daarmee in strijd met artikel 3:3 van de Awb heeft gehandeld, oordeelt de Afdeling dat deze enkele stelling niet nader is gemotiveerd en reeds daarom buiten beschouwing dient te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

176-805.