Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201309590/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6692, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2012 heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld en het betaalde voorschot van € 6.028,00 van [wederpartij] teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309590/1/A2.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2013 in zaak nr. 12/5189 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2012 heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld en het betaalde voorschot van € 6.028,00 van [wederpartij] teruggevorderd.

Bij besluit van 1 november 2012 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 november 2012 vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht; en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2. Bij besluit van 22 september 2012, gehandhaafd bij besluit van 1 november 2012, heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld en het betaalde voorschot van [wederpartij] teruggevorderd, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en de door haar overgelegde overeenkomst met het gastouderbureau niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

3. De rechtbank heeft het besluit van 1 november 2012 wegens een motiveringsgebrek vernietigd. Zij heeft op grond van het volgende geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst [wederpartij] ten onrechte heeft tegengeworpen dat de door haar overlegde overeenkomst niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [wederpartij] met de overgelegde bewijsstukken voldoende heeft aangetoond dat het gastouderbureau betalingen aan de gastouder heeft verricht voor de opvang van haar kind en dat de bureaukosten zijn voldaan, maar dat zij niet heeft aangetoond alle kosten, inclusief de eigen bijdrage, te hebben betaald. Nu [wederpartij] heeft aangetoond dat tenminste het bedrag van de ontvangen toeslag is aangewend voor de bestrijding van de kosten van kinderopvang, is het naar het oordeel van de rechtbank niet proportioneel en niet redelijk om de toeslag van [wederpartij] volledig te herzien naar nihil.

4. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Volgens de dienst heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het niet proportioneel en niet redelijk is om de toeslag volledig te herzien naar nihil. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient te worden aangetoond dat de kosten geheel zijn voldaan. In gevallen waarin dat niet is aangetoond, heeft de Afdeling geoordeeld dat het voorschot terecht is herzien en op nihil gesteld, aldus de Belastingdienst.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft betaald en wat de hoogte is van deze kosten.

4.2. De Belastingdienst heeft [wederpartij] over 2009 een voorschot toegekend van € 6.028,00. Volgens de door haar overgelegde jaaropgaaf 2009 bedragen de totale kosten van kinderopvang in dat jaar € 7.826,30. [wederpartij] en de gastouder hebben schriftelijk verklaard dat [wederpartij] de gastouder € 1.894,96 contant heeft betaald. [wederpartij] heeft ter zitting toegelicht dat zij naast deze verklaring geen bewijsstukken van de contante betaling heeft, zoals kwitanties en bankafschriften met pinopnames. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, betekent het feit dat [wederpartij] kan aantonen dat zij een deel van de kosten van kinderopvang over 2009 wel heeft voldaan, niet dat zij aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2 baseert de Belastingdienst zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52, eerste lid, van de Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken.

[wederpartij] heeft op verzoek van de Belastingdienst gegevens verstrekt waaruit de door haar gemaakte afspraken over kinderopvang blijken. Nu het bedrag aan kosten dat [wederpartij] blijkens deze gegevens verschuldigd is aanzienlijk hoger is dan het bedrag van de aangetoonde daadwerkelijk betaalde kosten, moet worden aangenomen dat de kinderopvang niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat [wederpartij] geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft en de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2009 terecht heeft herzien en op nihil gesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 november 2012 niet in stand zijn gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2013 in zaak nr. 12/5189, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 november 2012, kenmerk BEZ13BT07, niet in stand zijn gelaten;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

609.