Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201310330/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de minister de curatoren onder oplegging van een dwangsom gelast de overtreding van artikel 76a van de Kernenergiewet, gelezen in verbinding met voorschrift III, onder b, van de aan Thermphos op 6 februari 2012 krachtens die wet verleende vergunning, op te heffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Kernenergiewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/783
JM 2014/110 met annotatie van R. Leijendekker-van Kaam
Milieurecht Totaal 2014/730
AB 2014/371
M en R 2014/156
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6364

Uitspraak

201310330/1/A4.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

mr. S.M.W.L. van Boven, mr. R. van den Bosch en mr. F.T. Hiemstra, allen kantoorhoudend te Middelburg, in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Thermphos International B.V. (hierna: de curatoren),

appellanten,

en

de minister van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de minister de curatoren onder oplegging van een dwangsom gelast de overtreding van artikel 76a van de Kernenergiewet, gelezen in verbinding met voorschrift III, onder b, van de aan Thermphos op 6 februari 2012 krachtens die wet verleende vergunning, op te heffen.

Bij besluit van 25 september 2013 heeft de minister het door de curatoren hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben de curatoren beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De curatoren hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2014, waar de curatoren, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, mr. J. van Meggelen en M. de Meulmeester, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 76a van de Kernenergiewet is een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning verboden.

1.1. Voorschrift III, onder b, van de vergunning van 6 februari 2012 luidt:

"de ondernemer zorgt ervoor dat binnen de stralingsbeschermingseenheid, naast de algemeen coördinerend deskundige, ten minste 1 deskundige die ten minste het diploma ioniserende straling niveau 3, of een gelijkwaardig diploma heeft behaald, werkzaam is op het gebied van de stralingsbescherming. De algemeen coördinerend deskundige heeft voldoende secretariële en administratieve ondersteuning."

2. Niet in geschil is dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom in strijd met vergunningvoorschrift III, onder b, naast de algemeen coördinerend deskundige, geen andere deskundige als bedoeld in het voorschrift, binnen de stralingsbeschermingseenheid werkzaam was. Hiermee staat vast dat in strijd met artikel 76a van de Kernenergiewet is gehandeld, zodat de minister bevoegd was terzake handhavend op te treden.

3. De curatoren betogen dat zij geen overtreder zijn, zodat de last onder dwangsom ten onrechte aan hen is opgelegd. Hiertoe voeren zij aan dat de verplichting tot naleving van een Kernenergiewetvergunning geen verplichting van de boedel is. Zij wijzen erop dat deze vergunning persoonsgebonden is en - anders dan een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of een milieuomgevingsvergunning - niet van rechtswege geldt voor de drijver van de inrichting of de uitvoerder van het project. Verder betogen de curatoren dat de kosten van het aanstellen van een deskundige niet ten laste van de boedel kunnen worden gebracht.

3.1. Uit de uitspraak van 23 juli 2014, in zaak nr. 201307728/1/A4, volgt dat een curator als beheerder van de boedel vanaf het moment van faillietverklaring van een bedrijf verantwoordelijk is voor de uit de milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen van het bedrijf. Daartoe behoort in dit geval mede de verplichting om de aan Thermphos verleende Kernenergiewetvergunning na te leven. Dat die vergunning persoonsgebonden is, maakt dit niet anders.

Gelet hierop heeft de minister de curatoren terecht als overtreders aangemerkt.

De kosten om aan de last te voldoen worden door de curatoren als beheerders van de boedel aangegaan en komen derhalve ten laste van de boedel.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. De curatoren betogen dat concreet zicht op legalisatie bestond, zodat de minister van handhavend optreden had moeten afzien. Zij wijzen erop dat een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de Kernenergiewet was ingediend, waarin is verzocht vergunningvoorschrift III, onder b, in die zin aan te passen dat de stralingsbeschermingseenheid uit niet meer dan één stralingsdeskundige behoeft te bestaan.

5.1. Op 28 januari 2013 is een aanvraag om een wijziging van de vergunning als bedoeld in de Kernenergiewet ingediend. Ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom was deze aanvraag echter door de minister als onvolledig aangemerkt. Reeds hierom heeft de minister terecht geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestond.

De beroepsgrond faalt.

6. De curatoren stellen dat vertegenwoordigers van de Staat hun in een gesprek op 5 maart 2013 in verband met de ontmanteling van de inrichting hebben toegezegd, dat niet zou worden gehandhaafd indien een goed beleidsplan wordt opgesteld. Deze toezegging moet volgens de curatoren aan de minister worden toegerekend. Nu zij bezig waren dat beleidsplan op te stellen, had de minister niet handhavend mogen optreden, aldus de curatoren.

6.1. De minister stelt dat de toezegging in het geheel niet is gedaan. Bovendien waren de desbetreffende vertegenwoordigers niet bevoegd namens hem toezeggingen over handhaving te doen, nu zij uitsluitend als advocaat van de Staat en de provincie Zeeland optraden in verband met het ontmantelen van het in staat van faillissement verkerend bedrijf, aldus de minister.

6.2. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

De curatoren hebben niet aannemelijk gemaakt dat door daartoe bevoegde personen de gestelde toezegging is gedaan. Verder is onweersproken is dat op 7 maart 2013, dus kort na het door de curatoren bedoelde onderhoud van 5 maart 2013, een gesprek heeft plaatsgevonden tussen curator Van Boven en een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport, belast met handhaving namens de minister, waarin in het vooruitzicht is gesteld dat wegens de overtreding van voorschrift III, onder b, een last onder dwangsom zou worden opgelegd.

Gelet hierop is bij de curatoren niet door daartoe bevoegde personen de gerechtvaardigde verwachting gewekt, dat de minister niet handhavend zou optreden indien de curatoren een goed beleidsplan zouden opstellen.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

190-784.