Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201309589/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6690, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2012 heeft de Belastingdienst het aan [appellant sub 2] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309589/1/A2.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de Belastingdienst/Toeslagen

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2013 in zaak nr. 12/5465 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2012 heeft de Belastingdienst het aan [appellant sub 2] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 5 november 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 november 2012 vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep als bedoeld in artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ingesteld.

De Belastingdienst heeft een zienswijze ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, en [appellant sub 2], in persoon, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht; en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1o. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2o. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3o. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Bij besluit van 26 september 2012, gehandhaafd bij besluit van 5 november 2012, heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en op nihil gesteld, omdat [appellant sub 2] niet heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en de door haar overgelegde overeenkomst met het gastouderbureau niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst [appellant sub 2] ten onrechte heeft tegengeworpen dat de door haar overgelegde overeenkomst niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat [appellant sub 2] met de overgelegde bewijsstukken voldoende heeft aangetoond dat het gastouderbureau betalingen aan de gastouder heeft verricht voor de opvang van haar kind en dat de bureaukosten zijn voldaan, maar dat zij niet heeft aangetoond alle kosten, inclusief de eigen bijdrage, te hebben betaald. Nu [appellant sub 2] heeft aangetoond dat tenminste het bedrag van de ontvangen toeslag is aangewend voor de bestrijding van de kosten van kinderopvang, is het naar het oordeel van de rechtbank niet proportioneel en niet redelijk om de toeslag van [appellant sub 2] volledig te herzien naar nihil.

Het hoger beroep van de Belastingdienst

4. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet proportioneel en niet redelijk is om de toeslag volledig te herzien naar nihil. De dienst voert aan dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient te worden aangetoond dat de kosten geheel zijn voldaan. In gevallen waarin dat niet is aangetoond, heeft de Afdeling geoordeeld dat het voorschot terecht is herzien en op nihil gesteld, aldus de Belastingdienst.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft betaald en wat de hoogte is van deze kosten.

4.2. De Belastingdienst heeft aan [appellant sub 2] over 2009 een voorschot kinderopvangtoeslag van € 9.296,00 toegekend. Niet is in geschil dat [appellant sub 2] dit voorschot heeft aangewend voor kosten van kinderopvang. [appellant sub 2] heeft over dit jaar geen jaaropgaaf overgelegd. Uit de met het gastouderbureau en de gastouder gesloten overeenkomst volgt dat zij, rekenend over elf maanden, over 2009 totaal € 15.231,70 aan kosten zou moeten hebben gemaakt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, betekent het feit dat [appellant sub 2] kan aantonen dat zij een deel van de kosten van kinderopvang over 2009 wel heeft voldaan, niet dat zij aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2 baseert de Belastingdienst zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52, eerste lid, van de Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Een dergelijke wijziging van afspraken, die onder meer uit de jaaropgaaf kan blijken, is niet doorgegeven.

Nu, gelet op het vorenoverwogene, het bedrag aan kosten dat [appellant sub 2] blijkens de overeenkomst verschuldigd is niet overeenkomt met het bedrag van de aangetoonde daadwerkelijk betaalde kosten, moet worden aangenomen dat de kinderopvang niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat [appellant sub 2] geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft en de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2009 terecht heeft herzien en op nihil gesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Gelet op het voorgaande heeft de Belastingdienst zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] voor 2009 geen aanspraak heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag. Hetgeen de Belastingdienst heeft aangevoerd over de door [appellant sub 2] overgelegde overeenkomst met het gastouderbureau, behoeft daarom geen bespreking meer.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

6. [appellant sub 2] wordt niet gevolgd in het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst haar ten onrechte geen mogelijkheid heeft geboden om bewijsstukken te overleggen van de contante betalingen aan de gastouder. De Belastingdienst heeft haar bij brief van 22 oktober 2011 gevraagd om betalingsbewijzen, waarna [appellant sub 2] een door haar en de gastouder ondertekende schriftelijke verklaring dat [appellant sub 2] de gastouder contant heeft betaald, heeft overgelegd. De Belastingdienst heeft [appellant sub 2] bij brief van 12 september 2012 meegedeeld dat het voorschot zal worden herzien, omdat geen bankafschriften zijn overgelegd waaruit blijkt dat kosten van kinderopvang zijn gemaakt. [appellant sub 2] heeft tot in hoger beroep geen stukken ter onderbouwing van de gestelde contante betaling overgelegd.

Conclusie

7. Het hoger beroep van de Belastingdienst is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 5 november 2012 ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de Belastingdienst gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2013 in zaak nr. 12/5465;

III. verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 5 november 2012 ongegrond;

IV. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Jansen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

609.