Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201307282/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:8624, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 17 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] bij brief van 29 maart 2013 ingestelde beroep wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/155

Uitspraak

201307282/1/A3.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013 in zaak nr. 13/2525 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij uitspraak van 17 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] bij brief van 29 maart 2013 ingestelde beroep wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd behandeld met zaak nr. 201307283/1/A3 op 28 maart 2014, waar [appellant], vergezeld door mr. J.C.L.M.A. van Gemert, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.C. Mencken en mr. H.O. Nieuwpoort, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge artikel 4:18 stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, is het beroep, indien het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, niet aan een termijn gebonden.

Ingevolge het tweede lid kan het beroepschrift worden ingediend, zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2013 in zaak nr. 201209925/1/A3 betoogt [appellant] dat de Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie (hierna: de mandaatregeling), ten tijde van belang deels onverbindend was, zodat het bestreden besluit onbevoegd is genomen en het verweer ter zitting van de rechtbank onbevoegd is gevoerd.

2.1. Het betoog faalt, reeds omdat het bij de uitspraak van 16 oktober 2013 onverbindend verklaarde deel van de mandaatregeling niet ziet op het voeren van verweer en omdat er geen onbevoegd genomen besluit was aangezien het beroep juist tegen het uitblijven van een besluit was gericht.

3. Het geschil spitst zich inhoudelijk toe op de vraag of [appellant] de minister in gebreke heeft gesteld in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

4. Bij brief van 8 oktober 2012 heeft de minister [appellant] een besluit op een verzoek om informatie op grond van de Wob toegezonden. Bij brief van 13 oktober 2012, met als onderwerp "onduidelijke brief" heeft [appellant] verzocht hem onder de werking van de Wob het verzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit van 8 oktober 2012 toe te zenden, nu hij dit besluit niet kan herleiden naar een door hem ingediend verzoek. Bij brief van 13 november 2012, met als onderwerp "voortgang" heeft [appellant] de minister verzocht kenbaar te maken wanneer een besluit zal worden genomen en daarbij voortvarend te werk te gaan.

Bij brief van 27 december 2012, met als onderwerp "voortgang", heeft [appellant] de minister verzocht binnen twee weken tot een besluit te komen, onder verwijzing naar de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: de Wet dwangsom).

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft de minister het verzoek van 13 oktober 2012 om openbaarmaking op grond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob afgewezen en daarbij opgemerkt dat het besluit van 8 oktober 2012 per abuis aan [appellant] is toegezonden. Bij brief van 11 februari 2013 met als onderwerp "dwangsom" heeft [appellant] de minister verzocht de volgens hem ten gevolge van zijn brief van 13 november 2012 verbeurde dwangsom van € 1260,00 uit te keren en hem een afschrift van het besluit inzake de verbeurde dwangsom toe te zenden onder de werking van de Wob.

Bij brief van 13 maart 2013 met als onderwerp "laatste aanmaning" heeft [appellant] de minister onder verwijzing naar de brief van 11 februari 2013 verzocht hem binnen twee weken een afschrift van het besluit inzake de verbeurde dwangsom toe te zenden en aangekondigd dat indien op 28 maart 2013 geen besluit is ontvangen beroep bij de rechtbank zal worden ingesteld.

5. De rechtbank heeft overwogen dat een professioneel rechtsbijstandverlener die bij een bestuursorgaan wil aandringen op een voortvarende besluitvorming, kan weten dat die voortvarendheid wordt bevorderd door het vermelden van een referentienummer van het bestuursorgaan. Eens temeer geldt dat in het geval als het onderhavige, waarin die rechtsbijstandverlener zich ten opzichte van het bestuursorgaan positioneert als een repeat player. Indien de betreffende brief dan niet alleen tot doel heeft om voortvarende besluitvorming te bevorderen, maar tevens om zo nodig als formele ingebrekestelling te gelden, dan staat het niet vermelden van het referentienummer aan de geldigheid van de pretense ingebrekestelling in de weg. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de grote hoeveelheid zaken die bij de minister lopen en de grote hoeveelheid brieven die de minister ontvangt, immers niet worden volgehouden dat met het vermelden van de naam van [appellant] en het briefnummer van [appellant] voldoende duidelijk is gemaakt op welk te nemen besluit de ingebrekestelling betrekking heeft. Nu het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] de minister ter zake van het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van 13 oktober 2012 niet in gebreke heeft gesteld, dient zijn beroep wegens het uitblijven van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank door aldus te overwegen een nieuw vereiste introduceert en daarbij discrimineert naar gelang er rechtsbijstand wordt verleend. Dit nieuwe vereiste doet afbreuk aan het doel en de uitvoering van de Wet dwangsom. Een ingebrekestelling is vormvrij gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr.3, blz. 7). Naar de mening van [appellant] is een ingebrekestelling voldoende duidelijk indien het voor een objectieve derde mogelijk is de ingebrekestelling naar slechts één unieke aanvraag te herleiden. Nu in de ingebrekestelling de naam van de betrokkene, de datum van de aanvraag en het unieke kenmerk van de brief waarin de aanvraag is vervat worden vermeld, is zijn ingebrekestelling slechts naar één unieke aanvraag te herleiden. De minister heeft zich in het verleden steeds op het standpunt gesteld dat het vermelden van de datum van de aanvraag alsmede de naam van de betrokkene voldoende zou zijn om als herleidbare ingebrekestelling te gelden. Voorts ligt het op de weg van de minister om met hem contact op te nemen indien onduidelijkheid bestaat over een ingebrekestelling, aldus [appellant], temeer gelet op de werkinstructies van de minister over hoe om te gaan met ingebrekestellingen. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij als gemachtigde procedeert, terwijl hij dat in deze procedure in persoon doet. Ook daarom is de overweging ten aanzien van hetgeen van een professioneel rechtsbijstandverlener kan worden verwacht niet op zijn plaats, aldus [appellant].

6.1. Bij brief van 13 november 2012, met als onderwerp "voortgang" heeft [appellant] de minister verzocht mee te delen wanneer een besluit zal worden genomen en hierbij voortvarend te werk te gaan. Deze brief behelst slechts een herinnering aan een lopend verzoek om informatie en de kennisgeving van de wens spoedig een besluit op dat verzoek te ontvangen. Uit de brief valt niet af te leiden dat [appellant] de minister daarmee heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen of dat aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt, indien dat besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen. De minister heeft de brief van 13 november 2012 reeds daarom niet als een ingebrekestelling hoeven aanmerken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 in zaak nr. 201109778/1/A3.

6.2. De minister heeft [appellant] bij brief van 21 december 2012 medegedeeld dat het gelet op de omvang van het aantal door hem ingediende brieven en verzoeken niet mogelijk is na te gaan op welke aan de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie gerichte verzoeken om informatie op grond van de Wob zijn diverse brieven en verzoeken betrekking hebben, zodat brieven die door [appellant] niet zijn voorzien van een nummer van het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB-nummer) onvoldoende duidelijk zijn en niet als ingebrekestelling worden aangemerkt. Gebleken is dat de minister ook in andere correspondentie met [appellant] heeft verzocht om vermelding van CJIB-nummers met het oog op de behandeling van de vele van hem afkomstige brieven.

Bij brief van 27 december 2012, met als onderwerp "voortgang" heeft [appellant] de minister medegedeeld dat hij nog geen besluit op zijn verzoek van 13 oktober 2012 heeft ontvangen en, onder verwijzing naar de Wet dwangsom, verzocht binnen twee weken een besluit te nemen. In de brief heeft [appellant] de door hem gebruikte kenmerken, zijn eigen naam en de datum van zijn verzoek vermeld doch, ondanks de duidelijke mededeling in de brief van de minister van 21 december 2012, niet het CJIB-nummer van de brief van de minister van 8 oktober 2012.

Aan de inhoud van een ingebrekestelling worden weliswaar geen bijzondere wettelijke eisen gesteld, maar uit de brief van 27 december 2012 van [appellant] diende wel voldoende duidelijk te zijn op welk besluit die brief betrekking heeft. Dat de minister wegens de praktische verwerkbaarheid van de grote hoeveelheid van [appellant] afkomstige brieven aan hem heeft gevraagd in het vervolg de CJIB-nummers te vermelden, is niet onredelijk. Gelet hierop behoefde de minister de brief van [appellant] van 27 december 2012, nu deze niet is voorzien van een CJIB-nummer en onvoldoende duidelijk is op welk te nemen besluit deze brief betrekking heeft, niet aan te merken als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Dat de minister vergelijkbare brieven in het verleden wel heeft aangemerkt als ingebrekestelling noch het beroep van [appellant] op een door hem meegezonden stappenplan, waarvan overigens niet duidelijk is of, wanneer en door wie dat is vastgesteld, maakt dit anders. Gelet op de duidelijke en niet als onverwacht of onredelijk aan te merken inhoud van de brief van de minister van 21 december 2012, behoefde de minister geen aanleiding te zien om na de brief van [appellant] van 27 december 2012 toch een verzuimbrief te verzenden. Daarbij is niet van betekenis dat [appellant] in deze procedure niet als gemachtigde maar in persoon optreedt.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

43-798.