Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2744

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201309954/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:8462, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2010 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Oost-Graftdijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309954/1/A1.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Oost-Graftdijk, gemeente Graft-De Rijp,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, van 19 september 2013 in zaken nrs. 12/1815 en 12/1816 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Graft-De Rijp.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2010 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te Oost-Graftdijk.

Bij uitspraak van 20 oktober 2011 heeft de rechtbank het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft het college opnieuw aan [belanghebbende] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel.

Bij besluit van 25 april 2013 heeft het college een bouwtekening van 11 december 2012 tot onderdeel van de verleende bouwvergunning gemaakt.

Bij uitspraak van 19 september 2013 heeft de rechtbank de door [appellanten] tegen de besluiten van 7 juni 2012 en 25 april 2013 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2014, waar [appellanten], vertegenwoordigd door drs. S.P. van Donkelaar, en het college, vertegenwoordigd door R.S. van Diepen, werkzaam bij het college, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een kap op een eerder gebouwde uitbouw en het veranderen van een losstaande garage, waardoor deze met de woning wordt verbonden. Onder de te realiseren kap komt een slaapkamer ten behoeve van de bewoners van de bestaande woning. In de te verbouwen garage worden een woonkamer, kitchenette, slaapkamer en toilet gerealiseerd, waar de moeder van [belanghebbende] zal gaan wonen.

2. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [belanghebbende] het bouwplan na de eerdere uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2011 heeft gewijzigd op niet ondergeschikte wijze. Zowel het gebruik als de bouwkundige situatie is gewijzigd. Derhalve had er een nieuwe aanvraag moeten worden ingediend en had het bouwplan opnieuw aan de welstandscommissie moeten worden voorgelegd, aldus [appellanten].

2.1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 oktober 2011 het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 19 november 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. [belanghebbende] heeft het college naar aanleiding van deze uitspraak een gewijzigde bouwtekening, gedateerd 22 november 2011, toegezonden. De wijziging betreft de verwijdering van dakoverstek, de vergroting en de spiegeling van de indeling van een raam in de rechterzijgevel. Het college heeft op 7 juni 2012 een nieuw besluit op de aanvraag genomen en opnieuw ontheffing en bouwvergunning verleend. Uit een bouwtekening van 11 december 2012, die aan het besluit van 25 april 2013 ten grondslag is gelegd, blijkt dat de hemelwaterafvoer op het perceel ook is gewijzigd.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 10 september 2008 in zaak nr. 200800531/1) is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is en dient de vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is per concreet geval te worden beantwoord.

2.3. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 oktober 2011 overwogen dat met het bouwplan niet is beoogd een zelfstandige woning te creƫren. Anders dan [appellanten] betogen, is niet gebleken dat het beoogde gebruik met de wijziging van het bouwplan is veranderd. Zo de woning in de toekomst al als twee zelfstandige woningen in gebruik zal worden genomen, is dat een kwestie van handhaving.

2.4. Wat betreft de door [appellanten] gestelde bouwkundige wijzigingen wordt als volgt overwogen.

Uit de stukken, waaronder het advies van de welstandscommissie Graft-De Rijp van 14 juni 2010, en het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat op de bouwtekening, behorende bij het besluit van 19 november 2010, een discrepantie bestond tussen de op de bouwtekening weergegeven tekeningen van de plattegronden en de aanzichten. Op de tekening van 22 november 2011 is, om deze discrepantie weg te nemen, de dakoverstek verwijderd. De gewijzigde bouwtekening is aan het besluit van 7 juni 2012 ten grondslag gelegd. De welstandscommissie heeft in het advies van 8 april 2013 opgemerkt dat bij de nu aan de commissie voorgelegde tekening de tekeningen van de plattegronden en aanzichten overeen komen.

De op de tekening van 22 november 2011 weergegeven wijziging van het bouwplan betreft verder de vergroting van een raam en de spiegeling van de indeling van dat raam. Volgens de welstandscommissie is dat een wijziging van ondergeschikt belang.

Naar het oordeel van de Afdeling leiden de wijzigingen die het gevolg zijn van het wegnemen van de discrepantie niet tot een zodanige andere situatie dat deze wijzigingen niet als ondergeschikt kunnen worden aangemerkt. Dit geldt tevens voor de wijziging van de afmeting van het raam, de spiegeling van de indeling ervan en de wijziging van de hemelwaterafvoer. De uiterlijke verschijningsvorm van de woning waarbij hoogte, oppervlakte en indeling niet zijn gewijzigd, is hierdoor, afgezet tegen het totale bouwplan, slechts op ondergeschikte punten gewijzigd. Gelet hierop en op de aard en omvang van het bouwplan in relatie tot zijn omgeving, heeft de rechtbank terecht overwogen dat sprake is van wijzigingen van ondergeschikte aard waarvoor [belanghebbende] geen nieuwe aanvraag hoefde in te dienen. Het college hoefde evenmin een nieuw welstandsadvies te vragen en heeft terecht alleen de wijzigingen aan de welstandscommissie voorgelegd.

Het betoog faalt.

3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat het college niet bevoegd was ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) te verlenen, dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 4 en 9 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, dat het bouwplan een vermindering van daglicht, zonlicht en privacy met zich brengt en dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering.

3.1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 oktober 2011 overwogen dat de beroepsgronden van [appellanten] dat het college niet bevoegd was ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wro te verlenen, dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 4 en 9 van de planvoorschriften, dat het bouwplan een vermindering van daglicht, zonlicht en privacy met zich brengt en dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht in de ondergeschikte wijzigingen van het bouwplan geen aanleiding gezien om terug te komen van haar oordelen over deze beroepsgronden. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

473.