Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201310511/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:7354, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310511/1/V6.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 september 2013 in zaak nr. 13/1653 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 1 maart 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.C. Heijnneman, advocaat te Goes, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

In de Handleiding is voorts vermeld dat het overleggen van nationaliteit en- identiteit vaststellende documenten ook geldt voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de naturalisatieprocedure zorgdragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; te weten een geldig nationaal paspoort en een (zo nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte.

Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is) dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de basisregistratie personen (BRP) is ingeschreven. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatie Dienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij hij op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

In de Handleiding is verder vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat hij de identiteit en nationaliteit van [appellant] niet heeft kunnen vaststellen en bewijsnood zich niet voordoet. Niet in geschil is dat [appellant], die stelt afkomstig te zijn uit Mauritanië, bij het verzoek geen geldig buitenlands paspoort en geen gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd. Evenmin in geschil is dat [appellant] in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ (hierna: buitenschuld-vergunning).

4. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij geen geldig paspoort en geen geboorteakte heeft overgelegd. Hij betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 in zaak nr. 201304554/1/V6, dat hij steeds dezelfde identiteit- en nationaliteitsgegevens heeft gebruikt en dat de staatssecretaris reeds in de verblijfsrechtelijke procedure heeft vastgesteld dat hij geen identiteit vaststellende documenten van de autoriteiten van zijn land van herkomst kan verkrijgen, aangezien hem een buitenschuld-vergunning is verstrekt. Onder die omstandigheden heeft de staatssecretaris ten onrechte van hem verlangd de vereiste documenten alsnog over te leggen en is de staatssecretaris ten onrechte niet van zijn beleid afgeweken, aldus [appellant].

Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] voorts, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 11 oktober 2011 in zaak nr. 53124/09, Genovese tegen Malta (www.echr.coe.int en JV 2012/107), betoogd dat de staatssecretaris willekeurig heeft gehandeld door hem het ontbreken van de vereiste documenten tegen te werpen. De afwijzing van zijn verzoek is een inbreuk op zijn sociale identiteit, zodat de staatssecretaris zijn recht op privéleven, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), heeft geschonden, aldus [appellant].

4.1. Uit het onder 2 weergegeven kader volgt dat een naturalisant aan wie, al dan niet onder vrijstelling van het paspoortvereiste, een verblijfsvergunning regulier is verstrekt, bij zijn naturalisatieverzoek een geldig buitenlands reisdocument en een gelegaliseerde geboorteakte moet overleggen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris reeds bij het vaststellen van dit niet onredelijke beleid voor de naturalisatieprocedure rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat houders van een verblijfsvergunning regulier in de vreemdelingenrechtelijke procedure zijn vrijgesteld van het vereiste om de desbetreffende documenten over te leggen. Dat [appellant] houder is van een buitenschuld-vergunning, voor de afgifte waarvan de staatssecretaris, naar moet worden aangenomen, heeft beoordeeld of [appellant] aantoonbaar niet kon beschikken over een reisdocument en of aanleiding bestond hem vrijstelling te verlenen, vormt dus op zichzelf geen omstandigheid die tot afwijking van voormeld beleid zou kunnen nopen. Ook overigens heeft [appellant] geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht aangevoerd in verband waarmee de staatssecretaris van de Handleiding zou hebben kunnen afwijken.

Het beroep van [appellant] op voormelde uitspraak van 19 februari 2014 kan hem evenmin baten. In die zaak was, anders dan de thans voorliggende zaak, de betrokkene staande een rechtsgeldig huwelijk in Nederland geboren en stond de nationaliteit van de ouders vast, zodat de staatssecretaris niet deugdelijk had gemotiveerd waarom hij in dat geval had vastgehouden aan het vereiste dat een naturalisant ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit een geldig buitenlands paspoort overlegt en niet van het in de Handleiding neergelegde paspoortvereiste was afgeweken.

Uit het voormelde arrest van 11 oktober 2011 volgt dat artikel 8 van het EVRM geen aanspraak biedt op verkrijging van een bepaalde nationaliteit. Slechts indien de staat bij de afwijzing van een naturalisatieverzoek willekeurig handelt, kan onder bijzondere omstandigheden artikel 8 van het EVRM in beeld komen. Niet is komen vast te staan dat de staatssecretaris bij de afwijzing van het verzoek willekeurig heeft gehandeld. Nu [appellant] evenmin heeft gestaafd dat de weigering hem het Nederlanderschap te verlenen invloed heeft gehad op de uitoefening van zijn privéleven hier te lande, bestaat ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Dat [appellant], naar hij stelt, sinds 2004 bezig is de documenten van zijn eigen autoriteiten te verkrijgen, is daartoe onvoldoende.

Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris terecht van [appellant] heeft verlangd dat hij alsnog de vereiste documenten overlegt. Hierbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat zijn twijfels over de identiteit en nationaliteit van [appellant] zijn gestoeld op het in de asielprocedure van [appellant] opgestelde rapport van het Bureau Land en Taal van 6 november 2006, volgens welke [appellant] eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Mauritanië en waarschijnlijk te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Senegal en dat [appellant] in de asielprocedure heeft verklaard dat hij in het bezit is geweest van een geboorteakte.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen hij niet in bewijsnood verkeert. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om aan de vereiste documenten te komen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hij zijn stelling, dat de ambassade van Mauritanië in Nederland niet wil meewerken aan het verkrijgen van een paspoort, niet objectief met documenten heeft aangetoond, aangezien het volgens hem zonder hem identificerende documenten niet mogelijk is om dit aan te tonen, aldus [appellant].

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank in het kader van bewijsnood ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft aangetoond dat hij niet met behulp van een professionele derde vanuit het buitenland de geboorteakte kan verkrijgen. Hij stelt dat hij een advocaat in Mauritanië om bijstand heeft verzocht en de adresgegevens van de advocaat heeft overgelegd, zodat de rechtbank hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet heeft aangetoond dat hij geen antwoord van deze advocaat op zijn verzoek heeft gekregen.

[appellant] verwijst verder naar rapport van het Internationaal Juridisch Instituut van 8 mei 2014 (hierna: het rapport), waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat de autoriteiten van Mauritanië bij het nemen van beslissingen willekeurig handelen en dat het bestuurlijk stelsel daar onderontwikkeld is. Voorts volgt volgens [appellant] uit het rapport dat de regelgeving van het land wordt gehinderd door een schrijnend tekort aan publieke middelen, zodat niet met zekerheid valt vast te stellen in hoeverre de wetgeving omtrent de burgerlijke stand in de praktijk wordt nageleefd en in hoeverre de toegang tot kopieën van geboorteakten verder feitelijk wordt bemoeilijkt. Gelet hierop kon ook daarom niet van hem worden verlangd om zelf de vereiste documenten in Mauritanië te verkrijgen, aldus [appellant].

5.1. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de ambassade van Mauritanië in Nederland weigert mee te werken aan de verkrijging van een paspoort. Een verzoeker moet volgens de Handleiding immers aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument. [appellant] had ter staving van zijn stelling een verklaring van een getuige kunnen overleggen. De staatssecretaris heeft de door [appellant] gestelde pogingen ter verkrijging van een paspoort terecht onvoldoende geacht voor een geslaagd beroep op bewijsnood. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij op andere wijzen heeft geprobeerd een paspoort te verkrijgen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog van [appellant] over het inschakelen van een professionele derde ter verkrijging van de geboorteakte kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel. Weliswaar heeft [appellant] een afschrift van een brief aan een advocaat in Mauritanië, waarin hij om bijstand verzoekt, overgelegd, maar dit betekent niet dat de staatssecretaris zich niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij daarmee niet reeds heeft aangetoond dat hij ten aanzien van de geboorteakte in bewijsnood verkeert. Met die brief is immers nog niet komen vast te staan dat [appellant] niet in het bezit van een geboorteakte kan geraken. Hetzelfde geldt voor de brief van [appellant] gericht aan de ambassade van Mauritanië in Brussel van 23 maart 2012 met het verzoek om een geboorteakte. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat de registers van de burgerlijke stand in Mauritanië niet bestaan of onvolledig zijn of dat in Mauritanië geen gelegaliseerde geboorteakte kan worden verkregen wegens de bestaande politieke situatie. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat het voor hem onmogelijk is om in persoon naar Mauritanië af te reizen om daar in persoon een aanvraag in te dienen.

Wat betreft het door [appellant] overgelegde rapport volgt hieruit slechts in algemene zin dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat de desbetreffende wetgeving in Mauritanië wordt nageleefd, maar volgt hieruit niet dat het voor [appellant] onmogelijk is om een geboorteakte te verkrijgen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet al het mogelijke heeft gedaan om aan te tonen dat hij geen geboorteakte kan verkrijgen en hij daarom niet in bewijsnood verkeert.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

32-766.