Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201308845/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:17360, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 voor [appellante] herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308845/1/A2.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2013 in zaak nr. 13/1825 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2010 voor [appellante] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet kinderopvang heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht;

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Bij wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

2. Aan het besluit van 18 februari 2012, gehandhaafd bij dat van 7 februari 2013, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij de gestelde kosten voor kinderopvang over 2010 heeft gehad. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daaraan voorts ten grondslag gelegd dat het gastouderbureau, door wiens tussenkomst de opvang plaatsvond, sinds 1 november 2010 niet meer is geregistreerd bij de gemeente.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt mocht stellen dat zij niet heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang over 2010 heeft gehad. Daartoe voert zij aan dat de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten heeft uitgekeerd aan het gastouderbureau, die daarvan de gestelde kosten heeft voldaan. Dat een hoger bedrag aan voorschotten is uitgekeerd dan [appellante] stelt aan kosten te hebben gemaakt, kan niet leiden tot het oordeel dat die kosten niet zijn gemaakt, aldus [appellante].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2) kan, indien de gewijzigde afspraken over de kinderopvang of de betaling daarvan tijdig aan de Belastingdienst/Toeslagen zijn doorgegeven en deze in de jaaropgave van het gastouderbureau tot uitdrukking komen, de aanspraak op kinderopvangtoeslag berekend worden aan de hand van het op de jaaropgave vermelde bedrag aan kosten voor kinderopvang, namelijk indien deze jaaropgave het daadwerkelijk genoten aantal uren kinderopvang per kind en de daarvoor afgesproken prijs vermeldt.

Volgens de door [appellante] overgelegde jaaropgave over 2010 zijn in dat jaar € 17.040,00 aan kosten voor kinderopvang gemaakt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een bedrag van € 17.080,00 uitgekeerd aan [gastouderbureau], die dat, onder inhouding van de bemiddelingskosten, aan de gastouder betaalde. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] alle kosten voor kinderopvang heeft gehad die zij aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft doorgegeven.

Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] niet alle kosten van kinderopvang die zij volgens de jaaropgave verschuldigd was, heeft betaald. Dit betekent eveneens dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2010 terecht op nihil heeft gesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen had in het onderhavige geval aan de hand van de jaaropgave de hoogte van de kinderopvangtoeslag waar [appellante] over 2010 recht op heeft, moeten berekenen. Indien na deze berekening blijkt dat [appellante] een te hoog voorschot heeft gehad, dient de Belastingdienst/Toeslagen tot terugvordering over te gaan van het verschil tussen het voorschot en de definitieve berekening.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 februari 2013 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Wko voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

5. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2013 in zaak nr. 13/1825;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 7 februari 2013, kenmerk BEZ18 BT07;

V. bepaalt dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 283,00 (zegge: tweehonderddrieëntachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

480-799.