Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
201305393/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013, kenmerk PDN/2013-063, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) het gebied Bekendelle aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206, hierna: de Habitatrichtlijn).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305393/1/R2.

Datum uitspraak: 23 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Winterswijk-Woold, gemeente Winterswijk,

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Winterswijk-Woold, gemeente Winterswijk,

3. [appellant sub 3], wonend te Winterswijk-Ratum, gemeente Winterswijk, en anderen,

4. [appellant sub 4], wonend te Winterswijk,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013, kenmerk PDN/2013-063, heeft de staatssecretaris krachtens artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) het gebied Bekendelle aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206, hierna: de Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], allen vertegenwoordigd door mr. C.M.H. Cohen, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. H.D. Strookman, E.R. Osieck en ir. D. Bal, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

Goede procesorde

1. De staatssecretaris heeft ter zitting gesteld dat de door [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] op 24 april 2014 ingediende stukken met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten. Door de late indiening van deze stukken was het niet mogelijk om op een passende wijze hierop te reageren, aldus de staatssecretaris.

1.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

1.2. De op 24 april 2014 nader ingediende stukken komen deels overeen en hebben deels betrekking op de specifieke situatie van iedere appellant. De nadere stukken zijn dertien dagen voor de zitting ingediend. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] hebben gesteld noch aannemelijk gemaakt dat het voor hen onmogelijk was de stukken eerder in de onderhavige procedure naar voren te brengen. Gelet hierop, en gelet op de aard en de aanzienlijke omvang van de desbetreffende stukken, was het voor de staatssecretaris onmogelijk om op adequate wijze daarop te reageren. Deze nadere stukken dienen derhalve wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.

Procedurele bezwaren

2. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat het Standaard Data Formulier (hierna: SDF) dat is gebruikt voor de aanmelding van het gebied Bekendelle bij de Europese Commissie onjuist is ingevuld, zodat dit gebied niet had mogen worden aangewezen. Volgens hen staat vermeld dat de gronden in het gebied eigendom van Staatsbosbeheer zijn, terwijl een gedeelte van de gronden in eigendom is van particulieren en/of bedrijven. Zij stellen voorts dat de natuurwaarden onjuist staan vermeld, waardoor een zogenaamde nulmeting niet mogelijk is en de ontwikkeling daarvan niet kan worden geanalyseerd.

2.1. Het SDF is het formulier dat is voorgeschreven voor de selectie op grond van de Habitatrichtlijn van gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang en als speciale beschermingszones. Dit formulier is een communicatiemiddel, waarmee lidstaten op eenvormige wijze gegevens over de aan te wijzen gebieden naar de Europese Commissie versturen. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 december 2011, nr. 201003125/1/R2, mogen bij de selectie van een Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn slechts ecologische criteria worden gehanteerd. De eigendomssituatie, wat daar ook van zij in dit geval, speelt derhalve geen rol bij de selectie alsmede de aanwijzing van een gebied. Een onjuiste vermelding van de eigendom van de gronden kan dan ook niet tot onrechtmatigheid van het voorliggende besluit leiden. Appellanten hebben voorts onvoldoende inzichtelijk gemaakt en onvoldoende onderbouwd dat er natuurwaarden op een onjuiste wijze op het SDF staan vermeld.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris het gebied Bekendelle bij het bestreden besluit niet had mogen aanwijzen. Het betoog faalt.

3. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] voeren voorts aan dat zij als eigenaar en/of gebruiker van gronden in of nabij het Natura 2000-gebied hadden moeten worden betrokken bij de onderzoeken die ten behoeve van het aanwijzingsbesluit zijn uitgevoerd.

3.1. Uit de Nbw 1998 noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat eigenaren en/of gebruikers van gronden in of nabij een Natura 2000-gebied dienen te worden betrokken bij de onderzoeken die ten behoeve van een aanwijzingsbesluit worden uitgevoerd. Dit betoog faalt.

4. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] stellen verder dat zij als eigenaar en/of gebruiker van gronden in of nabij het Natura 2000-gebied voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpaanwijzingsbesluit ten onrechte niet persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van de mogelijkheden om hierover informatie te verkrijgen en eventueel in te spreken.

4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Nbw 1998 is op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Het onderhavige ontwerpbesluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 27 november 2006. In deze kennisgeving is vermeld op welke wijze inlichtingen over het ontwerpaanwijzingsbesluit verkregen kunnen worden en wat de te volgen inspraak- en beroepsprocedure is. Uit de Awb noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat de staatssecretaris in een geval als hier aan de orde verplicht is om eigenaren en/of gebruikers van gronden in of nabij het Natura 2000-gebied persoonlijk, bijvoorbeeld door middel van een brief, hiervan in kennis te stellen. Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] voeren voorts aan dat het SDF ten onrechte niet ter inzage is gelegd.

5.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

5.2. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat het SDF voor het gebied bij het ontwerpaanwijzingsbesluit ter inzage had moeten worden gelegd. Naar het oordeel van de Afdeling is het SDF geen voor de beoordeling van het ontwerpbesluit redelijkerwijs noodzakelijk stuk als bedoeld in artikel 3:11 van de Awb. Het SDF had dan ook niet met het ontwerpaanwijzingsbesluit ter inzage hoeven te worden gelegd. Hiertoe wordt overwogen dat het SDF een communicatiemiddel is tussen de lidstaat en de Europese Commissie en dat de staatssecretaris onweersproken heeft gesteld dat de voor het aanwijzingsbesluit relevante informatie die op het SDF is vermeld wel ter inzage heeft gelegen. Bovendien is in het ontwerpaanwijzingsbesluit uiteengezet welke onderdelen daarvan zijn gewijzigd ten opzichte van de aanmelding. Overigens is het SDF sinds enige jaren raadpleegbaar via de website van het Europees Milieuagentschap en is gebleken dat appellanten kennis hebben kunnen nemen van het SDF. Dit betoog faalt.

6. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] voeren aan dat in de ‘Nota van Antwoord, Inspraakprocedure Natura 2000-gebieden’ is vermeld dat alle indieners van zienswijzen een brief zullen ontvangen, waarin wordt ingegaan op hun individuele zienswijze en gebiedspecifieke punten, en dat in afwijking van deze procedure een dergelijke brief niet is ontvangen.

6.1. Zoals hiervoor onder 4.1 is vermeld, is op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure verplicht niet tot het toezenden van een individuele reactie aan alle indieners van een zienswijze. Op grond van artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb geschiedt de mededeling van het besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat met het toezenden aan de appellanten van het vastgestelde aanwijzingsbesluit met de daarin opgenomen bijlage C waarin per thema op de ingediende zienswijzen wordt ingegaan niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, onder b, van de Awb. Derhalve faalt dit betoog.

7. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat de gevolgde procedure onzorgvuldig is omdat het aanwijzingsbesluit eerst is genomen en pas later het beheerplan wordt vastgesteld. Hierdoor staat volgens hen de aanwijzing van het gebied reeds vast terwijl pas later het bestaande gebruik in kaart wordt gebracht en de gebruiksmogelijkheden worden geregeld. Zij voeren voorts aan dat ten onrechte geen overleg met hen is gevoerd over het beheerplan en dat het opstellen hiervan erg lang duurt.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 5 november 2008 (zaak nr. 200802545/1) volgt noch uit artikel 19a van de Nbw 1998 noch uit enige andere wettelijke bepaling dat het aanwijzingsbesluit en het beheerplan voor dit gebied gelijktijdig hadden moeten worden vastgesteld. Dat een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing eerst kan plaatsvinden na totstandkoming van het beheerplan vloeit daaruit voort dat, naar volgt uit de aangehaalde bepaling, eerst in het beheerplan de concreet te nemen instandhoudingsmaatregelen worden vastgelegd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris in redelijkheid voor de totstandkoming van het beheerplan kunnen overgaan tot aanwijzing van het onderhavige gebied.

Ten aanzien van het betoog dat geen overleg is gevoerd over het beheerplan en dat het opstellen hiervan erg lang duurt, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het bestreden besluit, maar op het nog vast te stellen beheerplan. Deze beroepsgrond kan in de onderhavige procedure derhalve niet aan de orde komen.

Wettelijk kader

8. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover van belang, wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen.

8.1. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede artikellid, voor zover hier van belang, bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het vierde artikellid gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

8.2. Ingevolge artikel 19a, eerste lid, eerste volzin, voor zover thans van belang, stellen gedeputeerde staten na overleg met de eigenaar, gebruiker en andere belanghebbenden, voor het op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. Tevens kan het beheerplan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, in voorkomend geval onder nader in het beheerplan aangegeven voorwaarden en beperkingen, het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, mede gelet op de instandhoudingsmaatregelen die worden getroffen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel behoren tot de inhoud van een beheerplan ten minste:

a. een beschrijving van de beoogde resultaten met het oog op het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding in het aangewezen gebied mede in samenhang met het bestaande gebruik in dat gebied en, voor zover relevant voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling, daarbuiten;

b. een overzicht op hoofdlijnen van de in de door het plan bestreken periode noodzakelijke maatregelen met het oog op de onder a. bedoelde resultaten.

8.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, voor zover hier van belang, kent, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit, genomen krachtens hoofdstuk III van de Nbw 1998, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, het orgaan dat dat besluit heeft genomen of geacht wordt te hebben genomen, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Gebiedsbeschrijving

9. Het gebied Bekendelle ligt ten zuiden van Winterswijk en beslaat een oppervlakte van ongeveer 90 hectare. Dit gebied is aangewezen voor de habitattypen "beuken-eikenbossen met hulst" (H9120), "eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)" (H9160, subtype A) en "vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)" (H91EO, subtype C).

Draagkrachtige motivering

10. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat de motivering van het aanwijzingsbesluit ten onrechte grotendeels te vinden is in achtergronddocumenten, waaronder het Natura 2000 Doelendocument, het Natura 2000 Gebiedendocument en de bijbehorende leeswijzer.

10.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het aanwijzingsbesluit in zijn algemeenheid een draagkrachtige motivering ontbeert. In paragraaf 5.3 van de Nota van toelichting alsmede in bijlage B bijhorende bij het aanwijzingsbesluit worden de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen nader gemotiveerd. Dat de daarin opgenomen gegevens deels afkomstig zijn uit achtergronddocumenten zoals het

Doelendocument of het Gebiedendocument maakt dat niet anders. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de motivering in het aanwijzingsbesluit ook zonder raadpleging van de genoemde achtergronddocumenten zelfstandig leesbaar en begrijpelijk is, zodat in zoverre het aanwijzingsbesluit over het geheel genomen deugdelijk is gemotiveerd. Het betoog faalt.

Nieuwe natuur

11. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat ten onrechte nieuwe natuur is opgenomen binnen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied. Zij voeren aan dat de staatssecretaris dit niet uit ecologische overwegingen heeft gedaan, maar met het oog op een logische begrenzing van het gebied. Zij stellen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft aangetoond dat dit noodzakelijk is voor de instandhouding van de habitattypen. Agrarische gronden dienen sowieso niet binnen de begrenzing te worden opgenomen, aldus [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4].

11.1. Volgens de staatssecretaris is de opname van nieuwe natuur in bepaalde gevallen noodzakelijk teneinde de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen realiseren.

11.2. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: Europese Unie) kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping, ECLI:EU:C:2000:600, punten 16 en 25).

11.3. In het bestreden besluit is vermeld dat als uitgangspunt aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag is gelegd dat nieuwe natuur binnen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied wordt opgenomen wanneer deze aantoonbaar noodzakelijk is om de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen en/of -soorten waarvoor het gebied is aangewezen te kunnen realiseren.

Uit het aanwijzingsbesluit blijkt dat binnen de begrenzing van het gebied Bekendelle ongeveer vijf hectare nieuwe natuur is opgenomen. Ter zitting hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] hun betoog toegespitst op een perceel tussen de Boven Slinge en het Beekshuis en een perceel ten zuiden van het Beekshuis. Ten aanzien hiervan blijkt uit het bestreden besluit en is ter zitting toegelicht, dat deze percelen zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied om meer water te kunnen vasthouden in het gebied ten behoeve van de instandhouding en het herstel van de habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen. De staatssecretaris heeft in dit kader toegelicht dat de waterhuishouding van groot belang is bij het bewerkstelligen van het herstel van de habitattypen "eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)" (H9160, subtype A) alsmede "vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)" (H91EO, subtype C), waarvoor een verbeterdoelstelling ten aanzien van de kwaliteit is opgenomen. Zonder een natuurlijkere waterhuishouding en een betere waterkwaliteit is het verbeteren van de kwaliteit van deze habitattypen niet mogelijk. Voorts heeft de staatssecretaris ter zitting toegelicht dat deze twee percelen binnen de begrenzing zijn opgenomen omdat ter plaatse geen bemesting meer mag plaatsvinden, omdat dit negatieve effecten heeft op voornoemd habitattype "vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)" (H91EO, subtype C). [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris deze twee percelen nieuwe natuur niet binnen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied heeft kunnen opnemen. Het betoog faalt.

Instandhoudingsdoelstellingen

12. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat ten onrechte voor de habitattypen "beuken-eikenbossen met hulst" (H9120), "eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)" (H9160, subtype A) en "vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)" (H91EO, subtype C) een verbeterdoelstelling ten aanzien van de kwaliteit is opgenomen. Voorts betogen zij dat ten onrechte voor het habitattype "eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)" (H9160, subtype A) een uitbreidingsdoelstelling ten aanzien van de oppervlakte is opgenomen. Zij stellen dat deze habitattypen in het gebied reeds in een gunstige staat van instandhouding verkeren, zodat verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van de oppervlakte niet nodig zijn. Zij wijzen in dit verband tevens op de Natura 2000 contourennotitie, waarin volgens hen als uitgangspunt is opgenomen dat de bestaande kwaliteit en omvang dienen te worden gehandhaafd.

12.1. Volgens de staatssecretaris zijn deze doelstellingen voor de genoemde habitatypen in dit gebied nodig om op landelijk niveau een gunstige staat van instandhouding te bereiken.

12.2. Blijkens het Natura 2000-profielendocument is de landelijke staat van instandhouding van de habitattypen "beuken-eikenbossen met hulst" (H9120) en "vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)" (H91EO, subtype C) matig ongunstig. De landelijke staat van instandhouding van het habitattype "eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)" (H9160, subtype A) is zeer ongunstig.

12.3. De Afdeling overweegt dat de staatssecretaris bij het vaststellen van instandhoudingsdoelstellingen voor een gebied aansluiting mag zoeken bij de kwaliteit en/of oppervlakte van een habitattype dat minimaal benodigd is voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. Voorts is voor het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000 contourendocument als uitgangspunt niet slechts opgenomen dat de bestaande kwaliteit en omvang in beginsel dienen te worden gehandhaafd, maar ook dat het habitattype in een gunstige staat van instandhouding wordt gebracht.

Nu de landelijke staat van instandhouding van de genoemde habitattypen als matig ongunstig dan wel zeer ongunstig is beoordeeld en geen andere redenen zijn aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de opgenomen hersteldoelstellingen voor de genoemde habitatypen in dit gebied niet nodig zijn om op landelijk niveau een gunstige staat van instandhouding te bereiken, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris voor de genoemde habitattypen geen verbeterdoelstelling ten aanzien van de kwaliteit heeft kunnen opnemen en voor het habitattype "eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)" (H9160, subtype A) ook een uitbreidingsdoelstelling ten aanzien van de oppervlakte. Het betoog faalt.

Bedrijfsbelangen

13. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen betogen dat het bestreden besluit negatieve gevolgen zal hebben voor hun bedrijfsvoeringen en de uitbreidingsmogelijkheden daarvan. Zij voeren aan dat hun agrarische bedrijven invloed zullen ondervinden van de aanwijzing van Bekendelle als Natura 2000-gebied. [appellant sub 4] wijst erop dat hij landbouwgronden in eigendom heeft waar eveneens invloed zal worden ondervonden van de aanwijzing.

13.1. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) kunnen bij een aanwijzingsbesluit voor een Habitatrichtlijngebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de selectie en begrenzing van het gebied. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping, ECLI:EU:C:2000:600, punten 16 en 25). Gelet hierop heeft de staatssecretaris terecht eventuele negatieve gevolgen voor de bedrijfsbelangen van appellanten niet bij de selectie en begrenzing van het gebied betrokken. Het betoog faalt.

Schadevergoeding

14. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat het aanwijzingsbesluit leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van hun gronden en dientengevolge tot schade die vergoed dient te worden. Zij voeren aan dat de schadevergoedingsregeling van artikel 31 van de Nbw 1998 niet voorziet in een volledige schadeloosstelling, zoals bij de aanname van de Habitatrichtlijn toegezegd, en dat een onteigeningsgarantie zou moeten worden afgegeven. Gelet hierop bestaat volgens hun reden om van de aanwijzing van het gebied af te zien.

14.1. Artikel 31, eerste lid, van de Nbw 1998 bevat een regeling voor vergoeding van door belanghebbenden geleden schade als gevolg van een besluit genomen krachtens hoofdstuk III van die wet. Artikel 10a van de Nbw 1998 maakt deel uit van dat hoofdstuk, zodat eventuele schade als gevolg van het bestreden besluit valt onder het bereik van de in artikel 31 van de Nbw 1998 opgenomen schadevergoedingsregeling. Toepassing van deze regeling valt buiten het kader van de onderhavige procedure, zodat vergoeding van schade als gevolg van het bestreden besluit thans niet ter beoordeling staat. Ten aanzien van het betoog dat om voornoemde redenen, onder andere omdat artikel 31 van de Nbw 1998 niet zou voorzien in een volledige schadeloosstelling, van de aanwijzing van het gebied zou dienen te worden afgezien, overweegt de Afdeling dat bij de selectie en begrenzing van gebieden uitsluitend overwegingen van ecologische aard kunnen worden betrokken. Genoemde redenen, wat ervan ook zij, kunnen dan ook geen reden zijn om van aanwijzing van het gebied af te zien.

Nationale wet- en regelgeving

15. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] voeren voorts aan dat de aanwijzing een schending vormt van het systeem van de ruimtelijke ordening zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening. Zij voeren verder aan dat de aanwijzing zich niet verdraagt met de status die bepaalde gronden hebben op grond van de Natuurschoonwet.

15.1. De Afdeling overweegt dat uit artikel 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn voor Nederland de verplichting voortvloeit om de gebieden die tot gebied van communautair belang zijn verklaard zo spoedig mogelijk als speciale beschermingszone aan te wijzen. Als gevolg daarvan dient in nationale wet- en regelgeving en bij de toepassing daarvan rekening te worden gehouden met de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en niet andersom. Gelet hierop faalt dit betoog.

Conclusie

16. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Schoonbrood

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014

694.